Boudicca
Boudicca spreekt sterk tot de
verbeelding, een jonge vrouwelijke krijger die vanwege groot onrecht het
opneemt tegen het kwaden. Over haar werkelijke leven en haar opstand
zijn vrijwel geen literaire bronnen beschikbaar. Toch kunnen we uit de
enkele (vijandige) bronnen een patroon opnamen van wie Boudicca
werkelijk was. Ook archeologische bronnen kunnen bevestigen dat de Iceni
een erg invloedrijke stam vormde en er zijn veel voorwerpen
teruggevonden uit de tijd van Boudicca die duidelijk rijkdom weergeven.
Boudicca,
ook wel Boadicea of Boadicca genoemd, werd geboren rond 30 n.Chr. als
lid van een aristocratische familie van de
Iceni. Door de
vele stammenoorlogen en de dreiging van een
Romeinse
invasie werd haar al vroeg geleerd met wapens om te gaan. Het was de
bedoeling dat ze
druïde werd en
hierom verhuisde ze naar het
eiland Mona.
Daar werd ze zowel onderwezen in de leer van de
druïden als in de
krijgskunst.
Op deze twee gebieden blonk ze zo uit dat ze werd uitgehuwelijkt aan de
koning van de
Iceni, Prasutagus.
Zowel Tacitus als Dio vermelden dat ze een intelligente vrouw was,
intelligenter als dat een vrouw hoorde te zijn vermeldde ze. Ze was
groot, met lang rood haar tot haar heupen. Ze had een doordringende blik
(mogelijk propaganda) en ze droeg een gekleurde tuniek met daarover een
mantel die met een gesp werd vastgehouden. Deze vermelding van haar
kleding komt overeen met de normale locale klederdracht. Ook wordt
vermeld dat ze een goude ketting droeg, hiermee wordt waarschijnlijk een
goude torque bedoeld.
Al kunnen de literaire bronnen vaak
met een grote korrel zout worden genomen, archeologisch onderzoek lijkt
een licht te werpen op Boudicca en haar leven. Het gebied Norfolk staat
tegenwoordig bekend als een archeologisch rijk gebied. Het gevaar komt
op dit moment voornamelijk van amateur archeologen die met hun
metaaldetector de Engelse provincie afzoeken naar ''schatten''. Vooral
in het westen is veel goud en zilver uit de late bronstijd
teruggevonden. Ook trof men een grote hoeveelheid paarden bits en
strijdwagen onderdelen aan. Dit wijst op militaire activiteiten en een
grootschalige aanwezigheid van cavalerie. Aangezien de Iceni voor lange
tijd bondgenoot waren met de Romeinen waren zij minder geromaniseerd als
hun naburige stammen. In de archeologische vondsten kan worden
teruggezien dat in de provincie minder Romeinse voorwerpen zijn
teruggevonden als gebruikelijk is. Al deze resultaten kunnen met de
periode waarin Boudicca regeerde worden geassocieerd, maar het is niet
duidelijk of ze daadwerkelijk invloeden van Boudicca vertonen. In 1982
deed de archeologische dienst van Norfolk onderzoek naar de
Romano-Britse stad bij Crownthorpe. Men trof er zes keramische potten
aan. Sommige potten kwamen uit Noord-Italië, andere waren typisch
Keltisch. Samen vormde ze een compleet Romeins drinkset en het is
duidelijk dat deze van een Iceni edelman moeten zijn geweest.
Waarschijnlijk zijn ze begraven tijdens Boudicca's opstand. Mogelijk om
veilig te bewaren, maar het kan ook voor rituele doeleinden zijn
geweest. In 1992 trof men niet ver van deze stad af een set van vijf
bronzen paardenbits aan. Het is zeker dat deze uit de tijd van Boudicca
kwamen en we kunnen er vanuit gaan dat ze vrij veel ruiterij in haar
leger had. Verder zijn er erg veel muntenschatten en zilveren en goude
sieraden teruggevonden die zeker kunnen worden geassocieerd met de Iceni.
Keizer Claudius liet zijn
legioenen in 43 n.Chr. Brittannië invallen. Vele stammen hadden goede
banden met de
Romeinen
en verzetten zich niet. Zo ook de
Iceni, ze dreven
handel en leefden in vrede met de veroveraars. De vijandigheid tussen de
Kelten en de
Romeinen
ontstond pas toen de laatstgenoemden de oude religie probeerden te
onderdrukken. De
Romeinen
vreesden de druïden namelijk, die grote macht over de stammen hadden.
Het gerucht dat de Keltische priesters mensen offerden, gaf aanleiding
om hun bloedig te onderdrukken.
De stammen
werden gedwongen zich te onderwerpen aan de eisen van de bezetters, als
ze dit niet deden werd hun land ingenomen. Om zijn gebied te beschermen
sloot Prasutagus een verdrag met Rome, waardoor de
Iceni
een vazallenstaat werden.
Prasutagus kreeg als dank voor
dit verdrag een toelage, maar de
Romeinen
definieerden dit als een lening. Toen de nieuwe gouverneur, Publius
Ostorius Scapula, dit terugeiste, kwamen veel
stammen
in opstand, ook degene die buiten het
Romeinse
gebied leefden. Scapula stuurde een kleine troepenmacht naar de rebelse
stammen, de rest van zijn leger stuurde hij naar het noorden om nog meer
land te bezetten. Om de andere stammen te behoeden van romanisering,
kwamen er nog meer zuidelijke
stammen
tegelijkertijd in opstand. Nadat de Kelten in een veldslag bij Stonea
Camp waren verslagen, dwongen de
Romeinen
ze rond 47 n.Chr. tot ontwapening. Dit leidde tot nieuwe onrust, het was
voor de Kelten onterend als iemand hun wapens afnamen. Ook de
Iceni
verzetten zich en werden wreed verslagen. Toen de legioenen verder
trokken naar noord-Wales, kwam het bericht dat de
Brigantes
in opstand waren gekomen. De
Romeinen
vielen de stam aan en slachtten iedereen die ook maar aan een opstand
had gedacht af.
Het
overlijden van koning Prasutagus, Boudicca’s man, in het jaar 60
veroorzaakte nieuwe onrust. Zijn testament, waarin hij de helft van zijn
rijk aan zijn dochters gaf en de andere helft aan de keizer, werd
namelijk niet opgevolgd. De lokale gouverneur nam onmiddellijk de
controle over de stam. Prasutagus’ jonge dochters werden verkracht en
zijn vrouw Boudicca in het openbaar mishandeld. Een groot deel van de
koninklijke familie belandde in slavernij. Toen gouverneur Gaius
Suetonius Paulinus een bloedbad aanrichtte op het
druïdeneiland
Mona, was de maat voor de
Iceni vol.
Boudicca wapende haar krijgers en riep andere
stammen
op tot oorlog. Ze was immers
druïde
en kon de Kelten onder haar banier verenigen. De
Trinovantes,
Cornovii
en de
Durotriges,
maar ook andere stammen die nauwelijks met de
Romeinen
te maken hadden gehad, sloten zich bij haar aan.
Binnen niet al te lange tijd
had Boudicca een leger op de been van ongeveer 100.000 man. Hiermee trok
ze op naar Camulodunum Colonia, het hedendaagse Colchester. Een kolonie
van veteranen bewaakten het fort en werd verpletterd. Camulodunum werd
na Boudicca’s overwinning platgebrand. Het leger groeide tot 200.000
krijgers en rukte op naar Londinium, Londen. De veteranen die het fort
bewoonden, werden onder de voet gelopen en ook Londinium werd verwoest.
Zowel de legaat van het legioen IX Hispana als gouverneur Suetonius zelf
kwamen in actie. De legaat trok op naar Londinium, maar werd in een
hinderlaag verslagen. Zijn infanterie werd afgemaakt, maar hij en zijn
cavalerie wisten te ontkomen en ontmoetten de gouverneur. Deze had een
spoor van verwoesting aangetroffen op zijn mars van
Wales naar
Engeland.
De
Romeinen
hergroepeerden zich en formeerden een leger dat bestond uit de cavalerie
van het IX Hispana en de legioenen XX en XXIV, die met Suetonius
Mona
hadden uitgemoord. Suetonius kwam erachter dat de
opstandige stammen werden bevoorraad met gestolen Romeinse reserves en
liet hierom zijn voorraden grotendeels verbranden.
Ergens
tussen Londinium en Viroconium (Wroxeter), langs de
Romeinse weg die nu
bekend staat als Watling Street, vochten de Kelten en de Romeinen hun
laatste slag tegen elkaar. De Romeinen waren zwaar in de minderheid met,
volgens geschiedschrijvers, 10.000 legionairs tegenover 230.000 Kelten.
Maar Boudicca’s mensen waren getroffen door honger door de verbrande
Romeinse voorraden en de
Romeinen hadden uitstekende wapens en
discipline. De legioenen werden in de rug en de flanken beschermd door
heuvels en bossen, waardoor de Kelten hun alleen maar van de voorkant
konden naderen. Er was weinig ruimte, waardoor Boudicca’s leger zijn
totale kracht niet kon gebruiken. De Keltische strijdwagens bevonden
zich achter hun optrekkende leger. Boudicca leidde een frontale aanval,
maar haar lijn veranderde al naderend in een dicht opeen gepakte massa.
Toen de Kelten dichtbij genoeg waren, gooiden de Romeinen hun
werpsperen, hun pila. Zo’n speer was ontworpen om in een vijandelijk
schild te blijven zitten. Dit gebeurde dan ook en er stierven bovendien
veel strijders door een gebrek aan wapenrusting. Toen veel Britten waren
gesneuveld door de pila, gaf Suetonius het bevel op te trekken. De
legioenen duwden de Keltische krijgers terug tot aan de strijdwagens.
Deze maakten verdere terugtrekking onmogelijk. Boudicca’s krijgers
werden een voor een afgeslacht.
Tacitus vermeldt dat er bij
deze slag zo’n 80.000 Kelten omkwamen, niet alleen krijgers, maar ook
vrouwen en kinderen die met het leger meetrokken. Boudicca zelf wist te
vluchten. Zij stierf later, sommigen zeggen door vergif, anderen door
een ziekte. Het lot van haar dochters is onbekend.
Zie ook:
Cartimandua
Caratacus
De Kelten en de Romeinen