![]() |
![]() |
||||
|
|
Kelten en Romeinen
Caesar had Gallië in relatief korte tijd ingenomen en dacht dat de invasie van Groot-Brittannië hem even makkelijk af zou gaan. Hij beschreef tegenover de senaat de Britse Kelten dan ook als domme barbaren die makkelijk te verslaan waren, wat tegenstrijdig was met het algemene beeld van de Romeinen over de Britten, die door levendige handelscontacten in aanraking waren gekomen met Britse nijverheidsproducten. Tegen de tijd van de eerste invasie had Brittannië al levendige handelscontacten met het Romeinse rijk. Caesar probeerde via handelaren informatie te krijgen over de Britse stammen, hun macht en tactieken en de kustlijnen, maar had hierin geen succes. Zijn vervormde beeld kwam deels door de foutieve informatie die hij van de handelaars had gekregen, deels was dit natuurlijk ontstaan uit het persoonlijk gewin dat hij zou maken als de senaat het voorstel tot invasie goed zou keuren. Nadat een jaar van tevoren een oorlogsschip op verkenning uit was geweest om een goed strand voor een landing uit te zoeken, zeilde op 24 augustus in 55 v.Chr. de Romeinse vloot uit naar de Engelse kust met de legioenen VII en X, die in totaal uit ongeveer 10.000 manschappen moeten hebben bestaan. De volgende ochtend lagen de schepen voor anker bij de kliffen van Foreland. De Britten wachtten hen met een bijeengeroepen leger op langs de kliftoppen. Toen de Romeinen dit zagen, gaf de leider van de vloot een koerswijziging door: het nieuwe plan was te landen tussen Walmer en Deal. Hier kwamen de Romeinen aan land en ontmoetten de Cantiacii, die de vloot hadden gevolgd. Caesar koos ervoor zijn schepen op laag tij voor anker te laten gaan wat betekende dat de soldaten ongeveer 180 meter naar de kust moesten waden, terwijl ze ondertussen beschoten werden door de Keltische boogschutters. Caesar schrijft hierover:
Omdat de standaard vrijwel heilig was voor het legioen, volgden de andere legionairs de drager van de standaard naar de kust. Het duurde tot zeven ’s avonds tot de Romeinen het strand in hadden genomen. Er kwam een kort vredesverdrag tot stand. Op de vierde dag van deze landing verslechterde het weer op zee dusdanig, dat achttien transportschepen met cavalerie teruggedreven. Ook was er in diezelfde nacht een equinox die springtij veroorzaakte. De Britten wisten dit, maar hadden het niet gemeld tijdens het vredesoverleg. De golven kwamen tot ver op het strand en vernietigden of vernielden een groot deel van de schepen die op land lagen. Met grote moeite wisten de Romeinen op twaalf na al hun schepen te repareren.
De Britten zagen hun kans op succes stijgen en zonden boodschappen naar andere stammen om troepen op te roepen. Omdat Caesar door de storm vrijwel geen cavalerie meer bezat, realiseerde hij zich dat zijn legermacht te klein en te immobiel was om grote overwinningen te behalen. Hoewel ze de Kelten enige keren versloegen, moesten ze zich al snel terugtrekken om hun positie te behouden, aangezien ze zich niet goed genoeg hadden gevestigd om een stabiele basis in Brittannië te houden.
Hij had al gemerkt dat een ongeziene landing niet mogelijk was door de open ligging van de stranden aan de zuidkust en de loyaliteit van de handelaars, die de komst van het leger zeker aan de Britten zouden melden. Hoewel ze inderdaad op de hoogte waren van het vijandelijke leger, boden de Kelten niet veel verzet tegen de grote strijdmacht. Ze trokken zich terug naar een genotificeerde positie. Deze was wel geschikt om rovers en plunderende krijgers van naburige stammen tegen te houden, maar bleek minder goed bestand tegen de kracht van het Romeinse leger. De legionairs van het legioen VII bouwden een helling tegen de muur van het fort terwijl ze hun testudo-formatie aanhielden tegen de regen van pijlen die af werd geschoten. Na het bouwen van de helling stormden de soldaten naar boven en hakten zich een weg door het fort, terwijl ze de Britten wegdreven naar de bossen. Terwijl de legionairs rustten na het gevecht, dat het grootste gedeelte van de dag had geduurd, begon het Britse weer hun weer parten te spelen. De Romeinse vloot die aan de kust voor anker lag, werd door een sterke storm beschadigd, waardoor Caesaer zijn troepen niet verder kon laten trekken, maar moest laten blijven voor de reparaties.
Cassivellaunus realiseerde zich dat het bijeengeraapte leger op deze manier zo nooit de vijand kon verslaan, dus hij veranderde van tactiek. Hij liet zijn troepen terugtrekken en behield alleen 4.000 strijdwagens om de legioenen te bestoken. Dit was niet bedoeld als een aanval, maar om als vertraging te werken voor het oprukkende leger, zodat de stamleden met hun vee weg konden trekken van de invallers en hun velden verbranden. Dit werkte en resulteerde in een patstelling tussen de twee strijdmachten.
3de
expeditie – de verovering
Rome had tot
nu toe alle politieke en handelsrelaties met het eiland levend gehouden.
Handel bloeide vooral in metalen. De Spaanse zilvermijnen raakten
langzaam uitgeput en Groot-Brittannië had genoeg bronnen. Ondanks de
levendige handel groeide de onvrede en het wantrouwen tegen de Romeinen,
onder andere door de belastingen die de Britten moesten betalen.
Daarnaast zou een invasie de aandacht afleiden van de gespannen
verhouding tussen de senaat en de toenmalige keizer, Claudius, en zou
een overwinning zijn populariteit doen stijgen Het Romeinse rijk
beleefde een periode van vrede en dus was het niet moeilijk om voldoende
soldaten bijeen te brengen.
Het nieuws over de aankomst van de Romeinen bereikte Caratacus, een van de zoons van Cunobelinus, al snel. In plaats van al zijn strijders bijeen te roepen om ten strijde te trekken, wachtte hij en verzamelde zoveel mogelijk soldaten van andere stammen voordat hij het Romeinse leger tegemoet marcheerde. De stammen waren verdeeld over de vreemdelingen, de zuidoostelijke stammen waren voornamelijk anti-Romeins en zouden hun leefgebied zeker verdedigen. Ten noorden van de Thames leefden de stammen die gunstiger gezind waren tegenover de invallers. Dit paste perfect in het Romeinse veroveringsbeleid: verdeel en heers. Op een oever van de rivier de Medway sloeg Caratacus met zijn mannen het kamp op en wachtte op het invasieleger. Het Romeinse leger naderde via een oude prehistorische weg, die nu bekend staat als de Pelgrimsweg. Nadat de oevers van de Medway waren bereikt stelde Plautius zijn troepen op op hoger gelegen grond, zodat ze uitzicht hadden een deel van het tegenwoordige Essex en het Britse leger op de andere oever. De verenigde stammen bleven wachten en vroegen zich verwonderd af hoe hun vijand de rivier over zou steken en de afstand van 500 meter die nog tussen de beide strijdkrachten in lag, zou overbruggen. De Romeinen deden dit met hun gebruikelijke schijnbeweging, ze deden eerst alsof ze een route zouden nemen, maar trokken dan via een andere, onverwachte route op. Het gevecht duurde twee dagen, dat was naar Romeinse begrippen lang, aangezien er twee aparte aanvallen werden gedaan op de Britten. Uiteindelijk werd hij toch door de Romeinen gewonnen. Na dit gevecht trokken de Britten terug naar het punt waar de Tames in de zee uitmondt. Hier waren ze er zeker van dat ze een eventuele vijandelijke oversteek konden tegengaan, aangezien ze goed bekend waren met de rivier en zijn getijden. Deze getijdenwisselingen zorgden voor veranderingen in de stroom van de rivier en het was zeer moeilijk om zonder kennis hiervan de rivier over te steken. De Romeinen deden geen poging een confrontatie met de vijand aan te gaan, maar gebruikten een brug verder stroomopwaarts. Het is waarschijnlijk dat deze brug ter plekke was gemaakt, aangezien het een zeer logische zet van de stammen zou zijn een brug over de Tames te vernietigen. Er zou zeker een brug over de Tames zijn geweest voor de handel. Het is niet helemaal duidelijk waar de Romeinse brug heeft gelegen, mogelijk lag deze bij Brentford of meer in de oostelijke richting, bij Westminster. Na de vertraagde oversteek van de Romeinen ontstond een gevecht, dat door de invallers werd gewonnen. Het Keltische, uitgedunde leger was geen partij tegenover de vier Romeinse legioenen. Caratacus plande vredesonderhandelingen met Rome, zodat hij de tijd had om een nieuwe strategie te bedenken. Hij had veel krijgers verloren en degenen die over waren gebleven hadden een laag moreel. Bovendien was hij nu nog maar de enige leider, want zijn broer Togodumnus was gestorven, mogelijk aan de wonden die hij had gekregen bij het vechten. Maar ondanks deze feiten bleef Caratacus’ vechtlust, hoewel zijn troepen gedemotiveerd waren. De keizers van Rome waren arrogant, en dit bleek nu. Claudius was een tijd geleden vertrokken en had Plautius verboden de hoofdstad, Camulodunium, het huidige Colchester, aan te vallen. Dit moest onder leiding van de keizer zelf gebeuren. Plautius zond Claudius een boodschap dat alleen de aanwezigheid van de keizer de Romeinse legioenen overwinning zou brengen, maar deed dit waarschijnlijk met tegenzin en ergernis. Hij wist dat de vechtstop de Britten in staat zou stellen meer troepen te ronselen en dat Caratacus en zijn familie konden vluchten. Als ze aan zouden vallen, zou Caratacus waarschijnlijk gedood worden. Het zou ongeveer zes weken duren voordat Claudius aankwam, dus Plautius nam zijn tijd om zijn positie in het zuidoosten te versterken. De stammen, verwonderd doordat de Romeinen gestopt waren, gebruikten de tijd om contact te zoeken met de overige leiders van het land. De mening van de andere stammen was verdeeld over de Romeinen. Cartimandua van de Brigantes, een van de machtigste stammen, steunde Rome al. In het westen, in en over de grens van het tegenwoordige Wales, was het heuvelvolk vastbesloten de strijd met de vijand voort te zetten. De druïden van deze stam hadden al een plan opgesteld, ze hadden Angelsey als terugtrekkingsoord. Ze zagen Caratacus als enige leider die de westelijke stammen kon verenigen tegenover de Romeinen en nodigden hem op hun eiland uit. Caratacus en zijn volgelingen namen afscheid van hun medestrijders en trokken westwaarts naar het onbekende en veilige territorium van de druïden.
Door de
officiële verovering van Brittannië kreeg Claudius veel prestige. Er
werden speciale munten gedrukt en twee triomfbogen gemaakt, een in Rome
en een aan de kust bij het Kanaal. Zowel Claudius als zijn zoon kregen
de titel Britannicus en aan Claudius’ echtgenote Messalina werd zelfs
een zetel in de senaat toegekend. Hier had ze niet lang profijt van,
want ze zou spoedig ter dood gebracht worden wegens hoogverraad.
|
||||
![]() |
|||||
|
copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. |
|||||