|








|
De Kelten en de
Vikingen
Rond het
jaar 700 werden grote gedeeltes geteisterd door een Scandinavisch
zeevolk. In het begin voeren deze op kleine schepen, maar naar mate de
botenbouw vorderde, bouwden ze schepen van 16 tot 20 meter. Hun schepen
werden drakkars of snekken genoemd. Het volk zelf heette de Vikingen.
Ook de Keltische landen werden geterroriseerd door hun aanvallen. Het
hele eiland Man werd door de Vikingen ingenomen en als uitvalsbasis naar
alle Britse eilanden gebruikt. De Vikingen waren zeer goede zeemannen
die zich thuis voelden in het ruige klimaat van Brittannië. Rond het
jaar 700 was de bevolking van Scandinavië zo explosief gegroeid, dat het
voor de landbouw niet meer mogelijk was alle mensen te voeden. Veel
jongemannen uit Noorwegen, Zweden en Denemarken, trokken er daarom op
uit om hun geluk ergens anders te beproeven. Vaak landden ze in gebieden
zoals Friesland, Engeland, Frankenland, Duitsland of Pictland,
plunderden daar de dorpen en verdwenen hierna met hun schepen weer terug
de zee op. Latere Vikingen creëerden koloniën over heel Groot-Brittannië
en voerden oorlog met de lokale bevolking. In 793 landden het eerste
Vikingschip op de kust van Northumbria en namen ze het in van de Angelen.
In 802 arriveerden ze in de Hebriden, waar ze Iona platbrandden. De
Britse bevolking, zowel Angelen, Saksen als Kelten, bleek niet
opgewassen tegen de Vikingen en het duurde daarom ook lange tijd, totdat
ze sterk genoeg waren om hen te verslaan. De enige weerstand die geboden
werd, was vanuit Schotland, waar een Vikingvloot van 110 schepen bij de
Firth of Forth aan land kwam. De Vikingen trokken vervolgens
landinwaarts, terwijl de Schotse bevolking hun volgeladen schepen
leegplunderden. Als wraak hierop vielen de Vikingen de Schotten aan,
waarbij er een veldslag ontstond. Bij deze veldslag verpletterden de
Schotten de Vikingen, waarna ze in jaren niet meer terugkwamen.
Het
sterkste wapen van de Vikingen was het verrassingselement. Ze kwamen met
hun schepen uit het niets en verdwenen na de plunderingen hier terug in.
De Vikingschepen waren wendbaar, sterk en opgewassen tegen zware
stormen. Met deze schepen hebben ze zelfs Groenland en Amerika ontdekt.
De grotere exemplaren van deze schepen transporteerden paarden en
vracht. Tijdens de reis had elke soldaat zijn eigen taak op de boot.
Veel van hen waren roeiers die op de kistjes met hun persoonlijke
goederen, zaten bij het roeien. Iedere Viking bond zijn schild aan de
buitenkant van de boot, waardoor hun schilden geen ruimte innamen en
automatisch bescherming boden aan de roeiers. Op land vochten ze over
het algemeen niet in slagorde, maar was het iedere krijger voor zich. De
Vikingen vochten met bijlen, zwaarden en schilden. Ook droegen ze allen
een helm, vaak met vizier. Ze kenden cavalerie en maakten daar
regelmatig gebruik van, al bleven ze over het algemeen in de
kustgebieden, binnen bereik van hun schepen.
Tegenwoordig zijn er nog steeds plaatsen met de naam die hun werd
gegeven. Op de Shetland-eilanden werd tot in de 19de eeuw
Oud-Noors gesproken. In Groot-Brittannië leven, vooral in de streken
rond Yorkshire, afstammelingen van de Vikingen en in Wick (Noord-Schotland)
worden elk jaar met oud en nieuw Vikingschepen ritueel in brand gestoken
als herinnering aan hun bloederige verleden.
|









|