|
|
|
||||
|
|
Gaelic clanstelsel
Door deze ommezwaai veranderde de bevolking van de borders en de laaglanden, waaronder ook oost-Schotland, drastisch en begon zij steeds meer te lijken op die van de rest van middeleeuws Europa. Het nieuwe, feodale stelsel was gebaseerd op het verpachten van land in ruil voor trouw en militaire dienst. De lagere klassen hadden zo niets in te brengen tegen hun leenheer die hun het land verpachtte, omdat ze niet alleen lager op de sociale ladder stonden, maar in praktijk ook vrijwel geen wettelijke status hadden.
Iers stelsel
Koningen
Bevoorrechten Vrije mensen
Bóaire
machtige boer Onvrije mensen
Fuidir
Semivrije man
De
Brehonse wetten, wat van het Oud-Iers brithem, rechter, afgeleid is,
bestonden uit zowel civiel als strafrecht. De meeste straffen werden
opgelegd in geldboetes of het betalen met De functie van hoge koning was eerder een ceremoniële dan een actieve functie. Het feest van Tara was het herhalingsfeest van de kroning van deze koning en vond elk jaar plaats. Deze periode wordt als een keerpunt in het jaar gezien en men mocht niet op het feest verschijnen als men nog een boete had openstaan tegen iemand anders. Onder de ard rí stonden vier of vijf ríg ruirich (enkelvoud: rí ruirech, ook wel 'leider van koningen', ollam uas rígaib, of 'provinciële koning', rí cóicid genoemd). Zij maakten de regels, inden schattingen en maakten allianties met de lagere koningen. Hun macht werd alleen beperkt door het concept van grondbezit. Hierdoor had een provinciekoning wel de macht om wetten over een stuk grond uit te vaardigen, maar niet om de grond of zijn oogst af te nemen. De koningen die over meerdere landen regeerden, de ríg túath, hadden waarschijnlijk een hoofdzakelijk controlerende functie en hadden meerdere túatha als alliantie of vazal. Zij vormden en controleerden de alliantie tussen de verschillende koninkrijkjes, waardoor deze genoodzaakt waren om samen te werken. De rí túath vormde zowel de sociale druk van de rí ruirech als van de túatha om goed te regeren. Het waren met name de grotere túatha, zoals de Uí Néill en de Uí Briuin, die de mogelijkheid hadden een rí túath te leveren. De rí túaithe was de koning van één túath en degene die het meeste invloed had op het dagelijks leven in de túath. Elke túath was een clan met ongeveer 500 tot 1000 leden. Het was de basis politieke eenheid van het Ierse systeem. Tijdens de middeleeuwen werd het stelsel waarschijnlijk vereenvoudigd. Vermoedelijk verviel de functie van de rí túath en ook wordt er vanaf deze tijd geen melding gemaakt van slaven. Vermoedelijk werden de verschillen in de sociale ladder in veel gevallen sterk verkleind. Na de Normandische verovering bleef dit stelsel in gebruik in de landen die het feodale stelsel niet overnamen.
Het bovenstaande schema geeft weer wat vermoedelijk de verschillende posities van de túatha (clans) in de middeleeuwen waren. Het is belangrijk te onthouden dat de hoge koning en de provinciale koning ook hun eigen clan aan te sturen hadden.
Dál Riata Het koninkrijk van Dál Riata en Pictland werden verenigd nadat de Scots van Dál Riata door de Vikingen afgesneden waren van Ierland. Dit verenigde koninkrijk werd Alba of Scotland genoemd. Door de eeuwen heen lijkt het erop dat dit nieuwe koninkrijk ongeveer hetzelfde stelsel hanteerde als in Ierland. Waarschijnlijk was dit in een gemoderniseerde versie. Wat we van dit stelsel weten, is dat het koningschap niet altijd erfelijk was en eerder binnen de clan werd doorgegeven aan de capabelste persoon binnen de directe familie van de chief. Dat was niet alleen om de machtsverhoudingen te behouden, maar ook omdat de familie van de chief de beste educatie genoot.
Feodaal Schotland
MacSorley
N De Schotse kroon begreep het gevaar van deze drie kleine koninkrijkjes die vrijwel zelfstandig handelden in een politiek tussen de Noorse en Schotse koningen. Zowel de Noorse als de Schotse koning claimde het gebied vanwege een afspraak die na de invasie van Magnus de 3de van Noorwegen in 1098 was gemaakt. Elk eiland dat met een roeiboot binnen een aantal slagen bereikbaar was vanaf de Schotse kust, behoorde tot het koninkrijk Schotland, de rest tot de Noorse kroon. In 1263 kwam de Noorse koning Haakon dit recht claimen en eiste dat de ríg túatha van de Ierse zee, MacDonald, MacRuairi en MacDougall, zich aan zijn gezag onderwierpen en niet meer probeerden de gebieden van Man, een andere vazal van Noorwegen, in te nemen. Het leger van Haakon leed een nederlaag bij Largs en was genoodzaakt terug te trekken. Haakon stierf op de Orkney eilanden en in 1266 werden de eilanden in het verdrag van Perth officieel overgedragen aan de Schotse kroon. Het was de Schotse bedoeling om de túatha van de eilanden om te vormen tot feodale lordschappen. In praktijk bleef het oude rechtsstelsel gehandhaafd.
Ierland en de Schotse westkust Hierdoor ontstonden clans met zowel leden in Ierland als in Schotland. Door de constante oorlog tussen de Ierse koninkrijken en Engeland was er militaire steun vanaf de Schotse westkust nodig. Deze kwam al in de 12de eeuw op gang in de vorm van de Galloglach, een elitekrijger die typisch was voor de Westkust van Schotland.
Clans Al is het tegenwoordig niet geheel duidelijk hoe de samenstelling van een middeleeuwse clan in elkaar zat, er kan vanuit worden gegaan dat deze duidelijk georganiseerd was. Wanneer we naar het moderne Schotse systeem van Chief, chieftains, armigers (lords) en clansmen kijken, zijn er tussen dit stelsel en het oude Ierse stelsel grote verschillen De samenleving zelf was verdeeld in lagen. Deze waren niet altijd, zoals in het feodale stelsel, gebaseerd op afkomst. Sommige Ierse koningen werden gekozen en edelen kregen alleen een titel door persoonlijke verdiensten en daden. Dit betekende ook dat mensen gedegradeerd konden worden wanneer ze ongeschikt bleken te zijn voor hun taken.
De ríg in clanverband De belangrijkste rang was chief, indien deze clan als leidend werd verkozen dan werd de chief gelijk aan de rí túaithe. Er waren zowel grote als kleine clans. Binnen de grote clans was er een onderlinge strijd voor de functie van chief. Wanneer een chief stierf werd een nieuwe chief verkozen uit zijn nabije familie. Deze nieuwe chief hoefde niet de zoon van de oude te zijn, maar werd verkozen omdat hij het capabelst was. Ook diende hij geen lichamelijke gebreken te hebben.
De airig, heren, in clanverband De mensen ontvingen vee en / of land van de aire en een deel van de winst gaven ze aan hem terug. Een vrij persoon kon kiezen samen te werken met meerdere heren. Het was echter wel noodzakelijk om een belangrijkste heer te verkiezen, aangezien er anders spraken van belangenverstrengeling was.
De filid in clanverband Meestal werd een tak van wetenschap van vader op zoon doorgegeven. Mogelijk dienden de wetenschappers ook als leraren. De informatie werd vaak doorverteld en niet op papier gezet. Waarschijnlijk gebeurde dit bij alle beroepen en ook in krijgskundig opzicht zoals bij de galloglass.
De lagere en middenklassen Onder deze vrije boeren (bóairig, enkelvoud bóaire, letterlijk koeienheren) stond de laagste klasse van de samenleving. Deze werd gevormd door knechten met niet genoeg vermogen om zelfstandig te werken, degenen die zich uithuurden voor het bewaken (en roven) van vee en andere dergelijke ‘kleine’ beroepen. Deze laagste klasse was in wezen afhankelijk van de bóairig. Het was voor de lagere klassen in de maatschappij mogelijk om op te klimmen in de sociale ladder. Doordat iedereen in clanverbanden leefde, was het ook niet zo dat de lageren een minderwaardig leven hadden. Ze maakten nog altijd deel uit van de clan, waardoor ze werden beschermd door de sociale controle.
Krijgers binnen de clans
Ierse krijgers
Oorlogen waren kleinschalig en vooral gericht op guerrillatactieken. De adel vocht te paard, gewapend met zwaard, speer en schild. Het is bekend dat in tijd van oorlog elke clan van de túath een troepenverzameling op een traditionele plaats. Vanaf het eind van de 10de eeuw werd er onder Brian Boru geëxperimenteerd met een blijvende militaire macht, dit bood Brian de mogelijkheid om de absolute rí ruirech te zijn, zonder door de ríg onder hem bedreigd te worden. Deze troepenmacht was nodig vanwege het grote aantal túatha in één provincie. In de 11de eeuw vermeldt Giraldus Cambrensis over de Ieren: “ze houden de bijl met één hand vast, de duim gestrekt langs de schacht om de slag te sturen waartegen noch de puntige helm het hoofd kan beschermen, noch de maliënkolder de rest van het lichaam; waardoor het voorkomt dat tegenwoordig de gehele dij van de soldaat, hoewel zeer goed met maliën bedekt, door één slag van de bijl wordt afgehakt, de dij en het been aan de ene zijde van het paard vallend en het stervende lichaam aan de ander.”
De bekendste van de Ierse troepen, die overig ook veelvuldig in Schotland voorkwam, is de kern. Het word kern is de Engelse vertaling voor ceithern (uitgesproken: kethjern, met een stomme ‘uh’ als tweede klinker) dat zoiets als kleine groep krijgers betekent. Deze krijgers dienden zowel in grotere legers als op zichzelf. Hun hoofddoel was wederom gebaseerd op het stelen van vee. Ze vochten met slingers, bijlen en speren en maakten deel uit van de laagste klassen in de samenleving. In latere periodes werden de kerns meestal geleid door een galloglass en hadden ze als doel om hem met werppijlen te ondersteunen. Een andere typisch Ierse krijger was de hobilar, van de Ierse Hobby, een paardensoort. De hobby was niet in staat om zware lasten te dragen, maar hij kon wel de onbepantserde Ier dragen, die het dier wist te besturen zonder zadel of stijgbeugels. De hobilars vochten met een mes, zwaard en een korte speer. Ze waren uitstekende verkenners en hadden zo hun eigen plaats in de Ierse guerrillaoorlogvoering. Engelse legers huurden ze en ook in de Schotse legers komen hobilars voor. Mogelijk werd de hobilar net als de kern zowel in Ierland als in Schotland gebruikt.
Krijgers van de Hooglanden Het blijft een open vraag wie de militaire middenklassen in de Hooglanden vormden. We weten dat er gebruik werd gemaakt van lichte ruiterij en mogelijk waren dit krijgers zoals hobilars.
Krijgers van de Ierse Zee Door de invloed van de Scandinavische cultuur, zo’n 400 jaar dominant in het gebied aanwezig, ontstond de behoefte aan zware infanterie. Uit de hogere en middenklasse ontstond daarom de Noors-Keltische galloglass. De galloglass was een zware infanterist, gewapend met speer, bijl en zwaard. In tegenstelling tot andere Keltische krijgers was hij bepantserd met wambuis en maliënkolder. Hij droeg een helm, in vroege perioden waarschijnlijk een neus- of spangenhelm en later een vizierloze bascinet. Zowel de hoge als de middenklasse lijkt, wanneer we grafstenen en geschreven vermeldingen bekijken, ongeveer in deze stijl te hebben gevochten. Omdat de Schotse westkust een eilandcultuur had, werd er ze veel gebruik gemaakt van verschillende soorten galeien, waarvan een aantal geschikt waren voor de oorlog. Slechts enkele officiers gebruikten paarden, vermoedelijk om snel langs de linies te kunnen rijden. Er zijn in deze cultuur geen hobilars bekend.
Vergelijkingen Het is opmerkelijk dat er aan de Schotse westkust wel kerns leefden, maar geen hobilars, mogelijk heeft dit te maken met de eilandcultuur en waren paarden minder effectief als verkenner dan aan het vasteland. Hoewel er vermeldingen over Schotse hobilars zijn, lijkt het erop dat deze uit de Schotse Hooglanden kwamen, mogelijk met typisch Schotse paarden. Belangrijk is te onthouden dat alles met betrekking tot Schotse hobilars gebaseerd op speculaties is, al weten we dat verschillende hooglandclans bekend staan om het fokken van paarden en kan er ook worden verwezen naar het regiment van de Border horses, die koning David de 2de als beroepsregiment de grens tussen Schotland en Engeland liet bewaken.
We weten dat de galloglass zijn oorsprong in de Vikingcultuur had. Onbeantwoord blijft echter wat voor soort krijgers er in Dál Riata woonden voor de komst van de Vikingen.
Conclusie De opvallende structuur van het systeem van clans en van krijgers, wijst uit dat de Ierse en Schotse krijgers niet zomaar een bende wilde vechters waren, maar precies wisten wat hun sterktes en zwaktes waren. In veel opzichten waren deze krijgers tactischer dan hun feodale buren en was het cultureel bepaald waar iemand zou gaan staan in het leger. Het clanstelsel gaf meer vrijheid aan de bevolking en openheid en gastvrijheid waren binnen de clan belangrijk. Opvallend is dat het hierin beschreven clansysteem sterk afwijkt van het systeem dat in modern Schotland bestaat. Dit komt waarschijnlijk omdat de structuur steeds meer werd vereenvoudigd en richting het feodale stelsel groeide, al is dit niet met zekerheid te zeggen, omdat een groot deel van het clansysteem is vernietigd bij de Highland Clearances. Type onderzoek: Secundair literair en archeologisch bronnenonderzoek & literair onderzoek Auteur: P Gilbers & J. S. J. Schoen in opdracht van Stichting Celtic Britain Jaar van publicatie: 2012 Zie ook: ud-Iers rechtBronnen: - F. Kelly, A guide to Early Irish law, Dublin 2009 - L. Laing, The archeology of Celtic Britain and ireland C. AD 400-1200, Cambridge 2005 - Dáibhí ó Cróinín, Longman History of Ireland 1995 - F. Kelly, Early Irish Farming, Dublin 2000
|
|
|||
|
Gesponsord door Celtic Webmerchant:
|
|||||
|
copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
|||||