Gaelic clanstelsel

Er is een groot verschil in het sociale stelsel van het gebied rond de Ierse Zee en de rest van Schotland. Vanaf Malcolm de 3de van Schotland (1058-1093) werd in de Schotse laaglanden het feodale stelsel langzamerhand geïntroduceerd, dat met de Normandische verovering van Engeland in Groot-Brittannië kwam. Normandische families kwamen naar Schotland en vestigden zich daar. Frans werd de taal van de elite en de oorspronkelijke, Gaelic aristocratie, die vaak nog afstamde van de edelen uit het koninkrijk van Dál Riata, werd gedegradeerd tot een tweederangs klasse. Dit was de grondreden voor de vele conflicten tussen het koninkrijk van Schotland en de rest van de Keltische wereld.

Door deze ommezwaai veranderde de bevolking van de borders en de laaglanden, waaronder ook oost-Schotland, drastisch en begon zij steeds meer te lijken op die van de rest van middeleeuws Europa. Het nieuwe, feodale stelsel was gebaseerd op het verpachten van land in ruil voor trouw en militaire dienst. De lagere klassen hadden zo niets in te brengen tegen hun leenheer die hun het land verpachtte, omdat ze niet alleen lager op de sociale ladder stonden, maar in praktijk ook vrijwel geen wettelijke status hadden.

Iers stelsel
De stelsels die door de Keltische landen van Groot-Brittannië en Ierland werden gehanteerd waren totaal anders en stamden mogelijk al uit de La Tène periode. Het best beschreven stelsel is dat van Ierland. Hier werd deze vorm van verdeling in vele wetten vastgelegd.

Koningen
Ard rí na hÉireann    Hoge koning van Ierland
Rí ruirech                   Provinciale koning
Rí túath                      Koning over meerdere koninkrijken
Rí túaithe                   Koning over één koninkrijk

Bevoorrechten
Aire forgill              heer met een doorslaggevende getuigenis tijdens rechtzaken. 
Aire tuíseo               heer waar veel belang aan werd gehecht
Aire ard                   hoge heer
Aire déso                 Vazallenheer

Vrije mensen

Bóaire                      machtige boer
Ócaire                      kleine boer
Fer midboth            middelgrote huttenbezitter

Onvrije mensen

Fuidir                         Semivrije man
Bothach                     Keuterboer
Senchléithe               Erfelijke dienaar
Mug                          Mannelijke slaaf

 De Brehonse wetten, wat van het Oud-Iers brithem, rechter, afgeleid is, bestonden uit zowel civiel als strafrecht. De meeste straffen werden opgelegd in geldboetes of het betalen met bezittingen. De opgelegde straf moest door de familie en de dader samen worden betaald, hierdoor werden de families gedwongen ook zelf misdaden van andere familieleden te voorkomen. Het Oud-Iers recht is het oudst bekende rechtssysteem van Europa en maakte door de eeuwen heen veel aanpassingen mee. De belangrijkste omschakeling vond plaats bij de introductie van het Christendom in Ierland in de 5de eeuw. Vaak werd er rond deze tijd tussen de wetten en de kerk een vorm van compromis gesloten. De positie van de vrouw verslechterde hierdoor erg.

De functie van hoge koning was eerder een ceremoniële dan een actieve functie. Het feest van Tara was het herhalingsfeest van de kroning van deze koning en vond elk jaar plaats. Deze periode wordt als een keerpunt in het jaar gezien en men mocht niet op het feest verschijnen als men nog een boete had openstaan tegen iemand anders.

Onder de ard rí stonden vier of vijf ríg ruirich (enkelvoud: rí ruirech, ook wel 'leider van koningen', ollam uas rígaib, of 'provinciële koning', rí cóicid genoemd). Zij maakten de regels, inden schattingen en maakten allianties met de lagere koningen. Hun macht werd alleen beperkt door het concept van grondbezit. Hierdoor had een provinciekoning wel de macht om wetten over een stuk grond uit te vaardigen, maar niet om de grond of zijn oogst af te nemen.

De koningen die over meerdere landen regeerden, de ríg túath, hadden waarschijnlijk een hoofdzakelijk controlerende functie en hadden meerdere túatha als alliantie of vazal. Zij vormden en controleerden de alliantie tussen de verschillende koninkrijkjes, waardoor deze genoodzaakt waren om samen te werken. De rí túath vormde zowel de sociale druk van de rí ruirech als van de túatha om goed te regeren. Het waren met name de grotere túatha, zoals de Uí Néill en de Uí Briuin, die de mogelijkheid hadden een rí túath te leveren.

De rí túaithe was de koning van één túath en degene die het meeste invloed had op het dagelijks leven in de túath. Elke túath was een clan met ongeveer 500 tot 1000 leden. Het was de basis politieke eenheid van het Ierse systeem.

Tijdens de middeleeuwen werd het stelsel waarschijnlijk vereenvoudigd. Vermoedelijk verviel de functie van de rí túath en ook wordt er vanaf deze tijd geen melding gemaakt van slaven. Vermoedelijk werden de verschillen in de sociale ladder in veel gevallen sterk verkleind. Na de Normandische verovering bleef dit stelsel in gebruik in de landen die het feodale stelsel niet overnamen. 

Het bovenstaande schema geeft weer wat vermoedelijk de verschillende posities van de túatha (clans) in de middeleeuwen waren. Het is belangrijk te onthouden dat de hoge koning en de provinciale koning ook hun eigen clan aan te sturen hadden.

Dál Riata
Dit stelsel bestond niet alleen in Ierland, een vergelijkbaar stelsel werd in Wales gehanteerd, daar werden de koningen echter prinsen genoemd. Ook in de Ierse kolonie van Dál Riata werd op deze manier geregeerd. Dál Riata was onderverdeeld in de delen Cenél Loairn, Cenél nOengusa en Cenél nGabráin, die verschillende túatha omvatten met elk een eigen rí túaithe. Deze túatha vielen onder de rí túath van Dál Riata in Ierland.

Het koninkrijk van Dál Riata en Pictland werden verenigd nadat de Scots van Dál Riata door de Vikingen afgesneden waren van Ierland. Dit verenigde koninkrijk werd Alba of Scotland genoemd. Door de eeuwen heen lijkt het erop dat dit nieuwe koninkrijk ongeveer hetzelfde stelsel hanteerde als in Ierland. Waarschijnlijk was dit in een gemoderniseerde versie. Wat we van dit stelsel weten, is dat het koningschap niet altijd erfelijk was en eerder binnen de clan werd doorgegeven aan de capabelste persoon binnen de directe familie van de chief. Dat was niet alleen om de machtsverhoudingen te behouden, maar ook omdat de familie van de chief de beste educatie genoot.

Feodaal Schotland
De Schotse koningen vanaf Malcolm de 3de voelden zich steeds meer aangetrokken tot het Normandische feodale stelsel. De rí túaithe werden gedegradeerd door een soort earls, er werden Normandische families geïmporteerd en die kregen de voorkeur als nieuwe aristocratie. In een Keltische samenleving waarbij traditie en afkomst centraal staan, was dit de voedingsbodem voor hondeden jaren oorlog en vervreemding.

MacSorley
Één van de gebieden waar het oude stelsel grotendeels intact bleef was de Schotse westkust. Tussen ongeveer 1150 en 1164 regeerde de formidabele leider Somerled over dit gebied. Hij werd gezien als een machtige rí túath met veel clans onder zich. Wanneer we van deze verdeling uitgaan, wordt het leven van Somerled een stuk duidelijker.

Na zijn dood werd zijn gebied in drie stukken onder zijn zoons verdeeld. De grote fout die zijn zoons maakten was om geen rí ruirech aan te wijzen die de leiding zou hebben over de provincie van de Schotse westkust. Hierdoor ontstonden er in principe drie kleinere ríg túath met eigen clans onder zich.

De Schotse kroon begreep het gevaar van deze drie kleine koninkrijkjes die vrijwel zelfstandig handelden in een politiek tussen de Noorse en Schotse koningen. Zowel de Noorse als de Schotse koning claimde het gebied vanwege een afspraak die na de invasie van Magnus de 3de van Noorwegen in 1098 was gemaakt. Elk eiland dat met een roeiboot binnen een aantal slagen bereikbaar was vanaf de Schotse kust, behoorde tot het koninkrijk Schotland, de rest tot de Noorse kroon.

In 1263 kwam de Noorse koning Haakon dit recht claimen en eiste dat de ríg túatha van de Ierse zee, MacDonald, MacRuairi en MacDougall, zich aan zijn gezag onderwierpen en niet meer probeerden de gebieden van Man, een andere vazal van Noorwegen, in te nemen. Het leger van Haakon leed een nederlaag bij Largs en was genoodzaakt terug te trekken. Haakon stierf op de Orkney eilanden en in 1266 werden de eilanden in het verdrag van Perth officieel overgedragen aan de Schotse kroon. Het was de Schotse bedoeling om de túatha van de eilanden om te vormen tot feodale lordschappen. In praktijk bleef het oude rechtsstelsel gehandhaafd.

Ierland en de Schotse westkust
Wat in dit stuk van de geschiedenis duidelijk naar voren komt, is dat deze koninkrijken koste wat kost vasthielden aan het oude machtsysteem, waardoor het clanstelsel tot in 1746 kon blijven voortbestaan. Dit stelsel werd wel regelmatig gemoderniseerd, maar bleef typerend voor Schotland en Ierland. Uit de gelijkenissen tussen Ierland en de westkust van Schotland, ondersteund door de gedeelde afkomst en het belang in de Ierse zee, is het ook geen wonder dat beide gebieden nauw met elkaar samenwerkten.

Hierdoor ontstonden clans met zowel leden in Ierland als in Schotland. Door de constante oorlog tussen de Ierse koninkrijken en Engeland was er militaire steun vanaf de Schotse westkust nodig. Deze kwam al in de 12de eeuw op gang in de vorm van de Galloglach, een elitekrijger die typisch was voor de Westkust van Schotland.

Clans
Met deze machtsverdeling in het achterhoofd kunnen we een beter inzicht krijgen in de maatschappij van de Hebriden. De clans die onder MacDougall, MacRuairi en MacDonald vielen, leefden van de zee en onderhielden contact met elkaar contacten per boot.  Duidelijk is dat de hoofdclans rijker en machtiger waren. In tijd van oorlog riepen zij hun clans te wapen en traditioneel gezien beantwoordden de clans. Er zijn in de tijden rond het eind van het lordschap van de eilanden vermeldingen van clans die in opstand kwamen. Vaak werden deze opstanden al snel de mond gesnoerd met alle gevolgen voor de clan, ze werden van hun land gezet en verloren alles.

Al is het tegenwoordig niet geheel duidelijk hoe de samenstelling van een middeleeuwse clan in elkaar zat, er kan vanuit worden gegaan dat deze duidelijk georganiseerd was. Wanneer we naar het moderne Schotse systeem van Chief, chieftains, armigers (lords) en clansmen kijken, zijn er tussen dit stelsel en het oude Ierse stelsel grote verschillen

De samenleving zelf was verdeeld in lagen. Deze waren niet altijd, zoals in het feodale stelsel, gebaseerd op afkomst. Sommige Ierse koningen werden gekozen en edelen kregen alleen een titel door persoonlijke verdiensten en daden. Dit betekende ook dat mensen gedegradeerd konden worden wanneer ze ongeschikt bleken te zijn voor hun taken.

De ríg in clanverband
Wanneer we het Oud-Ierse sociale stelsel vertalen naar clanverbanden, komt de werkelijke complexiteit van het Ierse stelsel naar voren. Iedereen was lid van een clan. Lid van een clan zijn betekende niet dat je met alle leden van een clan bloedverwant was, maar dat je familie aangesloten was bij de aanhangers van bijvoorbeeld Somerled. Hierdoor kon er onderscheid worden gemaakt tussen de daadwerkelijke afstammelingen van de clanleider en de andere clanleden, waardoor je rangen in de clan kreeg.

De belangrijkste rang was chief, indien deze clan als leidend werd verkozen dan werd de chief gelijk aan de rí túaithe. Er waren zowel grote als kleine clans. Binnen de grote clans was er een onderlinge strijd voor de functie van chief.

Wanneer een chief stierf werd een nieuwe chief verkozen uit zijn nabije familie. Deze nieuwe chief hoefde niet de zoon van de oude te zijn, maar werd verkozen omdat hij het capabelst was. Ook diende hij geen lichamelijke gebreken te hebben.

De airig, heren, in clanverband
In het clanstelsel werd het systeem van de heren of airig vereenvoudigd; de chieftains en de naaste familieleden van de chief namen de positie van aire in en kregen een aantal vrije en onvrije mensen of een familietak onder zich. Vermoedelijk werd een aire in tijd van oorlog de leider van een contingent van de clan.

De mensen ontvingen vee en / of land van de aire en een deel van de winst gaven ze aan hem terug. Een vrij persoon kon kiezen samen te werken met meerdere heren. Het was echter wel noodzakelijk om een belangrijkste heer te verkiezen, aangezien er anders spraken van belangenverstrengeling was.

De filid in clanverband
De clan had ook zijn wetenschappers, deze wetenschappers boden hun diensten aan de clan aan. De wetenschappers werden in Schotland en Ierland filid genoemd. De filid werden ook buiten de clan gerespecteerd. Onder de filid vielen de barden, brithem (rechters) doktoren, verhalenvertellers en geschiedkundigen. Deze klasse had als doel om de clan wetenschappelijk bij te staan en het cultureel erfgoed te bewaken. Voor hun diensten werden ze rijkelijk beloond met land, paarden en vee.

Meestal werd een tak van wetenschap van vader op zoon doorgegeven. Mogelijk dienden de wetenschappers ook als leraren. De informatie werd vaak doorverteld en niet op papier gezet. Waarschijnlijk gebeurde dit bij alle beroepen en ook in krijgskundig opzicht zoals bij de galloglass.

De lagere en middenklassen
Vermoedelijk waren de klassen onder de heren eveneens veel minder gedetailleerd ingedeeld dan in het Ierse stelsel. De gewone clanleden kregen land van hun heer, dat ze bebouwden en bewerkten. Mogelijk gaven ze hem ook een deel van de winst.

Onder deze vrije boeren (bóairig, enkelvoud bóaire, letterlijk koeienheren) stond de laagste klasse van de samenleving. Deze werd gevormd door knechten met niet genoeg vermogen om zelfstandig te werken, degenen die zich uithuurden voor het bewaken (en roven) van vee en andere dergelijke ‘kleine’ beroepen. Deze laagste klasse was in wezen afhankelijk van de bóairig.

Het was voor de lagere klassen in de maatschappij mogelijk om op te klimmen in de sociale ladder. Doordat iedereen in clanverbanden leefde, was het ook niet zo dat de lageren een minderwaardig leven hadden. Ze maakten nog altijd deel uit van de clan, waardoor ze werden beschermd door de sociale controle.

Krijgers binnen de clans
Binnen de clan was de functie van deman niet alleen op gebied van beroep vastgesteld, ook de militaire rang werd van tevoren bepaald. De heren waren vermoedelijk de officieren in het leger van de clan. Heren die lichamelijk minder goed in staat waren dienst te doen, kregen ook een minder belangrijke militaire functie.  Mogelijk werd er onbewust vanuit de samenleving grote druk op mannen gezet om militaire functies uit te voeren en mannen werden vanaf jongs af aan geleerd met wapens om te gaan. De bekendste Gaelic krijgers zijn de hobilars, lichte cavaleristen, kerns, lichte infanteristen,en galloglass, zware infanteristen. Niet al deze typen waren in elk gebied vertegenwoordigd en belangrijk is om te onthouden dat deze benamingen mogelijk verzamelnamen zijn voor verschillende soorten krijgers. Het is daarom ook belangrijk om naast de uitrusting van een krijger naar zijn sociale positie te kijken.

Ierse krijgers
De afkomst, macht en status binnen een clan was al vanaf de geboorte vastgesteld. Al kon iemand in de maatschappelijke ladder stijgen of dalen, zijn afkomst gaf aan wat hij had geleerd en wat zijn erfelijke rechten waren.

Op militair vlak is het lastig om een indicatie te geven van een verdeling. We weten dat de Ieren niet zoiets als een militaire klasse kenden, wel kenden ze het beroep van huurling of koninklijk lijfwacht, de amus (meervoud: amuis). Door het ontbreken van een grootschaligere militaire klasse huurden de Ierse koningen massaal Schotse huursoldaten van de Hebriden in. Voor de invasie van de Vikingen lijkt het erop dat de Ierse oorlogvoering voornamelijk richtte op het stelen van vee bij vijandige clans. De economie draaide op vee en dus was vee een machtssymbool, de prijs die men voor een misdaad tegenover een persoon moest betalen was ook uitgedrukt in stuks vee. Vermoedelijk kwam het rituele tweegevecht ook in deze oorlogen voor, net als in de La Tèneperiode het geval was. Bij deze tweegevechten werd een kampioen uit beide legers gekozen die met elkaar streden aan het begin van een veldslag.

Oorlogen waren kleinschalig en vooral gericht op guerrillatactieken. De adel vocht te paard, gewapend met zwaard, speer en schild. Het is bekend dat in tijd van oorlog elke clan van de túath een troepenverzameling op een traditionele plaats. Vanaf het eind van de 10de eeuw werd er onder Brian Boru geëxperimenteerd met een blijvende militaire macht, dit bood Brian de mogelijkheid om de absolute rí ruirech te zijn, zonder door de ríg onder hem bedreigd te worden. Deze troepenmacht was nodig vanwege het grote aantal túatha in één provincie.

In de 11de eeuw vermeldt Giraldus Cambrensis over de Ieren: “ze houden de bijl met één hand vast, de duim gestrekt langs de schacht om de slag te sturen waartegen noch de puntige helm het hoofd kan beschermen, noch de maliënkolder de rest van het lichaam; waardoor het voorkomt dat tegenwoordig de gehele dij van de soldaat, hoewel zeer goed met maliën bedekt, door één slag van de bijl wordt afgehakt, de dij en het been aan de ene zijde van het paard vallend en het stervende lichaam aan de ander.”

Hij vertelt ook dat een Ier altijd een bijl bij zich heeft, alsof het een staf is. Waar hij ook gaat, hij draagt hem bij zich. Wanneer een gevecht ontstaat, hoeft de bijl niet te worden gescherpt als een zwaard, of gespannen te worden als een boog, of vergiftigd te worden als een speer. Hij is altijd klaar om een gruwelijke slag uit te delen. De Ier staat altijd klaar om een dodelijke slag uit te delen. Vermoedelijk waren de bijl en de speer de meest gebruikte wapens in de Ierse samenleving. Naast het schild droegen de Ieren weinig bepantsering en vertrouwden ze op snelheid en tactiek. Op het open veld waren ze geen partij tegen de Normandische ridders, die zwaar bepantserd en bewapend op hun inreden. In de bossen waren ze echter superieur, omdat daar de vijand niet weg kon komen en belaagd werd met stenen en werpsperen.

De bekendste van de Ierse troepen, die overig ook veelvuldig in Schotland voorkwam, is de kern. Het word kern is de Engelse vertaling voor ceithern (uitgesproken: kethjern, met een stomme ‘uh’ als tweede klinker) dat zoiets als kleine groep krijgers betekent. Deze krijgers dienden zowel in grotere legers als op zichzelf. Hun hoofddoel was wederom gebaseerd op het stelen van vee. Ze vochten met slingers, bijlen en speren en maakten deel uit van de laagste klassen in de samenleving. In latere periodes werden de kerns meestal geleid door een galloglass en hadden ze als doel om hem met werppijlen te ondersteunen.

Een andere typisch Ierse krijger was de hobilar, van de Ierse Hobby, een paardensoort. De hobby was niet in staat om zware lasten te dragen, maar hij kon wel de onbepantserde Ier dragen, die het dier wist te besturen zonder zadel of stijgbeugels. De hobilars vochten met een mes, zwaard en een korte speer. Ze waren uitstekende verkenners en hadden zo hun eigen plaats in de Ierse guerrillaoorlogvoering. Engelse legers huurden ze en ook in de Schotse legers komen hobilars voor. Mogelijk werd de hobilar net als de kern zowel in Ierland als in Schotland gebruikt.

Krijgers van de Hooglanden
Er is weinig bekend van middeleeuwse Hooglanders. We weten dat in een groot deel van de Hooglanden het feodale systeem werd gehanteerd, maar dat hier lokaal van afgeweken kon worden. Er bestond een duidelijk clanstelsel dat door de Ieren naar Dál Riata in Schotland was overgebracht. Hier vanuit gaand kan worden verwacht, dat de Hooglanders een vergelijkbaar militair stelsel hadden als dat in Ierland en aan de Schotse westkust. De economie draaide net als aan de westkust en in Ierland op vee. De lagere klassen in de maatschappij (kerns) hadden ongetwijfeld de taak om de veestapel te beschermen en bij de buren te stelen. Het stelen van vee werd pas in de 18de eeuw bij de Act of the Union verboden. De hogere klassen van de samenleving zullen waarschijnlijk geprobeerd hebben het feodale stelsel te introduceren.

Het blijft een open vraag wie de militaire middenklassen in de Hooglanden vormden. We weten dat er gebruik werd gemaakt van lichte ruiterij en mogelijk waren dit krijgers zoals hobilars.

Krijgers van de Ierse Zee
De militaire verdeling in het Ierse Zeegebied verschilde van dat van Ierland en de Hooglanden. De kern was daar tot in de 16de eeuw en mogelijk tot in de Jacobite-opstanden – in de vorm van veerovers – een veelvoorkomende krijger.

Door de invloed van de Scandinavische cultuur, zo’n 400 jaar dominant in het gebied aanwezig, ontstond de behoefte aan zware infanterie. Uit de hogere en middenklasse ontstond daarom de Noors-Keltische galloglass. De galloglass was een zware infanterist, gewapend met speer, bijl en zwaard. In tegenstelling tot andere Keltische krijgers was hij bepantserd met wambuis en maliënkolder. Hij droeg een helm, in vroege perioden waarschijnlijk een neus- of spangenhelm en later een vizierloze bascinet. Zowel de hoge als de middenklasse lijkt, wanneer we grafstenen en geschreven vermeldingen bekijken, ongeveer in deze stijl te hebben gevochten.

Omdat de Schotse westkust een eilandcultuur had, werd er ze veel gebruik gemaakt van verschillende soorten galeien, waarvan een aantal geschikt waren voor de oorlog. Slechts enkele officiers gebruikten paarden, vermoedelijk om snel langs de linies te kunnen rijden. Er zijn in deze cultuur geen hobilars bekend.

Vergelijkingen
Het is mogelijk bij de Ierse krijgers verschillende krijgsklassen te onderscheiden. De Ierse edelen en heren vochten naar verwachting op eenzelfde manier als de hobilar. Vermoedelijk had niet elke hobilar een vooraanstaande positie in de maatschappij, maar was hij een vrije boer die in staat was een goed paard te veroorloven. De hobilars vormden waarschijnlijk niet de onderste laag van de Ierse bevolking. Wanneer ze dus in de middenklasse worden gerekend, vult dit het gat dat tussen de kern (laag) en adel (hoog) bestond. Aan de Schotse westkust werd dit gat gevuld door de galloglass, die in middeleeuws Ierland wel aanwezig was, maar niet een dusdanig belangrijke rol in de samenleving van de túath speelde.

Het is opmerkelijk dat er aan de Schotse westkust wel kerns leefden, maar geen hobilars, mogelijk heeft dit te maken met de eilandcultuur en waren paarden minder effectief als verkenner dan aan het vasteland. Hoewel er vermeldingen over Schotse hobilars zijn, lijkt het erop dat deze uit de Schotse Hooglanden kwamen, mogelijk met typisch Schotse paarden. Belangrijk is te onthouden dat alles met betrekking tot Schotse hobilars gebaseerd op speculaties is, al weten we dat verschillende hooglandclans bekend staan om het fokken van paarden en kan er ook worden verwezen naar het regiment van de Border horses, die koning David de 2de als beroepsregiment de grens tussen Schotland en Engeland liet bewaken.

Een interessante vergelijking is die tussen de galloglass van de Schotse westkust en de Ierse hobilar. Beide werden zeer vaak door andere landen gehuurd, in het geval van de galloglass was dat vooral door Ierland en Engeland, in het geval van de hobilar was dat voornamelijk door Schotland en Engeland. Al was de bepantsering niet zo zwaar als feodale bepantsering, hun uitrusting konden lage klassen in de maatschappij zich niet veroorloven. Tijdens de hoge middeleeuwen vormde zowel de hobilars in Ierland als de Galloglass in west Schotland de middenklasse in de maatschappij. De hogere klassen hadden in beide gevallen een vergelijkbare wapenrusting als deze middenklasse. Waarschijnlijk was deze uitrusting luxer en beter, maar het verschil was relatief klein. Rond de 16de eeuw kon zowel de hobilar als de galloglass professioneel huursoldaat zijn, maar vóór die tijd had hij vaak zijn eigen boerderij of ambacht.

We weten dat de galloglass zijn oorsprong in de Vikingcultuur had. Onbeantwoord blijft echter wat voor soort krijgers er in Dál Riata woonden voor de komst van de Vikingen.

Conclusie
Opvallend is dat de krijgsposities slechts in grove lijnen vastlagen, terwijl een sociale positie in detail vastgelegd werd. De krijgsklassen stonden in relatie tot de sociale klassen en wijken sterk af van feodale strijders. Onvrije mensen waren kerns, vrije waren hobilar of galloglass en de aristocratie was vaak vergelijkbaar met de personen uit de middenklasse.

De opvallende structuur van het systeem van clans en van krijgers, wijst uit dat de Ierse en Schotse krijgers niet zomaar een bende wilde vechters waren, maar precies wisten wat hun sterktes en zwaktes waren. In veel opzichten waren deze krijgers tactischer dan hun feodale buren en was het cultureel bepaald waar iemand zou gaan staan in het leger.

Het clanstelsel gaf meer vrijheid aan de bevolking en openheid en gastvrijheid waren binnen de clan belangrijk. Opvallend is dat het hierin beschreven clansysteem sterk afwijkt van het systeem dat in modern Schotland bestaat. Dit komt waarschijnlijk omdat de structuur steeds meer werd vereenvoudigd en richting het feodale stelsel groeide, al is dit niet met zekerheid te zeggen, omdat een groot deel van het clansysteem is vernietigd bij de Highland Clearances.

Type onderzoek: Secundair literair en archeologisch bronnenonderzoek & literair onderzoek
Auteur: P Gilbers
& J. S. J. Schoen in opdracht van Stichting Celtic Britain
Jaar van publicatie: 2012

Zie ook:

Somerled

Oud-Iers recht

Finlaggan

Bronnen:
- F. Kelly, A guide to Early Irish law, Dublin 2009
- L. Laing, The archeology of Celtic Britain and ireland C. AD 400-1200, Cambridge 2005
- Dáibhí ó Cróinín, Longman History of Ireland 1995
- F. Kelly, Early Irish Farming, Dublin 2000

 

 

 

Gesponsord door Celtic Webmerchant:

          
Keltisch kookstel € 109,90                       Keltisch sieraad € 12,50            Keltische helm € 295,-
 

copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact