Ierse kloosters

Het Keltische christendom
De Keltische kerk had een eigen identiteit en karakter dat afweek van de rest van Europa. Het christendom kwam al in de 5de eeuw naar Ierland en al relatief snel bekeerde Ierland zich tot het christendom. De verschillen tussen het christendom in de Keltische wereld en de rest van Europa werden door geestelijken als Wilfried van York en ST Beda gebruikt om de inferioriteit van de Keltische landen en hun christendom te propageren. Tegenwoordig wordt vaak gedacht dat het Keltische christendom veel van de leer van de druïden over had genomen en meer gericht was op de natuur. We weten dat het christendom dat in de rest van Europa werd beleefd meer gericht was op verstedelijking, maar er is geen bewijs dat het Keltische christendom zich richtte op de leer van de druïde noch de natuur. In feite was het Keltische christendom ook niet Keltisch, maar was het sterk beïnvloed door de Keltische cultuur. In de 6de en 7de eeuw vestigden monniken uit Ierland zich overal in Europa waaronder Lindisfarne in Noord-Engeland en Sankt Gallen in Zwitserland. Toch werd het Keltische christendom in de synode van Withby in de 7de eeuw als inferieur bestempeld en was ze op de lange termijn gedoemd grotendeels te worden opgeslokt door het christendom van Rome.

Kloostergemeenschappen
In schel contrast tegenover het christendom van Rome bestond het Keltische christendom hoofdzakelijk uit kloostergemeenschappen die zowel afgezonderd als kluizenaars konden leven of een centrale positie in de samenleving konden vervullen. In de eerste plaats waren deze kloostergemeenschappen noodzakelijk voor het christendom omdat de Keltische wereld geen verstedelijking kende. Het klooster kon zo de administratieve functie vervullen die normaliter in de grote stad werd vervuld. Vanaf de 6de eeuw vervulden dergelijke kloosters steeds meer een rol in de politiek en economie van Ierland en later Schotland. Daarnaast waren de kloosters plaatsen waar wetenschap, geschiedschrijving, mythologie en kunst tot hun recht kwamen. Vrijwel alle hoogwaardige kunstvoorwerpen uit het oude Ierland zijn in een klooster gemaakt. De kloosters werden geleid door een abd en in sommige gevallen een bisschop. Vanaf de 6de eeuw werd Ierland het land waarin de meeste kloosters ter wereld bestonden. St Columba stichtte Derry, Iona, Durrow, St Comgall stichtte Bangor en volgens de traditie stichtte St Ciarán Clonmacnoise. Een van de grootste meerwaardes die deze Kloostergemeenschappen brachten was het schrift. Vanaf dit moment werden duizenden mythologische, historische en wetsartikelen omgezet van de orale traditie naar het schrift. Aan deze kloosters hebben we vandaag de dag alle literaire kennis van de Keltische wereld te danken! Nadat in de 7de en 8ste eeuw steeds meer zoons van koningen en andere leden van de Ierse en Schotse aristocratie een leven in het klooster kozen werd de kloosterpolitiek machtiger. Vanaf de 8ste eeuw waren het belangrijke landeigenaren en beschermers van de kunst. Kloosters werden plaatsen waar net als in de rest van het Ierse stelsel pleegkinderen werden grootgebracht en het werden scholen. De eerste kloosters hadden niet een duidelijke richtlijn om te volgen. Het klooster volgde de leer van de stichter en de eerste monniken hadden vrouwen en kinderen. Wat ook typerend is voor de Ierse monniken is de voorliefde voor kluizenaarschap. Ze bouwden honingraatvormige cellen op verlaten eilanden, waar ze tot God en het gebed konden komen. Rond de 8ste eeuw werden de kloosters in Ierland zo machtig dat ze meer op landeigenaren leken dan op geestelijken. Er ontstonden conflicten tussen concurrerende kloosters. Dit leidde tot de beweging de Céli Dé die deze situatie poogde te hervormen. Zij omschreven meditatie en een ideale staat waarin een klooster zich diende te bevinden. De Céli Dé ontwikkelde zich hoofdzakelijk in Zuid- en West-Ierland, maar had geen kans om zich te ontplooien omdat vanuit Scandinavië een nieuwe bedreiging het land teisterde. De Vikingen hadden het hoofdzakelijk voorzien op kloostergemeenschappen die rijk en weerloos waren tegen hun aanvallen. Na de Vikingplundertochten was er een spirituele herleving die veel van de oude gebruiken weer overnam. Tot in de 16de eeuw werd er in de Keltische wereld speciale waarde gehecht aan de kloostergemeenschappen en werden ze veelvuldig gebruikt om na pensioen in terug te trekken. Vanaf de 12de eeuw ontstond een nieuwe macht op de Ierse zee, de zoons van Somerled en later Lords of the Isles streefden naar een herleving van de Keltische cultuur, tradities en religie. Zij investeerden actief in het in stand houden van deze gemeenschappen waarvan de gemeenschap op Iona de bekendste is.

Kloosters & archeologie
Niet alleen literaire en religieus, maar ook archeologisch hebben de kloosters veel sporen achtergelaten. Veel van de massieve stenen gebouwen staan er nog steeds en veel van hun kunst kan worden teruggezien in Ierse, Schotse en Engelse musea. Zelfs verschillende voorwerpen worden teruggevonden in Scandinavië. Vaak gaat het dan om buit gemaakt tijdens de plundertochten van de Vikingen. Kloostergemeenschappen werden vaak gemaakt in de buurt van koninklijke paleizen en bij vruchtbaar land waar veel mensen leefden. Vaak lagen ze aan zee of bij rivieren die rond deze tijd de snelweg vormde met de rest van de wereld. Er waren grote gemeenschappen zoals Lindisfarne, Clonmacnoise en Old Melrose en kleinere gemeenschappen gelokaliseerd op eilandjes zoals Iona, Lismore, Birsay, Papil, Colonsay, Skelling Michael. Alle kloosters hadden een stenen of aarden omheining en een greppel die de afscheiding tussen de samenleving en het kloosterleven symboliseerde. De aarden wal (vallum) was de meest voorkomende omheining en is tegenwoordig bij sommige kloosters zoals die op Iona nog steeds zichtbaar. Sommige kloosters maakten gebruik van natuurlijke omheiningen of zelfs stenen omheiningen die uit de ijzertijd dateren. Sommige kloosters hadden een dubbele vallum, St Adomnán vermeld dat dit ook op Iona het geval was. De buitenste wal omheinde het landbouw land en de binnenste omheinde het klooster. Dit patroon komt overeen met die van Clonmacnoise, Nendrum, Whithorn en Kingarth. Bij Iona lijkt het erop dat het maken van de vallum de eerste activiteit was bij het bouwen van het klooster en de vallum van 1,8 meter hoog en een greppel van 1,2 meter diep zijn de best bewaarde voorbeelden van de vallum. In hun groei breidden kloosters zich uit. Traditioneel gezien richtte een klooster zeven kerken op waarvan voorbeelden zichtbaar zijn bij Iona, Clonmacnoise, Ardfert, Glendalough, Inniscealtra en Inchcleraun.

Kloosters & bijgebouwen
Ook de Keltische kerken van Wales en het eiland Man lijken deze trend te volgen. Kerken werden opgericht voor graftombes of relieken van heiligen of personen die een centrale rol in de samenleving hebben gespeeld. Naast kerken waren er gebouwen zoals het refectorium (tech mór) waar de monniken aten. Mogelijk werden hier soms lezingen gehouden, Adomnán maakt hier in het leven van St Columba melding van. De Tripartite life of St Patrick vermeld dat een refectorium idealiter 8,1 meter diende te zijn en een losse keuken van 5,1 meter diende te hebben. Er waren kleine cellen waar de monniken in sliepen. De abd woonde in een eigen huis die soms los van het klooster stond. Uiteraard bevonden in veel kloosters zich ook argrarische gebouwen zoals schaapskooien, watermolens, droogovens, graanschuren etc. Op Iona trof men zestig gaten voor palen aan, dit wijst op een groot houten gebouw dat mogelijk uit de 8ste eeuw dateert. Hieruit is de theorie opgemaakt dat mogelijk het eerste klooster op Iona van hout gemaakt was. In Whithorn is een vergelijkbaar gebouw met losse latrines teruggevonden. Deze gebouwen bestonden uit één ruimte verhit door een centraal vuur. Mogelijk waren deze gebouwen bedoeld als leef- of slaapvertrek.

Clocháns
De bijenkorfvormige cellen waarin monniken leefden werden clocháns genoemd. Al is er geen bewijs van de clochán van voor de 7de eeuw, waarschijnlijk maken ze deel uit van een oude Keltische traditie van afzondering, studie en spiritualiteit. Clocháns komen zowel in Ierland als in Schotland voor en zijn allemaal geheel uit steen gemaakt in de vorm van een bijenkorf. Het dak was gemaakt van steen en er was slechts één ingang die tevens als raam diende. De meeste clocháns die vandaag de dag nog zichtbaar zijn dateren uit de 12de eeuw. Mogelijk werden dergelijke gebouwen ook door herders tot in de 18de eeuw gebruikt. Zij trokken in de zomer met het vee de bergen in waar voldoende vers gras was. Hierbij verbleven ze in primitieve huizen. Ook tegenwoordig wordt in Frankrijk en Spanje gebruik gemaakt van dergelijke hutten. Leven in dergelijke hutten was erg oncomfortabel. De hutten waren laag en vaak waren de daken lek.  

Torens
Een ander gebouw dat bij veel kloosters werd gebruikt is de karakteristieke ronde toren. De meeste torens die tegenwoordig nog bestaan zijn 12de eeuws en symboliseren een hervorming in de Ierse kerk. Desondanks werden de torens al vanaf de 2de helft van de 8ste eeuw gebruikt. Ze zijn over het algemeen 10 tot 13 meter hoog en 5 tot 6 meter in diameter. De muren zijn 1,2 meter dik en hebben een kegelvormig dak. Ze hebben een deur die hoger in de toren zit en bereikbaar is via een houten ladder die kan worden weggenomen. Binnen het gebouw zijn een aantal houten vloeren, maar er waren ook exemplaren met een stenen vloer. De torens waren altijd los van de kerken en zaten nooit direct aan de kerk vast. We weten niet precies wat de functie van deze torens was. Mogelijk werden ze gebruikt als klokkentoren en werden ze in tijd van onrust als wachttoren gebruikt. In 1847 werden er in de toren van Kilkenny menselijke resten gevonden. Desondanks is het onwaarschijnlijk dat de torens dienden als toevluchtsoord voor mensen in tijden van oorlog. De toren is daar te smal voor en hij is gevoelig voor brand. Mogelijk werden er wel relieken en andere rijkdommen bewaard. Literaire bronnen vermelden in totaal zevenmaal dat een toren in brand was gestoken, tweemaal daarvan werd het gedaan tijdens een aanval van de Vikingen. Mogelijk bestonden er ook houten torens, maar hier is vooralsnog geen bewijs van.

Type onderzoek: Secundair literair en archeologisch bronnenonderzoek
Auteur: P Gilbers in opdracht van Stichting Celtic Britain
Jaar van publicatie: 2012

Overlevering van Ierse verhalen

St Patrick
St Columba
Book of Kells

Kerk en recht

Bronnen

- Lloyd Laing, The archeology of Celtic Britain and Ireland
- Celtic Britain, de Iona typering
-
Boek Leven van St Columba, 2009: How the Celts Saved Britain, BBC4
- life of st columba

 

 

 

Gesponsord door Celtic Webmerchant:

          
Keltisch kookstel € 109,90                       Keltisch sieraad € 12,50            Keltische helm € 295,-
 

copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact