Ierse oorlogvoering
Wapens
De Ierse Kelten gebruikte
een aantal verschillende speren, zwaarden
en bijlen in hun gevechten.
De Craisech was een lange speer die soms werd gebruikt door een ruiter om
vluchtende troepen op te jagen. Hij werd echter ook door infanterie
gebruikt op een vergelijkbare manier als een bajonet. De Ieren gebruikte een kort
zwaard, vaak in combinatie met een schild maar ook maar hij kon ook worden
gebruikt in combinatie met een ander kort zwaard in de linkerhand. De
mannen leerden van jongs af aan dit korte zwaard in allebei de handen te
kunnen gebruiken. Ook werd de claymore, een tweehandig zwaard, gebruikt,
vaak in combinatie met een fakkel om brandwonden te veroorzaken en af te
leiden. De Ierse bijl was langer dan
een vikingbijl en kon met een houw de zijkant van het lichaam eraf
hakken.
De Ierse krijgers gebruikten
bijna geen lichaamsbescherming tijdens hun oorlogen. De koningen en hoge
earls werden meestal beschermd door een leren uitrusting. Alleen de
rijkste Ieren konden zich borstplaten en helmen veroorloven. Het model
van de Ierse helmen in de vroege middeleeuwen heeft veel weg van de
Keltische helmen die werden gebruikt in de Hallstatt-periode. Ze waren
meestal rond en soms versierd met graveringen en paardenhaar. Pas toen
de Ieren in contact kwamen met de Vikingen werd er pas over gegaan op
het grootschalig gebruik van maliënkolders en helmen.
De schilden die de Ieren in
de vroege middeleeuwen gebruikten, waren meestal rond met een metalen
knop in het midden waaraan aan de binnenkant een handvat gemonteerd was.
De Kelten bouwden hun forten
op strategische locaties in de bossen, hier waren ze niet te vinden voor
onbekenden en vanuit de forten kon de stam ongemerkt de vijand
aanvallen. De forten werden vaak met elkaar in verbinding gesteld door
geheime paden. De legers konden zich dus met hoge snelheid door de
bossen verplaatsen, terwijl ze een open gevecht konden vermijden.
Tactiek
De
Kelten in Ierland gebruikten rond het jaar 1000 veel verschillende
wapens in hun oorlogen. Vaak werd het materiaal dat in oorlogen diende
om te doden, in vredestijd gebruikt voor broodwinning. Hierdoor waren de
Ierse krijgers vaak zeer bedreven in het hanteren van hun wapens.
Onderlinge oorlogen tussen
clans of stammen in Ierland en Schotland gingen voornamelijk om
veeroven. Het vee was de belangrijkste bron van inkomsten in de
Keltische cultuur. De clans hadden speciale groepen ligt bewapende
krijgers, ceiherne of kerns genoemd. De ceiherne vormden een kleine
groep die getraind was om het vee van de vijandelijke clan bij elkaar te
drijven en mee te nemen. Naast deze taak kwam er later uiteraard ook de
taak om over het vee te beschermen tegen vijandelijke ceiherne.
Ierse veldslagen werden voor
de komst van de Vikingen ritueel uitgevochten. Ze gaven de voorkeur aan
man tot man gevechten in plaats van een grote slag. Een gevecht werd dan
ook meestal voorafgegaan door een duel tussen de voorvechters van beide
partijen.
Voordat de vijand de Ierse
troepen bereikte, werd hij bestookt met stenen die door middel van
slingers met uitzonderlijke precisie naar de vijand werden geschoten.
Als de vijand eenmaal dichterbij was gekomen, zo rond de 20 meter van de
Ierse troepen af, gooiden de licht bewapende krijgers, van beroep
meestal visser of boer, hun werpsperen, harpoenen en pijlen naar de
vijand. Doordat deze krijgers meestal aan de flanken van het leger waren
opgesteld, konden ze de gehele veldslag blijven doorgooien en schieten.
Elkaar
vanaf een afstand beschieten werd in de Keltische oorlogvoering als laf
ervaren. Het kwam dan ook vrijwel nooit voor dat de legers lange tijd
elkaar beschoten, voordat ze op elkaar afliepen.
Rond het jaar 200 n.Chr
begonnen de Ieren de kusten van Brittannië te plunderen en te
koloniseren. Ze gebruikten hiervoor een groot aantal kleine boten die
curraghs worden genoemd. De strijdwagens en de paarden werden mee het
water overgebracht om daar te vechten.
In de loop der jaren bleek
echter dat er dringend behoefte was aan een geheel andere manier van
oorlogvoering, voornamelijk omdat de Ieren veel op zee waren en ook op
zee moesten vechten. Werpsperen en slingers werden ingewisseld voor
pijl en boog. De krijgers in Dal Riada waren zelfs allemaal hiermee. Ook
werd in deze tijd de stafslinger gebruikt (in het Gaelic de
Cranntabhaill). In de 7de eeuw werden de Keltische
strijdwagens ingewisseld voor ruiters te paard. Dit was efficiënter en
goedkoper dan de strijdwagen.
Toen de Vikingen kwamen,
vormden deze een nieuwe dreiging en waren de Ieren genoodzaakt nieuwe
krijgstactieken te ontwikkelen. Nadat de Ieren aan de oostkust door de
Vikingen naar het binnenland verdreven waren, maakten ze voornamelijk
gebruik van guerrillatechnieken, waarbij ze de Vikingen aanvielen en
weer terug de bergen in trokken. Zij waren ook zeer gespecialiseerd in
nachtelijke aanvallen. Vaak werden deze acties zo georganiseerd dat ze
pas opvielen wanneer het te laat was.
Zie ook:
Gallowglasses
Keltische
schepen op de Ierse zee
Bardische Gallowglass gedichten Keltische oorlogen
|