|








|
De Ierse
samenleving
Hetgeen we over de sociale
structuur in Ierland weten is gebaseerd op de oud-Ierse wetten uit een
tijd van een roerige samenleving onder invloed van het christendom, de
Normandische invasie en kolonisten uit Scandinavië en Brittannië. Daarom
zijn deze wetten zeer waarschijnlijk in de loop van de tijd aangepast om
beter te passen in de belevingswereld van de Ieren. Hierom is het
moeilijk om een goed beeld te creëren van de middeleeuws-Ierse
samenleving.
De samenleving was gebaseerd
op de tuath. Dit wordt vaak vertaald als stam of clan, maar deze
vertalingen suggereren dat de leden van de tuath eenzelfde afkomst
hadden, wat alleen in de vroege tijden het geval was. De tuath werd
bestuurd door de Rí Tuath, de koning van de tuath. Door de jaren heen
werd leefgebied veroverd of verloren, verdwenen tuatha of verschenen er
plotseling nieuwe. Naast de gebiedsverandering veranderde ook de
samenstelling van de tuath door de verbanning van onwaardige leden en de
adoptie van reizigers, waardevolle ambachtslieden, krijgers en andere
flaiths of edelen. Als gevolg hiervan werd de tuath meer en meer een
geografische en politieke eenheid als een staat, terwijl een stam of een
clan gebaseerd was op gedeelde afkomst. Tussen de 5de en 12de
eeuw bestond Ierland uit ongeveer 150 tuatha.
Als heroriëntatie op
familiebanden werd de term fine, familie, ingevoerd. De fine was een
structuur die uit zeventien mannen bestond en opgedeeld was in
verschillende delen. De geil fine of binnenste familie bestond uit de
ceann fine, het familiehoofd, en vier leden. Hierna kwam de deirbh fine,
de ware familie, de iar fine, achterfamilie en de inn fine of
eindfamilie. Alleen de plaats van de ceann fine was vastgelegd, de rest
van de fine werd in beweging gezet wanneer er een mannelijke baby werd
geboren. Dit jongetje kwam in het deel terecht waar
zijn vader lid van
was en als gevolg hiervan schoof het oudste lid van dat deel een deel
op, waardoor het oudste lid van dat deel automatisch ook verplaatst
werd. Het oudste lid van de inn fine kwam daarom buiten de fine te staan
en kon een eigen fine stichten, een alleenstaand lid van de tuath
blijven of aanspraak proberen te maken op de titel van flaith. Wanneer
er iemand in de fine stierf, verplaatsten de leden zich naar binnen.
Wanneer iemand uit de inn fine stierf, bleef zijn plaats waarschijnlijk
open en kwam de oudste van de inn fine pas na twee jongensbaby’s buiten
de fine te staan.
De tuath zelf was verdeeld in
lagen. Deze waren niet, zoals in het feodale stelsel, gebaseerd op
afkomst. Sommige Ierse koningen werden gekozen en edelen kregen alleen
een titel door persoonlijke verdiensten en daden. Dit betekende ook dat
mensen gedegradeerd konden worden wanneer ze ongeschikt bleken te zijn
voor hun taken. Grofweg bestond de Ierse samenleving uit verschillende
sociale klassen, die elk in weer in subklassen waren verdeeld.
Adel
De leider van heel Ierland
was de Ard Rí na hÉireann, de hoge koning van Ierland. In theorie kon
elke gezonde, intelligente man hoge koning worden. Meestal waren het
echter de Rí
Tuatha, de leiders van de belangrijke families en mensen
met een groot netwerk die werden gekozen. De taak van de hoge koning was
grotendeels ceremonieel, want hij was niet bevoegd om wetten te maken.
Daarom was zijn belangrijkste taak om de lagere koningen tevreden te
houden, met name door de driejaarlijkse Feis Teamhrach, de grote markt
in Tara.
Onder de hoge koning stonden
drie of vier Ríthe Cuicidh of koningen van de provincies. Zij maakten de
regels, inden schattingen en maakten allianties met de lagere koningen.
Hun macht werd alleen beperkt door het concept van grondbezit. Hierdoor
had een provinciekoning wel de macht om wetten over een stuk grond uit
te vaardigen, maar niet om de grond of zijn oogst af te nemen.
De belangrijkste leider van
de Ierse gemeenschap was echter de laagste vorm van koningschap, de Rí
Tuath. Hij bestuurde het dagelijks leven van zijn tuath en voerde oorlog
met de aangrenzende tuatha. Op zijn zoektocht naar beter land, vee en
vrouwen waren zelfs kloosters niet heilig. Sommige Rí Tuatha maakten
een alliantie met elkaar en kozen uit hun midden de Rí Mór Tuath, koning
van de grotere tuath.
De verschillende lagen ríthe
werden bijgestaan door flaiths of edelen. Elke man die goede verdiensten
had bewezen kon de titel van flaith krijgen. Een flaith had vaak recht
op vee, velden en soms ook pachters om deze velden te bewerken. De titel
stierf vaak uit met zijn houder, maar sommige families bleven hem houden
als ze verschillende generaties achter elkaar hun familiefortuin
behouden hadden.
Naast koningen en edelen
bestond de Ierse aristocratie uit breitheamh, rechters, en ollahms,
vertellers, druïden, barden en ambachtslieden als smeden. Zij waren
degenen die de Keltische cultuur overdroegen en stonden daarom hoog in
aanzien. Barden en druïden vormden een belangrijke nieuwsbron in de
samenleving en vaak werden druïden door hun tuath in dienst genomen als
raadgever en spiritueel leider. Zij waren vaak de stille drijvende
kracht achter de leiders. Smeden stonden zo hoog in aanzien doordat
wapens erg belangrijk waren en de smeedkunst zag men als een soort
magie.
Landbouwers
Het grootste gedeelte van de
Ierse samenleving bestond uit féines, de vrije boeren. Zij leefden in
eigen huisjes en hadden zelf vee en stukken land. Dit lijkt op een grote
vrijheid in die tijd, maar het was uiteindelijk de Rí Tuath die het
laatste woord over het land had. De Rí Tuath was verplicht om flaiths,
weduwen en wezen eigen land te geven en onruststokers juist hun land te
ontnemen. Eerst was dit geen probleem, maar later groeide het aantal
mensen en werden de landerijen door erfenis in steeds kleinere stukjes
verdeeld. Voor degenen die te weinig land hadden om van te leven, kon de
Rí Tuath nieuw land veroveren of hij kon hun vee, huisjes en land
verhuren. Hierdoor was een nieuwe klasse geboren: de céiles of pachters.
Er waren daer céiles of vrije pachters en saer céiles of onvrije
pachters.
De daer céiles konden met of
zonder hulp van hun fine uit de schulden blijven of komen. Wanneer ze
een schuld hadden opgebouwd, losten ze die weer af na een paar
succesvolle oogsten. Ze hadden ongeveer dezelfde rechten en plichten als
féines en daarom was waarschijnlijk niet beschamend om een daer céile te
zijn.
De saer céiles hadden echter
geen eigen bezit. Ze moesten vrijwel alle middelen van bestaan huren en
waren gebonden aan de Rí Tuath. In vredestijd moesten ze hem en zijn
flaiths van voedsel voorzien en in tijden van oorlog ook nog de
soldaten. Een fine verstootte de saer céiles meestal en hierdoor was er
vrijwel geen mogelijkheid voor een saer céile om uit zijn situatie te
ontsnappen.
Bothacs
De onderste laag van de Ierse
samenleving werd gevormd door failliete boeren, niet onderwezen
handwerkslieden, vogelvrijverklaarden en criminelen. Deze bothacs hadden
geen rechten of bezit. Ze behoorden zelfs niet tot een tuath, zelfs al
leefden ze wel op dat grondgebied. Ze waren daarom compleet afhankelijk
van de adel, die hen op zijn land kon toelaten of afwijzen.
Zie ook
Zie ook:
Oud-Iers recht
Het clanstelsel
De opbouw van Wales
Celtic Webmerchant:

Keltisch oorlogszwaard
€
66,60
Enkelhandig Vikingzwaard
€ 70,15
Keltisch zwaard € 70,85 |









|