|
|
|
||
|
|
De Ierse samenleving
De Ierse samenleving is door D.A. Binchy beschreven als 'tribal, rural, hierarchical and familiar', oftewel tribaal, landelijk, hiërarchisch en familiair. Tribaal, omdat men in stamverbanden, túatha, leefde; landelijk, omdat er vrijwel geen steden bestonden tot de stichting van kloosters; hiërarchisch, omdat iedereen zijn eigen plek op de sociale ladder had en familiair, omdat de familie een belangrijke eenheid in de samenleving was. De politieke basiseenheid van de samenleving was de túath, een klein koninkrijkje. Vaak wordt het woord vertaald als 'stam', maar de leden van de túath hadden vaak niet een familieband met elkaar. De tuath werd bestuurd door de Rí Tuath, de koning van de tuath. Door de jaren heen werd leefgebied veroverd of verloren, verdwenen tuatha of verschenen er plotseling nieuwe. Naast de gebiedsverandering veranderde ook de samenstelling van de tuath door de verbanning van onwaardige leden en de adoptie van reizigers, waardevolle ambachtslieden, krijgers en andere flaiths of edelen. Tussen de 5de en 12de eeuw bestond Ierland uit ongeveer 150 tuatha.
De samenleving zelf was verdeeld in lagen. Deze waren niet altijd, zoals in het feodale stelsel, gebaseerd op afkomst. Sommige Ierse koningen werden gekozen en edelen kregen alleen een titel door persoonlijke verdiensten en daden. Dit betekende ook dat mensen gedegradeerd konden worden wanneer ze ongeschikt bleken te zijn voor hun taken. Grofweg bestond de Ierse samenleving uit verschillende sociale klassen, die elk in weer in subklassen waren verdeeld. Een belangrijke bron van informatie over de verschillende klassen is de Críth Gablach uit de vroege 8ste eeuw n.Chr., die verschillende bevolkingslagen en hun rechten beschrijft. Een groot deel van de tekst is waarschijnlijk geabstraheerd en hoeft dus niet altijd de waarheid te schetsen. De Nemed - ríg (koningen) De nemed waren de bevoorrechten van de Ierse samenleving.
Hoewel hij niet wordt vermeld
in Ierse wetsteksten, weten we dat er een Hoge Koning van Ierland was,
Onder de Ard Rí stonden de ríg ruirich (enkelvoud: rí ruirech, ook wel 'leider van koningen', ollam uas rígaib, of 'provinciële koning', rí cóicid genoemd). Zij maakten de regels, inden schattingen en maakten allianties met de lagere koningen. Hun macht werd alleen beperkt door het concept van grondbezit. Hierdoor had een provinciekoning wel de macht om wetten over een stuk grond uit te vaardigen, maar niet om de grond of zijn oogst af te nemen. Onder de rí ruirech stonden verschillende ríg túath (enkelvoud: rí túath). Dit waren de koningen van allianties van túatha die voor handels- of militaire redenen waren gesloten. Niet elke túath hoefde bij een alliantie aangesloten te zijn overigens. De belangrijkste leider van de Ierse gemeenschap was echter de laagste vorm van koningschap, de Rí Tuath. Hij bestuurde het dagelijks leven van zijn tuath en voerde oorlog met de aangrenzende túatha. De Nemed - airig (heren) Er waren vier typen van heren of edelen die onder de Nemed vielen. Zij waren gekenmerkt door het feit dat zij vrije en onvrije cliënten en bedienden hadden. De aire verpachtte zijn cliënten vee of land en deze gaf er voedsel en andere diensten voor terug. De aire forgille of de "heer van superieure getuigenis" had veertig cliënten of pachters of cliënten, twintig vrije en twintig onvrije. Hij was de tussenpersoon tussen de koning en de túath en onder zijn toeziend oog werden alle contracten van zijn deel van de túath gesloten. Niet elke aire forgille had evenveel macht. De aire tuíseo, "heer van prioriteit" heeft een onduidelijkere functie en bezig. Hij had waarschijnlijk vijftien vrije en twaalf onvrije cliënten. Naast zijn twee rijpaarden, de een met een zilveren teugels en de andere met gouden, had hij twaalf hengsten. Zijn vrouw kon in alles geraadpleegd worden en hij nam de eden van iedereen onder hem. De aire ard, "hoge heer" had tien vrije en tien onvrije cliënten. De onvrije cliënten gaven hem elk ieder jaar drie driejarige koeien, twee kalveren en genoeg voer voor hen. Hij had zeven bedienden en daarnaast vijf mensen die hem bijstonden in de rechtspraak. De aire déso of "heer van vazallen" was een magistraat die geschillen oploste. Hij had vijf vrije en vijf onvrije cliënten onder zich, die hem elk per jaar een koe en twee kalveren gaven. Hij had een groot huis waar hij gasten in kon ontvangen.
Naast koningen en edelen bestond de Ierse Nemed uit de filid, de geleerden. Zij waren ook buiten de túath gerespecteerd en konden dus ook eventueel in een andere túath gaan werken. De filid waren onderverdeeld in de fili (bard), de brithem (rechter), de liaig (dokter), de senchae (geschiedkundige) en de scélaige (verhalenverteller). Een kenmerk van de filid was dat ze in de vroege Ierse samenleving allemaal hun kennis overgaven in metrische vorm, omdat het dan gemakkelijker te onthouden viel. Dat dit later veranderde, is te zien aan de Oud-Ierse wetten of de Brehonse wetten, die eerst metrisch werden opgeschreven en in latere perioden hun metriek verloren. De filid zorgden er samen voor dat het erfgoed van de túath en van heel Ierland bleef bestaan. Voor hun diensten konden ze dan ook rijkelijk beloond worden met vee en paarden. Wanneer ze benadeeld werden konden ze, en met name de barden, tegenover hun heer een satire schrijven, waardoor hij te schande werd gemaakt voor de gehele túath en daarbuiten. Er werd zelfs gedacht dat een goede satire mensen kon doden. Vandaar dat filid niet alleen gevreesd maar ook gerespecteerd werden. Opvallend is dat de druí of druïde in dit rijtje ontbreekt. Dat komt omdat de spirituele functie van de druïde door de kerk was overgenomen in de tijd van onze bronnen. Zijn overige functies waren overgenomen door de verschillende soorten filed. Er bleven nog wel druïden bestaan, maar die waren hadden een minder belangrijke functie, ze waren bijvoorbeeld leraar. De sóer De sóerchéili waren de vrije cliënten van de airig en waren onderverdeeld in drie klassen: de bóaire, de ocaire en de fer midboth.
De fer midboth was een jonge boer die zelfstandig op het land van zijn vader woonde. De naam betekent letterlijk "man van middelgrote hutten". De fer midboth klom waarschijnlijk in de rest van zijn leven op tot ocaire of bóaire Wanneer een sóercheile, een lid van de sóer, cliënten kon houden betekende dat niet meteen dat hij een aire zou worden. Een sóercheile die cliënten kon onderhouden werd geen aire maar een fer fothlai, "een man van terugtrekking", een soort tussenstatus. Wanneer zijn kleinzoon nog steeds cliënten onderhield, dan kon deze de titel van aire déso claimen. De dóer De dóercheili waren de onvrijen van de samenleving. Ze bestonden uit de fuidir, de bothach, de senchléithe en de mug. De onvrijen hadden geen eigen bezit en waren geen rechtspersoon. De fuidir en de bothach waren de vrijwillige pachter en halfvrij. Ze waren gebonden om diensten aan zijn heer te verlenen, maar was niet gebonden aan het land. Na negen generaties dienst voor dezelfde aire zonken ze naar de rang van senchléithe of erfelijke bediende. De senchléithe was een deel van het bezit van de aire en kon dus ook met het land verkocht of geërfd worden. De laagste rang van de Ierse samenleving was de mug of de mannelijke slaaf. Mogelijk stond daaronder nog de cumál, de vrouwelijke slaaf, maar de Ierse wetten spitsen zich met name toe op mannen. De cú glas De cú glas was een persoon van buiten de túath die in de túath woonde. Hij was in principe een deorad, buitenstaander, en had geen wettelijke status. Wanneer hij met een vrouw getrouwd was, kreeg hij enige rechten, maar zijn vrouw bleef nog altijd onder de bescherming van haar beschermer, hetzij vader, hetzij broer, hetzij zoon. Zie ook:
Oud-Iers recht Celtic Webmerchant:
|
|
|
![]() |
|||
|
copyright © 2009 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
|||