James Stewart, de oude pretendent

James Francis Edward Stewart werd op 20 juni 1688 in St. James’ Palace in Londen geboren als elfde, maar eerste in leven gebleven kind van koning James de 2de en 7de en zijn tweede vrouw, Maria Beatrice van Modena. Door zijn geboorte was hij prins van Engeland, Schotland, Frankrijk en Ierland, hertog van Cornwall en Rothesay, earl van Carrick, Heer van de Eilanden en Opperkamerheer van Schotland. Ook werd hij prins van Wales en earl van Chester genoemd, hoewel hij nooit officieel als zodanig werd benoemd. Hij werd op 15 oktober 1688 op katholieke wijze gedoopt en zijn peetouders waren de koningin-moeder Catherine van Braganza, weduwe van koning Charles de 2de, en paus Innocentius de 11de, die werd vertegenwoordigd door de pauselijke nuntius van Groot-Brittannië, Ferdinando d’Adda.

Vlak na zijn geboorte begon zijn zwager, de prins van Oranje, geruchten te verspreiden dat de baby geen zoon van James en Maria van Modena was, maar dat hij het paleis in was gesmokkeld om voor een katholieke erfgenaam te zorgen. Er was geen enkele grond voor deze roddels, die in het leven waren geroepen om de claim van Willem van Oranje via zijn vrouw, Mary op de Britse troon te versterken.  Mary was James volwassen dochter die op last van koning Charles de 2de protestants was opgevoed.

De Engelse anglicanen hadden een hekel aan hun katholieke koning, maar wisten zich verzekerd van een protestantse opvolger. Nu een katholieke erfgenaam was geboren, was deze hoop verloren gegaan. Daarom nodigden enkele parlementsleden op aanvraag van Willem hem en zijn vrouw uit om met een leger naar Engeland te komen. Hij landde op 5 november 1688 in Brixham, Devon, met de zegen van de paus die ook de peetvader van de jonge prins was. James’ vader stuurde zijn jonge zoon naar Portsmouth, zodat hij als dat nodig zou zijn naar meegenomen kon worden naar Frankrijk, waar hij veilig zou zijn voor de prins van Oranje. Hij werd op 8 december naar Londen meegenomen, waarvandaan hij naar Frankrijk vertrok met zijn beide ouders. Daar werden ze op 23 december ontvangen door Lodewijk de 14de, die hen het paleis van St. Germains-en-Laye aanbood. Hier werd de prins opgevoed samen met zijn zuster, Louisa Maria Teresa, die in 1692 geboren werd. Haar geboorte werd door onder andere koningin Mary en verschillende andere protestantse dames bijgewoond, om de mensen ervan te verzekeren dat het geen miskraam was vanwege de enorme commotie rondom de geboorte van haar broer.

Door de afzetting van James de 2de en de kroning van Willem en Mary, ontstond de Jacobite-beweging, die James weer op de troon wilde krijgen – Jacobus is Latijn voor James. In maart 1689 landde James de 2de in Ierland, maar Willem reageerde door een leger te sturen, dat hem bij de slag bij de Boyne op 1 juli 1690 versloeg. James vluchtte vanuit Kinsale en liet de Ierse Jacobites aan hun lot over. Ook probeerden Schotse Jacobites hun koning opnieuw aan de macht te laten komen, maar nadat hun leider, John Graham of Claverhouse, werd gedood bij Killiecrankie op 27 juli 1689, was deze opstand snel de kop ingedrukt.

Nadat James’ vader, koning James de 2de en 7de, op 16 april 1701 gestorven was als gevolg van een hersenbloeding, maakte James onmiddellijk aanspraak op al zijn Britse rechten. Vanaf die dag werd hij door de jacobites erkend als koning James de 3de en 8ste. Ook de hoven van Frankrijk, Spanje en Modena, als ook het Vaticaan, erkenden zijn aanspraak op de Britse kroon. De moeder van de jonge koning trad op als zijn regent en het gezin verhuisde naar Passy, een van de rijkste buurt van Parijs.

Op 6 maart 1702 tekende de prins van Oranje in reactie op de koninklijke steun aan James de Akte van Verraad en Afzwering tegen James, waarbij deze uitgeroepen werd tot hoogverrader, en een dag daarna stierf hij door longontsteking, die hij had opgelopen nadat hij van zijn paard was gevallen.

Op 13 maart 1708 probeerde een Franse vloot James met een 5.000 man sterk, Frans leger af te zetten bij de Firth of Forth, vlak nadat James hersteld was van de mazelen. Een eskader Engelse oorlogsschepen onder leiding van admiraal Byng hield dit echter tegen en de Franse admiraal weigerde James af te zetten en keerde met de staart tussen de benen terug naar Frankrijk.

Rond 1711 groeide de sympathie voor de Jacobites en een nieuwe tory-regering contacteerde James in Frankrijk, om hem de troon aan te bieden als opvolger van koningin Anne, als hij zich tot protestant zou bekeren. Hij weigerde. Het jaar daarna werden hij en zijn zus, Louisa, ziek van de pokken. James genas weer, maar Louisa overleed.

Koningin Anne stierf in 1714 en werd opgevolgd door koning George de 1ste van Hanover, de eerste niet-katholieke troonopvolger in de lijn – katholieken waren door een wet van Willem en Mary uitgesloten van het koningschap. John Erskine, 22ste earl van Mar, die een hoge positie onder Anne had gehad en met de nek door George werd aangekeken, verhief op 1 september 1715 de standaard van James de 3de en 8ste in Braemar. Hij had snel een leger van ongeveer 10.000 mensen op de been gebracht en veroverde grote delen van Noord-Schotland. Hij had echter James niet op de hoogte gebracht van zijn plan en had geen contact gezocht met de jacobites die op dezelfde tijd een rebellie in Cornwall en Devon startten.

James zelf was in 1713 uit Frankrijk verbannen door het verdrag van Utrecht, waarin Lodewijk de 14de beloofde hem niet meer te steunen, en werd dus niet meer gesteund bij de opstand. Daarom ging hij zelf vanuit Bar-le-Duc, waar hij verbleef, naar Schotland, waar hij op 22 december in Peterhead landde. Helaas was hij te laat: de slag bij Sherrifmuir, die was geëindigd in een patstelling, was op 13 november al uitgevochten. Mar had geen voordeel genomen uit de open weg naar het zuiden en was teruggetrokken en toen James en hij elkaar op 9 januari 1716 in Perth ontmoetten, was de opstand zo goed als over. Op 4 februari 1716 vertrok James vanuit Montrose en landde in Frankrijk, waar hij nog steeds onwelkom was. Na een korte tijd daar ging hij naar Avignon, dat onder bestuur van de paus stond. Het volgende jaar vertrok hij naar Italië, waar hij in Urbino verbleef.

Een volgende poging om de kronen van Engeland, Ierland en Schotland te winnen werd in 1719 uitgevoerd. In maart dat jaar lanceerden de Spanjaarden een tweede armada met 29 schepen, 5.000 troepen en bewapening voor 30.000 Britse jacobites. De vloot raakte nog in Spaanse wateren in slecht weer  - net als de vorige armada – en slechts 2 fregatten, met 327 Spaanse soldaten, landden in West-Schotland. Met de hulp van de Schotse jacobites konden zij Eilean Donan Castle innemen, maar door gebrek aan verse troepen was het slechts een kwestie van tijd tot zij zouden worden overweldigd. Op 10 juni 1719 werden de troepen in de slag van Glenshiel verslagen.

Een maand voor Glenshiel, op 19 mei, trouwde James in Bologna met Clementina Sobieska, dochter van Jakub Sobieski, kroonprins van Polen, en zijn vrouw, prinses Hedwig van Pfalz-Neuburg en kleindochter van koning Johannes de 3de van Polen. Het paar bevestigde hun eed van trouw persoonlijk in het kerkelijk paleis van Montefiascone op 3 september 1719.

Na het huwelijk betrok James het palazzo Muti (nu palazzo Balestri) in Rome. Hier werden hun beide zoons, Charles en Henry, in respectievelijk 1720 en 1725 geboren. Daarnaast had hij het palazzo Savelli in Albano, 25 kilometer ten zuiden van Rome, als buitenhuis. Hij werd goed opgevangen door de Italiaanse adel, die hem vaak onderdak bood. James reisde regelmatig naar de steden van Italië en werd daar ontvangen met koninklijke eer. Dankzij het geld van het Vaticaan en Frankrijk en de erfenissen van vele kardinalen en Italiaanse edelen, kon hij zijn hof houden zoals het hoorde.

Op 23 december 1743 wees James zijn oudste zoon Charles Edward aan als prins-regent. Als antwoord op de kroning van koning George de 2de, zoon van George de 1ste, lanceerde deze een nieuwe opstand. De bedoeling was dat de Fransen een invasie zouden doen, maar opnieuw bleek het weer verraderlijk te zijn. Daarom zeilde Charles zelf naar Schotland en startte op 19 augustus 1745 de laatste Jacobite-opstand. Zijn leger kwam tot aan Derby, maar omdat de winter aanbrak wilden de clans terugkeren en werden ze uiteindelijk verslagen door de hertog van Cumberland in de slag bij Culloden, 16 april 1746. Na vijf maanden op de vlucht kwam Charles in het najaar van 1746 terug in Frankrijk.

James stierf in het palazzo Muti op 1 januari 1766 en werd begraven in de sint Pieter, waar een grafmonument voor hem is opgericht, ontworpen door Antonio Canova. Zijn oudste zoon Charles maakte onmiddellijk na zijn vaders overlijden aanspraak op alle rechten van de Britse troon. Om hem van zijn vader te onderscheiden wordt hij ‘de jonge pretendent’ en zijn vader ‘de oude pretendent’ genoemd. Nadat Charles ook was gestorven, ging zijn claim over op zijn broer, Henry Benedictus Stewart.

Zie ook:

Akte van verraad
James de 2de en 7de
Jaccobites

Celtic Webmerchant:

c         Schots
Tweehandig zwaard
  € 98,10             Hellebaard  € 65,-              Kattenhakker € 110,-   

 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact