![]() |
![]() |
|||||
|
|
James Stewart, de oude pretendent
Vlak na zijn geboorte begon zijn zwager, de prins van Oranje, geruchten te verspreiden dat de baby geen zoon van James en Maria van Modena was, maar dat hij het paleis in was gesmokkeld om voor een katholieke erfgenaam te zorgen. Er was geen enkele grond voor deze roddels, die in het leven waren geroepen om de claim van Willem van Oranje via zijn vrouw, Mary op de Britse troon te versterken. Mary was James volwassen dochter die op last van koning Charles de 2de protestants was opgevoed.
Door de afzetting van James de 2de en de kroning van Willem en Mary, ontstond de Jacobite-beweging, die James weer op de troon wilde krijgen – Jacobus is Latijn voor James. In maart 1689 landde James de 2de in Ierland, maar Willem reageerde door een leger te sturen, dat hem bij de slag bij de Boyne op 1 juli 1690 versloeg. James vluchtte vanuit Kinsale en liet de Ierse Jacobites aan hun lot over. Ook probeerden Schotse Jacobites hun koning opnieuw aan de macht te laten komen, maar nadat hun leider, John Graham of Claverhouse, werd gedood bij Killiecrankie op 27 juli 1689, was deze opstand snel de kop ingedrukt. Nadat James’ vader, koning James de 2de en 7de, op 16 april 1701 gestorven was als gevolg van een hersenbloeding, maakte James onmiddellijk aanspraak op al zijn Britse rechten. Vanaf die dag werd hij door de jacobites erkend als koning James de 3de en 8ste. Ook de hoven van Frankrijk, Spanje en Modena, als ook het Vaticaan, erkenden zijn aanspraak op de Britse kroon. De moeder van de jonge koning trad op als zijn regent en het gezin verhuisde naar Passy, een van de rijkste buurt van Parijs. Op 6 maart 1702 tekende de prins van Oranje in reactie op de koninklijke steun aan James de Akte van Verraad en Afzwering tegen James, waarbij deze uitgeroepen werd tot hoogverrader, en een dag daarna stierf hij door longontsteking, die hij had opgelopen nadat hij van zijn paard was gevallen. Op 13 maart 1708 probeerde een Franse vloot James met een 5.000 man sterk, Frans leger af te zetten bij de Firth of Forth, vlak nadat James hersteld was van de mazelen. Een eskader Engelse oorlogsschepen onder leiding van admiraal Byng hield dit echter tegen en de Franse admiraal weigerde James af te zetten en keerde met de staart tussen de benen terug naar Frankrijk. Rond 1711 groeide de sympathie voor de Jacobites en een nieuwe tory-regering contacteerde James in Frankrijk, om hem de troon aan te bieden als opvolger van koningin Anne, als hij zich tot protestant zou bekeren. Hij weigerde. Het jaar daarna werden hij en zijn zus, Louisa, ziek van de pokken. James genas weer, maar Louisa overleed.
James zelf was in 1713 uit Frankrijk verbannen door het verdrag van Utrecht, waarin Lodewijk de 14de beloofde hem niet meer te steunen, en werd dus niet meer gesteund bij de opstand. Daarom ging hij zelf vanuit Bar-le-Duc, waar hij verbleef, naar Schotland, waar hij op 22 december in Peterhead landde. Helaas was hij te laat: de slag bij Sherrifmuir, die was geëindigd in een patstelling, was op 13 november al uitgevochten. Mar had geen voordeel genomen uit de open weg naar het zuiden en was teruggetrokken en toen James en hij elkaar op 9 januari 1716 in Perth ontmoetten, was de opstand zo goed als over. Op 4 februari 1716 vertrok James vanuit Montrose en landde in Frankrijk, waar hij nog steeds onwelkom was. Na een korte tijd daar ging hij naar Avignon, dat onder bestuur van de paus stond. Het volgende jaar vertrok hij naar Italië, waar hij in Urbino verbleef.
Een maand voor Glenshiel, op 19 mei, trouwde James in Bologna met Clementina Sobieska, dochter van Jakub Sobieski, kroonprins van Polen, en zijn vrouw, prinses Hedwig van Pfalz-Neuburg en kleindochter van koning Johannes de 3de van Polen. Het paar bevestigde hun eed van trouw persoonlijk in het kerkelijk paleis van Montefiascone op 3 september 1719. Na het huwelijk betrok James het palazzo Muti (nu palazzo Balestri) in Rome. Hier werden hun beide zoons, Charles en Henry, in respectievelijk 1720 en 1725 geboren. Daarnaast had hij het palazzo Savelli in Albano, 25 kilometer ten zuiden van Rome, als buitenhuis. Hij werd goed opgevangen door de Italiaanse adel, die hem vaak onderdak bood. James reisde regelmatig naar de steden van Italië en werd daar ontvangen met koninklijke eer. Dankzij het geld van het Vaticaan en Frankrijk en de erfenissen van vele kardinalen en Italiaanse edelen, kon hij zijn hof houden zoals het hoorde.
James stierf in het palazzo Muti op 1 januari 1766 en werd begraven in de sint Pieter, waar een grafmonument voor hem is opgericht, ontworpen door Antonio Canova. Zijn oudste zoon Charles maakte onmiddellijk na zijn vaders overlijden aanspraak op alle rechten van de Britse troon. Om hem van zijn vader te onderscheiden wordt hij ‘de jonge pretendent’ en zijn vader ‘de oude pretendent’ genoemd. Nadat Charles ook was gestorven, ging zijn claim over op zijn broer, Henry Benedictus Stewart. Zie ook:
Akte van verraad Celtic Webmerchant:
|
|||||
![]() |
||||||
|
copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
||||||