Kelten en Romeinen

1ste expeditie
Zoals elke Romeinse aanval in het buitenland gaf Julius Caesar verschillende praktische redenen voor zijn eerste expeditie naar Groot-Brittannië in 55 v.Chr.. Hij vertelde de wereld dat hij Brittannië binnen wilde vallen om te voorkomen dat de Galliërs, die net onder Romeins bewind vielen en nog steeds vijandig stonden tegenover hun overheersers, hulp kregen van geallieerde stammen van over het Kanaal. Onder deze reden lagen waarschijnlijk sterkere, persoonlijke en politieke motieven. Het is bekend dat in de Romeinse tijd een veldheer populariteit kon bevestigen of creëren door overwinningen te behalen of nieuwe gebieden te veroveren. Voor Caesar was dit waarschijnlijk niet anders. Hij had mogelijk verhalen gehoord over de rijkdom aan mineralen van Brittannië, vooral aan zilver en goud. Ook was het met de verovering van het eiland mogelijk om veel inwoners gevangen te nemen en te verkopen als slaaf, om zo zijn rijkdom te vergroten.

Caesar had Gallië in relatief korte tijd ingenomen en dacht dat de invasie van Groot-Brittannië hem even makkelijk af zou gaan. Hij beschreef tegenover de senaat de Britse Kelten dan ook als domme barbaren die makkelijk te verslaan waren, wat tegenstrijdig was met het algemene beeld van de Romeinen over de Britten, die door levendige handelscontacten in aanraking waren gekomen met Britse nijverheidsproducten. Tegen de tijd van de eerste invasie had Brittannië al levendige handelscontacten met het Romeinse rijk. Caesar probeerde via handelaren informatie te krijgen over de Britse stammen, hun macht en tactieken en de kustlijnen, maar had hierin geen succes. Zijn vervormde beeld kwam deels door de foutieve informatie die hij van de handelaars had gekregen, deels was dit natuurlijk ontstaan uit het persoonlijk gewin dat hij zou maken als de senaat het voorstel tot invasie goed zou keuren.

Nadat een jaar van tevoren een oorlogsschip op verkenning uit was geweest om een goed strand voor een landing uit te zoeken, zeilde op 24 augustus in 55 v.Chr. de Romeinse vloot uit naar de Engelse kust met de legioenen VII en X, die in totaal uit ongeveer 10.000 manschappen moeten hebben bestaan. De volgende ochtend lagen de schepen voor anker bij de kliffen van Foreland. De Britten wachtten hen met een bijeengeroepen leger op langs de kliftoppen. Toen de Romeinen dit zagen, gaf de leider van de vloot een koerswijziging door: het nieuwe plan was te landen tussen Walmer en Deal. Hier kwamen de Romeinen aan land en ontmoetten de Cantiacii, die de vloot hadden gevolgd. Caesar koos ervoor zijn schepen op laag tij voor anker te laten gaan wat betekende dat de soldaten ongeveer 180 meter naar de kust moesten waden, terwijl ze ondertussen beschoten werden door de Keltische boogschutters. Caesar schrijft hierover:

“Wij bevonden ons in de moeilijkste omstandigheden: de schepen konden wegens hun grootte niet dan in diep water voor anker gaan; de soldaten, omdat ze met de plaatselijke gesteldheid onbekend waren, belemmerd in het vrije gebruik van hun handen en bezwaard met de drukkende last van hun wapenrusting, moesten tegelijk van de schepen afspringen, in het water post vatten en met de vijanden vechten, terwijl deze óf op het droge, óf een weinig in het water voorwaarts gemarcheerd, al hun ledematen tot hun vrije beschikking hebbende en met de plaats goed bekend, stoutmoedig hun werpspiesen slingerden en hun afgerichte paarden aanzetten. Door dit alles raakten de onzen onthutst en ze toonden, omdat ze geheel en al onervaren waren in gevechten van deze aard, niet dezelfde opgewektheid en dezelfde ijver als zij in de gevechten te land gewoonlijk aan de dag legden. Toen Caesar dat bemerkte, liet hij de oorlogsschepen van welke de uiterlijke verschijning aan de vijanden ongewoon was en die door hun bewegelijkheid gemakkelijker waren te gebruiken, een weinig van de transportschepen verwijderen, voorwaarts roeien en zich in de ongedekte flank van de vijanden opstellen om hen van daar met slingers, pijlen en werpmachines terug te drijven en te verjagen; een maatregel die voor de onzen van groot voordeel was. Want de gedaante van de schepen, de beweging van de roeiriemen, het voor hen ongewone soort van geschut, maakte alles een grote indruk op de barbaren; zij weken, zij 't ook slechts een weinig, terug. Maar toen ook nu nog onze soldaten aarzelden, voornamelijk wegens de diepte van het water, smeekte de vaandeldrager van het tiende legioen de goden, dat zij zijn daad tot heil voor het legioen mochten laten gedijen. ‘Kameraden,’ zo riep hij daarop, ‘jullie moeten van de schepen springen, als jullie de adelaar niet prijs willen geven aan de vijanden; ik ten minste zal mijn plicht doen tegenover het vaderland en de veldheer!’ Toen hij dit met een luide stem had gezegd, sprong hij overboord en ging met de adelaar in de hand op de vijand af.” (De bello Gallico, boek IV, 24 – 25)

Omdat de standaard vrijwel heilig was voor het legioen, volgden de andere legionairs de drager van de standaard naar de kust. Het duurde tot zeven ’s avonds tot de Romeinen het strand in hadden genomen. Er kwam een kort vredesverdrag tot stand.

Op de vierde dag van deze landing verslechterde het weer op zee dusdanig, dat achttien transportschepen met cavalerie teruggedreven. Ook was er in diezelfde nacht een equinox die springtij veroorzaakte. De Britten wisten dit, maar hadden het niet gemeld tijdens het vredesoverleg. De golven kwamen tot ver op het strand en vernietigden of vernielden een groot deel van de schepen die op land lagen. Met grote moeite wisten de Romeinen op twaalf na al hun schepen te repareren.

Toen de Kelten de legioenen in zulke ontreddering zagen, vielen ze opnieuw aan en braken het vredesbestand. Het legioen VII werd bij verrassing overvallen en merkten tot hun grote verbazing dat deze ‘barbaren’ wel degelijk tactiek hadden. De Romeinse legioenen waren getraind om tegen infanterietroepen te vechten, maar stonden nu tegenover snelle ruiters en strijdwagens, tegen wie hun tactieken en wapens niet bestand waren. Ze wisten met moeite te ontsnappen.

De Britten zagen hun kans op succes stijgen en zonden boodschappen naar andere stammen om troepen op te roepen. Omdat Caesar door de storm vrijwel geen cavalerie meer bezat, realiseerde hij zich dat zijn legermacht te klein en te immobiel was om grote overwinningen te behalen. Hoewel ze de Kelten enige keren versloegen, moesten ze zich al snel terugtrekken om hun positie te behouden, aangezien ze zich niet goed genoeg hadden gevestigd om een stabiele basis in Brittannië te houden.

2de expeditie
Caesars tweede expeditie in 54 v.Chr. was gedetailleerder gepland en gebaseerd op een groter aantal troepen, namelijk 5 legioenen en 2.000 man cavalerie. Caesars bedoeling voor de tweede expeditie is onduidelijk, mogelijk wilde hij politieke controle over Groot-Brittannië krijgen, de stammen straffen voor zijn nederlaag van vorig jaar - die hij overigens als overwinning rapporteerde aan Rome - of sterkere handelsbanden tussen het eiland en het Romeinse rijk creëren. Caesar was vastbesloten om deze keer te winnen.

Hij had al gemerkt dat een ongeziene landing niet mogelijk was door de open ligging van de stranden aan de zuidkust en de loyaliteit van de handelaars, die de komst van het leger zeker aan de Britten zouden melden. Hoewel ze inderdaad op de hoogte waren van het vijandelijke leger, boden de Kelten niet veel verzet tegen de grote strijdmacht. Ze trokken zich terug naar een genotificeerde positie.

Deze was wel geschikt om rovers en plunderende krijgers van naburige stammen tegen te houden, maar bleek minder goed bestand tegen de kracht van het Romeinse leger. De legionairs van het legioen VII bouwden een helling tegen de muur van het fort terwijl ze hun testudo-formatie aanhielden tegen de regen van pijlen die af werd geschoten. Na het bouwen van de helling stormden de soldaten naar boven en hakten zich een weg door het fort, terwijl ze de Britten wegdreven naar de bossen.

Terwijl de legionairs rustten na het gevecht, dat het grootste gedeelte van de dag had geduurd, begon het Britse weer hun weer parten te spelen. De Romeinse vloot die aan de kust voor anker lag, werd door een sterke storm beschadigd, waardoor Caesaer zijn troepen niet verder kon laten trekken, maar moest laten blijven voor de reparaties.

De vertraging die het vervoer en de reparatie van de boten opleverde, gaf de stammen de tijd om allianties te sluiten om gezamenlijk het Romeinse leger te bestrijden. Verschillen tussen de stammen werden opzij geschoven, aangezien het alleen met elkaar mogelijk was om de binnendringers te verslaan. De Britten hadden zelfs een gemeenschappelijke leider aangewezen, Cassivellaunus, de leider van de Catuvellauni. Toen na wat schermutselingen Caesar drie legioenen met ondersteunende cavalerie ten aanval zond tegen de gebundelde strijdmacht, hadden de Britten al door dat deze expeditie beter georganiseerd was dan die van het jaar daarvoor. De stammen trokken zich terug tot achter de Thames, waar ze verdedigingen onder water hadden geplaatst. De legionairs waren echter gewend aan dit soort verdedigingstactieken en staken zonder veel belemmering de rivier over. Toen ze de rivier over waren getrokken, duwden ze de Britten verder noordwaarts.

Cassivellaunus realiseerde zich dat het bijeengeraapte leger op deze manier zo nooit de vijand kon verslaan, dus hij veranderde van tactiek. Hij liet zijn troepen terugtrekken en behield alleen 4.000 strijdwagens om de legioenen te bestoken. Dit was niet bedoeld als een aanval, maar om als vertraging te werken voor het oprukkende leger, zodat de stamleden met hun vee weg konden trekken van de invallers en hun velden verbranden. Dit werkte en resulteerde in een patstelling tussen de twee strijdmachten.

Hierna keerde Caesar het tij van de oorlog door een van de stamleden te gebruiken. Een jonge prins van de Trinovantes was naar Gallië gekomen om zijn bescherming te zoeken, aangezien zijn vader was gedood door Cassivellaunus. De bescherming kreeg hij en hij werd daarmee een trouwe bondgenoot van Caesar. Hij wist zijn stam over te halen om de Romeinen voedsel te verlenen en zich over te geven aan Rome. De Trinovantes gaven informatie over de kampen van Cassivellaunus, die onmiddellijk werden geplunderd. Het vee werd meegenomen en veel van de Britten werden gedood. In een laatste poging de indringers te verslaan vielen de zuidelijke stammen een vijandelijk kamp in Kent aan om het contact tussen de Romeinen en het vaste land af te snijden. Dit mislukte. Cassivellaunus bevond zich nu in een moeilijke situatie en hij benaderde Caesar met de bedoeling vrede te sluiten. Commius werd gezonden als onderhandelaar. Op dit punt werd bericht ontvangen over serieuze problemen in Europa en zag Caesar zich gedwongen om zichzelf en zijn legioenen terug te trekken. Voordat dit gebeurde nam hij wat krijgsgevangenen, stelde hij een belastingstelsel in en beval hij Cassivellaunus om de Trinovantes niet in te vallen. In de herfst van 54 v.Chr. verlieten de Romeinen Groot-Brittannië voor de tweede keer.

3de expeditie – de verovering
In de tijd tussen de tweede en de derde Romeinse expeditie in Groot-Brittannië was Rome al vier keer verwisseld van machthebber en was de republiek overgegaan in de keizertijd. Ook in Groot-Brittannië waren de politieke verhouding anders geworden, de Catuvellauni hadden een groot deel van zuidoost-Engeland ingenomen. In 43 n.Chr. was hun koning, Cunobelinus, gestorven en hadden zijn twee zoons de troon bestegen. Dit veroorzaakte een verandering in de machtsverhoudingen op het eiland.

Rome had tot nu toe alle politieke en handelsrelaties met het eiland levend gehouden. Handel bloeide vooral in metalen. De Spaanse zilvermijnen raakten langzaam uitgeput en Groot-Brittannië had genoeg bronnen. Ondanks de levendige handel groeide de onvrede en het wantrouwen tegen de Romeinen, onder andere door de belastingen die de Britten moesten betalen. Daarnaast zou een invasie de aandacht afleiden van de gespannen verhouding tussen de senaat en de toenmalige keizer, Claudius, en zou een overwinning zijn populariteit doen stijgen Het Romeinse rijk beleefde een periode van vrede en dus was het niet moeilijk om voldoende soldaten bijeen te brengen.
Vier jaar daarvoor had Caligula een soortgelijke missie gepland, maar deze was afgebroken. De hoofdreden hiervoor was dat de Romeinen nog nooit twee keer dezelfde vijand hadden ontmoet en twee keer waren verslagen. Ook had het Kanaal de vorige invasielegers tot twee keer toe ernstige schade toegebracht.

Wegens het onvoorspelbare weer was Plautius, de leider van de invasie, gedwongen om de landing uit te stellen tot laat in het jaar. De schrijver Dio Cassius meldt dat er drie landingsdivisies waren. Dit zou kunnen betekenen dat er ook drie landingsplekken waren, wat de Britse verdediging moeilijk maakte, of dat er drie lijnen schepen waren die op dezelfde plek landden, waarbij de eerste divisie die landde de aankomst van de andere twee zou veilig stellen. Dit laatste is het waarschijnlijkst, aangezien er bij een gevecht dat kort na de landing volgde drie legioenen betrokken waren, het vierde legioen dat mee was gekomen met de expeditie stond waarschijnlijk in reserve. De landing bij Richborough lukte zonder enige weerstand van de Britten, waarschijnlijk omdat verkenners van te voren de minst bewaakte route hadden uitgezocht.

Het nieuws over de aankomst van de Romeinen bereikte Caratacus, een van de zoons van Cunobelinus, al snel. In plaats van al zijn strijders bijeen te roepen om ten strijde te trekken, wachtte hij en verzamelde zoveel mogelijk soldaten van andere stammen voordat hij het Romeinse leger tegemoet marcheerde. De stammen waren verdeeld over de vreemdelingen, de zuidoostelijke stammen waren voornamelijk anti-Romeins en zouden hun leefgebied zeker verdedigen. Ten noorden van de Thames leefden de stammen die gunstiger gezind waren tegenover de invallers. Dit paste perfect in het Romeinse veroveringsbeleid: verdeel en heers. Op een oever van de rivier de Medway sloeg Caratacus met zijn mannen het kamp op en wachtte op het invasieleger.

Het Romeinse leger naderde via een oude prehistorische weg, die nu bekend staat als de Pelgrimsweg. Nadat de oevers van de Medway waren bereikt stelde Plautius zijn troepen op op hoger gelegen grond, zodat ze uitzicht hadden een deel van het tegenwoordige Essex en het Britse leger op de andere oever. De verenigde stammen bleven wachten en vroegen zich verwonderd af hoe hun vijand de rivier over zou steken en de afstand van 500 meter die nog tussen de beide strijdkrachten in lag, zou overbruggen. De Romeinen deden dit met hun gebruikelijke schijnbeweging, ze deden eerst alsof ze een route zouden nemen, maar trokken dan via een andere, onverwachte route op. Het gevecht duurde twee dagen, dat was naar Romeinse begrippen lang, aangezien er twee aparte aanvallen werden gedaan op de Britten. Uiteindelijk werd hij toch door de Romeinen gewonnen.

Na dit gevecht trokken de Britten terug naar het punt waar de Tames in de zee uitmondt. Hier waren ze er zeker van dat ze een eventuele vijandelijke oversteek konden tegengaan, aangezien ze goed bekend waren met de rivier en zijn getijden. Deze getijdenwisselingen zorgden voor veranderingen in de stroom van de rivier en het was zeer moeilijk om zonder kennis hiervan de rivier over te steken. De Romeinen deden geen poging een confrontatie met de vijand aan te gaan, maar gebruikten een brug verder stroomopwaarts. Het is waarschijnlijk dat deze brug ter plekke was gemaakt, aangezien het een zeer logische zet van de stammen zou zijn een brug over de Tames te vernietigen. Er zou zeker een brug over de Tames zijn geweest voor de handel. Het is niet helemaal duidelijk waar de Romeinse brug heeft gelegen, mogelijk lag deze bij Brentford of meer in de oostelijke richting, bij Westminster. Na de vertraagde oversteek van de Romeinen ontstond een gevecht, dat door de invallers werd gewonnen.

Het Keltische, uitgedunde leger was geen partij tegenover de vier Romeinse legioenen. Caratacus plande vredesonderhandelingen met Rome, zodat hij de tijd had om een nieuwe strategie te bedenken. Hij had veel krijgers verloren en degenen die over waren gebleven hadden een laag moreel. Bovendien was hij nu nog maar de enige leider, want zijn broer Togodumnus was gestorven, mogelijk aan de wonden die hij had gekregen bij het vechten. Maar ondanks deze feiten bleef Caratacus’ vechtlust, hoewel zijn troepen gedemotiveerd waren. De keizers van Rome waren arrogant, en dit bleek nu. Claudius was een tijd geleden vertrokken en had Plautius verboden de hoofdstad, Camulodunium, het huidige Colchester, aan te vallen. Dit moest onder leiding van de keizer zelf gebeuren. Plautius zond Claudius een boodschap dat alleen de aanwezigheid van de keizer de Romeinse legioenen overwinning zou brengen, maar deed dit waarschijnlijk met tegenzin en ergernis. Hij wist dat de vechtstop de Britten in staat zou stellen meer troepen te ronselen en dat Caratacus en zijn familie konden vluchten. Als ze aan zouden vallen, zou Caratacus waarschijnlijk gedood worden. Het zou ongeveer zes weken duren voordat Claudius aankwam, dus Plautius nam zijn tijd om zijn positie in het zuidoosten te versterken.

De stammen, verwonderd doordat de Romeinen gestopt waren, gebruikten de tijd om contact te zoeken met de overige leiders van het land. De mening van de andere stammen was verdeeld over de Romeinen. Cartimandua van de Brigantes, een van de machtigste stammen, steunde Rome al. In het westen, in en over de grens van het tegenwoordige Wales, was het heuvelvolk vastbesloten de strijd met de vijand voort te zetten. De druïden van deze stam hadden al een plan opgesteld, ze hadden Angelsey als terugtrekkingsoord. Ze zagen Caratacus als enige leider die de westelijke stammen kon verenigen tegenover de Romeinen en nodigden hem op hun eiland uit. Caratacus en zijn volgelingen namen afscheid van hun medestrijders en trokken westwaarts naar het onbekende en veilige territorium van de druïden.

Plautius besloot naar het zuidwesten te marcheren en zo de hoofdstad te vermijden. Dit zou niet alleen zijn troepen bezig houden, maar gaf hem ook de mogelijkheid meer land te bezetten, zonder de instructies van Rome te negeren. De Keltische vloot lag nog steeds voor anker in wat mogelijk de haven van Bosham was. De Britten verwachtten een aanval vanuit het land, wat Plautius zeer goed wist en waardoor hij besloot een aanval vanuit zee te wagen en zo de westelijke stammen bij verassing overmeesteren. Hij kon maar een legioen sturen, het legioen II Augusta met Vespasianus als hun bevelhebber. Dit legioen onderwierp een groot deel van de rest van het eiland aan de Romeinse overheersing. De resterende drie legioenen waren nodig voor het vertoon dat bij de komst van de keizer nodig was. Terwijl Vespasianus en zijn legioen optrokken naar het zuidwesten, schijnen er volgens de schrijver Suetonius 30 gevechten zijn uitgevochten, waarbij twee vijandige stammen werden verslagen en 20 steden en het eiland Wight werden ingenomen. Vespasianus kwam tot aan Devon, maar ging niet verder aangezien de stammen ten westen van Devon pro-Romeins waren. Toen Claudius was gearriveerd, trokken de legioenen onder zijn leiding op naar Camulodunum. Echter, Claudius was geen militair, dus het is waarschijnlijk dat de Catuvellauni al zo goed als verslagen waren toen de Romeinen de stad innamen. Suetonius vermeldt dat de overgave van de stammen gebeurde zonder enig verder gevecht of bloedvergieten.

Door de officiële verovering van Brittannië kreeg Claudius veel prestige. Er werden speciale munten gedrukt en twee triomfbogen gemaakt, een in Rome en een aan de kust bij het Kanaal. Zowel Claudius als zijn zoon kregen de titel Britannicus en aan Claudius’ echtgenote Messalina werd zelfs een zetel in de senaat toegekend. Hier had ze niet lang profijt van, want ze zou spoedig ter dood gebracht worden wegens hoogverraad.
In 60 n.Chr. kwamen de Romeinen erachter dat de onderdrukking van de bevolking van veroverde landen slechts tot onvrede en rebellie zouden leiden. Verschillende Britse stammen kwamen onder leiding van de Iceni-koningin en druïde Boudicca in opstand tegen het heersende regime. De onderdrukking hiervan en de daarop volgende genocide leerden de overheersers dat het beter was de Britten te leren samen te werken en te tonen hoe hun leven zou kunnen worden verbeterd door het deel uitmaken van het Romeinse rijk. De Kelt en de Romein werkten zij aan zij om het land opnieuw op te bouwen. Langzaamaan werden de stamleden omgevormd tot Romeinse burgers.

Zie ook:

Bouw van een steencirkel
Functie van een steencirkel

Avebury

Stonehenge

Celtic Webmerchant:

               
Gladius Caesar €49,75               Keltische helm  €82,93                 Keltisch zwaard €64,65

 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact