De slag bij Mons Graupius
De
slag van Mons Graupius was onderdeel van de Romeinse campagne tegen
Schotland die Schotland bij het Romeinse rijk moest voegen. De slag werd
uitgevochten in de zomer van 83 of 84 n.Chr. Voor de campagne stuurde
Gnaeus Julius Agricola, de gouverneur van Brittannië en Romeinse
generaal, zijn vloot vooruit om de Schotse hooglanden te plunderen en
paniek te zaaien onder de Caledonii en de Picten. Intussen trok
Agricola’s hoofdleger op met de auxiliae, de huursoldaten van het
Romeinse leger.
Aanloop
Agricola voerde zijn zevende campagne tegen de Picten en had een
beslissende strijd nodig. Misschien was de overwinning nodig om het nut
van zijn lange gouverneurschap te bewijzen. Ook had hij een zware
tegenslag te verduren gehad: zijn zoontje was overleden. Het voeren van
oorlog was wellicht een middel tegen zijn verdriet.
Voor
lange tijd ontweken de Caledonii en de Picten de fout die hun zuidelijke
buren duur was komen te staan. In plaats van oorlog te voeren op een
open slagveld, kozen ze voor een guerrillastrijd in de onbegaanbare
Schotse gebieden. Toen het Romeinse leger optrok naar de belangrijkste
bevoorradingsplaats van de stammen en de korenvelden dreigde te
vernietigen, moesten de Picten een open oorlog riskeren om uithongering
te voorkomen. De verschillende stammen bundelden hun krachten om het
gezamenlijke gevaar af te kunnen wenden.
Mons Graupius volgens Tacitus
De
slag bij Mons Graupius is vastgelegd door de Romeinse geschiedschrijver
Publius Cornelius Tacitus in zijn werk ‘De vita et moribus Iulii
Agricolae‘ ‘Over het leven en de gebruiken van Julius Agricola’,
hoofdstuk 29 t/m 37. Agricola liet, na de afloop van zijn consulaat,
zijn dochter huwen met Tacitus. Agricola ontving in die periode diverse
promoties. Tacitus had persoonlijke redenen om zijn schoonvader in een
goed licht te zetten, daarom is zijn verslag van de veldslag niet geheel
objectief. Delen van de veldslag die duidelijk rampzalig hadden kunnen
aflopen heeft hij niet vermeld.
Calgacus
De
Picten werden tijdens de veldslag geleid door Calgacus. Tacitus noemt
hem de meest waardige hoofdman van allen, hij ‘blinkt van alle leiders
uit in dapperheid en adel’. Hij beschrijft hoe deze zijn troepen voor de
veldslag toesprak:
(Fragment uit de rede van Calgacus)
“Telkens als ik kijk naar de oorzaken van de oorlog en onze benarde
positie, heb ik er alle vertrouwen in dat
deze dag van jullie eendracht
voor heel Brittannië de vrijheid in gaat luiden! Want jullie doen nu
allemaal samen en zijn nog altijd vrij van slavernij. Er is geen land
meer achter ons en zelfs de zee is niet meer veilig door de dreiging van
een Romeinse vloot. Strijd en wapens, de trots van de moedigen, bieden
nu dus ook lafaards de beste bescherming. In de eerdere slagen, die met
wisselend succes tegen Rome zijn geleverd, had men ons nog achter de
hand, was er nog hoop op steun. Want wij zijn de edelsten van heel
Brittannië en wonen daarom ook in de binnenste gebieden. We hebben geen
uitzicht op land van slaven overzee, dus zelfs onze ogen zijn niet
bezoedeld door tirannie. In deze uithoek van land en vrijheid zaten wij
tot op de huidige dag veilig, juist dankzij die verre ligging en de vage
berichten over ons. Maar nu ligt het randgebied van Brittannië open, en
wat onbekend is lijkt altijd fantastisch. Er is geen volk meer achter
ons, enkel golven en rotsen en die nog gevaarlijkere Romeinen. Aan hun
arrogantie is niet te ontkomen, zelfs niet met gehoorzaam en bescheiden
gedrag. Rovers van de wereld zijn het: nu ze alles hebben verwoest en er
geen land meer over is, doorzoeken ze de zee. Is de vijand welvarend?
Dan zijn ze inhalig. En is hij arm, dan willen ze de macht. Het Oosten,
het Westen -- nooit hebben ze genoeg! Zij zijn absoluut de enigen die
even fel azen op rijkdom en armoe. Roven, moorden en plunderen noemen
zij met een leugen "heerschappij" en als ze een woestenij hebben
aangericht spreken ze van "vrede".”
Verder zijn er tijdens of na de veldslag geen meldingen van Calgacus
gemaakt door Tacitus of andere bronnen. Zijn naam kwam niet op de lijst
met gevangen voor. Wat er met deze Pictische aanvoerder is gebeurd
tijdens en na de veldslag is dus onbekend.
Agricola
De Romeinen werden tijdens de veldslag geleid door Agricola. Volgens
Tacitus sprak hij het Romeinse leger voor de strijd toe met deze
woorden:
(Fragment uit de rede van Agricola)
'Zeven jaar al, beste medesoldaten, hebben jullie uit de kracht en in
naam van het Romeinse rijk, en met ons aller loyaliteit en inzet zeges
over Brittannië behaald. Bij al die expedities, al die slagen, en of nu
dapperheid tegen de vijand geboden was of volharding of harde actie,
desnoods tegen de natuur: nooit had ik te klagen over mijn soldaten, en
jullie niet over je generaal. Zo hebben wij grenzen overschreden, ik die
van de oude gouverneurs, jullie die van de legers van vroeger, en we
bezetten nu de rand van Brittannië, niet in naam of bij geruchte, maar
met een gewapende macht. Brittannië is ontdekt en onderworpen. Op mars,
toen jullie afgemat raakten van moerassen en bergen en rivieren, toen
hoorde ik de dappersten vaak roepen: "Wanneer komt de vijand nu? Wanneer
is het zover?" Hier komen ze dan, uit hun schuilplaatsen verdreven! Ruim
baan voor jullie wensen, jullie moed! Wie overwint heeft alles mee,
zoals wie verliest alles tegen heeft. Want zo'n enorme afstand afleggen,
bossen doorkruisen, delta's oversteken, dat is prachtig en eervol zolang
het voorwaarts gaat, maar op de vlucht terug is alles wat vandaag zo
gunstig is enorm gevaarlijk! Want we hebben niet evenveel terreinkennis
en niet evenveel overvloed aan proviand, alleen onze handen en wapens,
waar alles van afhangt. Om voor mezelf te spreken, ik vind het allang
een uitgemaakte zaak dat vluchten onveilig is voor leger én generaal. Zo
sla ik dan ook een respectabele dood hoger aan dan een leven in smaad.
Veiligheid en eer liggen hier bij elkaar. En het is misschien ook niet
roemloos te sneuvelen op de uiterste grens van de wereld en de natuur.
Verloop van de veldslag
Opstelling
De
Pictische stammen waren in de meerderheid, er streed 30.000 man tegen
20.000 Romeinse soldaten. De Picten waren strategisch opgesteld
op een oplopend hoger gelegen terrein. Er waren twee ongunstige
scenario’s voor het Romeinse leger zoals beschreven in handboeken voor
aanvoerders, namelijk ongelijk terrein en een zachte of modderige
ondergrond. Vooral op heuvelachtig terrein kon de tegenstander met meer
kracht aanvallen en door de glooiing was het voor het benadeelde leger
zwaarder om te strijden. De auxiliae vormden het midden
van de linie met de cavalerie op de vleugels en de Romeinse legioenen
stonden achteraan voor de palissade. Volgens Tacitus stonden de
auxiliae, huurlingen en dus niet-Romeinse burgers, vooraan omdat
Agricola de strijd wilde winnen zonder Romeins bloed te verspillen. Het
is echter aannemelijker dat de auxiliae vooraan stonden omdat zij
als lichte soldaten goed in staat waren de helling op te rennen, in
tegenstelling tot de zware Romeinse legioenen. Ook zouden de
legioenen vooraan benadeeld zijn geweest omdat zij getraind waren elkaar
in kleine groepen te verdedigen. Als de linie opbrak en de groepen door
elkaar raakten, werd de verdediging rampzalig. De auxiliae hadden
genoeg aan de verdediging die hun uitrusting hen bood.
De strijd
Aan
beide kanten werd de veldslag ingeluid door een grootschalige
beschieting: de Romeinen schoten projectielen en de Picten gooiden
speren. Vervolgens trokken de Pictische strijdwagens op om de Romeinse
legioenen van dichtbij uit te lokken en te beschieten. De Romeinse
cavalerie had al snel de overhand en sloeg de strijdwagens terug, waarop
de stammen op een paar groepen na hun infanterie in de strijd tegen de
Romeinse cavalerie wierpen. Dit had effect en veel paarden kwamen om. De
cavalerie werd teruggeduwd naar de flank waar ze vandaan kwamen en de
krijgers van de stammen stonden zo precies in de flank van de Romeinse
infanterie. De Romeinse paarden raakten in paniek en vluchtten dwars
door de dichte linies van de Romeinse auxiliae heen. Op dit
moment was het duidelijk dat de stammen zo de slag zouden kunnen winnen.
De
Picten riepen nu hun hulptroepen in die het Romeinse leger probeerden te
omsingelen. Agricola zag deze manoeuvre en stuurde zijn reserve-eenheid
en vier eskadrons cavalerie ten aanval. De vier cavalerie-eenheden
raakten achter de Pictische linies, Tacitus heeft de veldslag zodanig
beschreven dat dit de hele veldslag leek.
Door
de vijandelijke cavalerie achter de Pictische linie moesten de stammen
aan twee fronten vechten. Volgens Tacitus heerste nu vooral chaos en
paniek onder de Picten, er was geen eenheid meer en iedereen vocht voor
zich. ‘Alom wapens, lijken, afgerukte ledematen, bloed op de grond.’ Het
aantal slachtoffers nam toe. Hierop beval de Pictische leider de
aftocht. Onder de Picten vielen veel slachtoffers, vooral door de
najagende cavalerie. De veldslag had desondanks nog nadeliger kunnen
zijn voor de Picten wanneer ze hadden doorgevochten, daarom lieten ze de
strijd onbeslist. Voor de veldslag beseften ze al dat het onmogelijk was
een Romeins leger op het open veld te verslaan. Er waren tienduizend
Picten gedood en aan de Romeinse kant driehonderd zestig.
Na de veldslag
De
Picten stelden waarschijnlijk een hinderlaag op in de dichtstbijzijnde
bossen. Agricola zag dit gevaar en beval zijn soldaten niet verder door
te trekken, wat hij later zou herroepen. Na de veldslag evacueerden de
Picten de gehele omgeving rond Mons Graupius. De Romeinse bevelhebbers
achtten de veldslag gewonnen, maar dit betekende niet dat de oorlog al
voorbij was.
Agricola beval uiteindelijk toch om het bos in te trekken, Tacitus geeft
de indruk dat ze dit net diep genoeg deden om er zeker van te zijn dat
de Picten niet hun kans afwachtten totdat de Romeinen het slagveld
zouden verlaten. Nadat het bos veilig was verklaard, liet Agricola het
leger onmiddellijk terugtrekken van het slagveld.
Tacitus beschrijft in zijn ophemeling van de Romeinen een glorieuze
nacht voor de overwinnaars. ‘Bij de overwinnaars werd het een
feestelijke nacht door alle vreugde en buit. Maar de Britten doolden
rond en sleepten onder gemengd gesteun van mannen en vrouwen gewonden
weg, riepen de ongedeerden, ontruimden huizen en staken die woedend zelf
in brand, en zochten schuilplaatsen om die direct weer te verlaten.’
Al
vroeg in de ochtend werd de Romeinse cavalerie op verkenning gestuurd.
Wat ze aantroffen wordt door veel historici gezien als het rampzalige
gevolg van de Romeinse overwinning. Alle huizen waren verlaten, overal
doodse stilte, het vee was weg en de verkenners troffen niemand aan. Dit
zou het gevolg kunnen zijn van de evacuatie die de vorige dag had
plaatsgevonden, maar dit valt niet te bewijzen. Tacitus schrijft dat
alles dat de Romeinen met de slag hadden gewonnen verbrande velden en
huizen waren, dit betekent niet dat de Romeinen de lokale bevolking,
potentiële belastingbetalers, hadden uitgeroeid. Agricola leidde zijn
leger nu naar het gebied van de Boresti omdat de oorlog niet uitgebreid
kon worden aan het eind van de zomer.
Theorieën
Door
het ontbreken van archeologische onderbouwing heeft Mons Graupius nog
vele vragen onbeantwoord gelaten. Wat bedoelt Tacitus met de vermelding
dat Agricola zijn leger na de veldslag naar het gebied van de Boresti
leidde? De Boresti was de enige stam die Tacitus naast de Caledonii
noemde. Op
dit moment is niet bekend waar deze stam zich na de veldslag
bevond, maar waarschijnlijk ergens in Aberdeenshire. De Romeinen hadden
immers Boresti gevangen genomen tijdens de veldslag.
Het
leger keerde daarna terug naar het winterkwartier, wellicht lag dit aan
de rivier de Tay. Tacitus maakt duidelijk melding van het feit dat
Agricola het leger langzaam liet marcheren. Hij noemt het zelfs de
traagheid van het leger. Waarom deed Agricola dit? Tacitus beweert dat
het was om de lokale stammen die ze voorbij trokken angst aan te jagen.
Maar niemand zou bang zijn geweest voor langzaam lopende Romeinen in
plaats van snel marcherende.
Duidelijk is dat Agricola een briljant generaal was. Hij gebruikte het
langzame marcheren dan ook zeker als strategie. Het is mogelijk dat hij
niet tevreden was met deze halve overwinning en hoopte dat de Picten een
tweede poging zouden ondernemen, langzaam marcheren zou anders zinloos
zijn geweest. Dit wijst erop dat het Pictische leger niet zo
vernietigend was geraakt door de Romeinen dan dat altijd is aangenomen.
Ondanks Tacitus’ vermelding van de Romeinse overwinning lijkt het erop
dat Agricola zich er bewust van was dat het Pictische leger nog bestond.
Agricola heeft het Romeinse leger zodoende van een ramp gered. Een
andere generaal zou er mogelijk vanuit zijn gegaan dat de barbaren na de
slag op de vlucht sloegen. Hij zou het leger laten bijkomen en terug
laten trekken naar het winterkwartier, niet lettend op hinderlagen.
Wat
er enige jaren later gebeurde bewijst nogmaals dat de nederlaag op Mons
Graupius helemaal niet zo groot was als beschreven. De Romeinen verloren
het gehele negende legioen, waar tot op heden geen spoor van terug is
gevonden. Ze zagen zich genoodzaakt de forten die ze hadden gebouwd te
verlaten en zich terug te trekken. Ze trokken zelfs tot aan Newcastle in
het huidige Engeland. Vervolgens bouwden ze een enorme muur over de
breedte van het hele land. Dit alles om de Pictische bedreiging tegen te
houden. De Romeinen voerden later nog twee andere expedities, beide
mislukten. Na de laatste expeditie betaalden de Romeinen de Picten zelfs
in ruil voor vrede.
Velen beweren dat de Romeinen uit Caledonia terugtrokken omdat ze
troepen nodig hadden bij de Rijn. Als dat de reden was, dan blijft de
vraag waarom de Romeinen niet uit geheel Brittannië terugtrokken,
hierdoor zouden veel meer troepen vrij komen om vervolgens weer gebieden
bij de Rijn in te nemen. Een logischere reden is dat de Romeinen de
Picten simpelweg niet konden verslaan.
Conclusie
Mons
Graupius was waarschijnlijk de enige open veldslag tussen de Picten en
Romeinen. De Picten trokken zich vroegtijdig terug om het aantal
slachtoffers beperkt te houden en de veldslag bleef onbeslist, hoewel er
aan de Romeinse kant relatief weinig slachtoffers vielen en zij zich dus
de winnaars van de veldslag achtten. Ze waren op hun hoede voor nieuwe
hinderlagen van de Picten en trokken naar het winterkampement. Enige
jaren later verdween het Romeinse negende legioen spoorloos en mislukten
verschillende Romeinse expedities. De maat was vol en uiteindelijk
trokken de Romeinen zich terug uit Caledonia. De strijd die de Romeinen
vochten tegen de Picten komt overeen met de oorlog die de Amerikanen
tegen de Vietnamezen verloren. De Romeinse oorlogvoering was niet
opgewassen tegen de Pictische guerillatactieken.
Type onderzoek:
Secundair literair bronnenonderzoek