Welshe oorlogsvoering

Krijgers
Hoewel in geheel Europa het feodale stelsel zijn invloed had op de oorlogvoering, was dit in Wales niet geheel het geval. De krijgers uit laat-Romeins en vroeg middeleeuws Keltisch Wales werden nog steeds gebruikt en verder ontwikkeld.
De Welshe legers werden opgesteld rond de Teule, persoonlijke bodyguards van de prinsen en stamhoofden. De Teulu, wat in het Welsh familie betekent, waren zwaarbewapende ruiters. Elke strijder van de Teulu werd Uchelwr genoemd. Ze waren bewapend als een feodale ridder met maliën en helm, een schild en een lans. Vroeger droegen ze waarschijnlijk werpsperen. De grootte van de Teulu lag normaalgesproken rond de 140 man.
Hieromheen stonden alle lokale mannen van veertien jaar en ouder, behalve degenen die pachters van kerkelijke landerijen waren. Deze dienstplicht kon eens per jaar voor zes weken lang gelden, waarin de onderdanen hun prins buiten het prinsdom dienden. Dit werd niet als een plicht, maar als een voorrecht gezien. De noordelijke Welshmen leverden meestal infanterie met lange speren en de zuidelijke boogschutters. De boog die werd gebruikt, was gemaakt van iepenhout en werd van dichtbij afgeschoten, vaak als wapen voor een hinderlaag. De Welshe longbows die vaak werden gebruikt in Engeland, was een lange afstandswapen. Daarnaast werden er ook werpsperen, knotsen en bijlen gebruikt. Als bescherming had de infanterie een rond schild die was beschilderd in wit, geel, zilver of blauw.
Hulptroepen werden vaak gehaald uit Ierland en Scandinavië, maar Owain Glyndwr gebruikte bijvoorbeeld ook Franse huursoldaten.
De Welshe infanterie kleedde zich in een vaak rode, linnen tuniek en linnen broek. Hierover droegen ze een dunne wollen mantel tot hun knieën. Verschillende afbeeldingen tonen Welshe strijders met maar een schoen aan, waardoor ze beter evenwicht zouden kunnen houden op ruig terrein. Het haar was kortgeknipt en men droeg vaak snorren, maar geen baarden.
 
Tactiek
De tactiek van de Welshmen was toegespitst op het terrein van hun land. Hinderlagen en korte rooftochten waren veel voorkomend, men had meer succes naar mate men meer buit meebracht.
De Welshmen vochten graag op drassige grond, waardoor ze mobieler waren tegen met name de Engelsen. In het begin speelde de oorlogswoede een grote rol, maar wanneer de vijand verzet bleef bieden, daalde het moreel weer. Het moreel werd hooggehouden met oorlogsschreeuwen en trompetten.
De eerste aanval was woest en werd gesteund door werpsperen, waarna een schijnaanval werd gedaan, zodat de vijand dichterbij zou komen. Wanneer dit niet lukte, werden de Welshmen vaak verslagen.
Bij een belegering hongerden de Welshmen de kastelen en steden eerder uit dan een stormloop te doen. Ze maakten bijna geen gebruik van belegeringswapens, maar vertrouwden erop dat de vijand wel zou overgeven wanneer hij honger kreeg. In antwoord hierop bouwde Edward de 1ste dan ook kastelen aan de kustlijn, die makkelijk bevoorraad konden worden.
De Engelse lords gebruikten na de verovering van Wales vaak Welshe hulptroepen. Ze werden ingezet in Wales zelf, tegen Schotland – maar daar was het moreel erg laag – en in Ierland.

 

Zie ook:

Ierse oorlogvoering
Kelten, Saksen en Vikingen
Keltische oorlogen

Celtic Webmerchant:

        
Schots zwaard € 79,10                 Tweehandig zwaard   € 75,35      Enkelhandig Vikingzwaard € 70,15

 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact