De bisschopsoorlogen

De bisschopsoorlogen zijn de twee conflicten tussen Engeland en Schotland in 1639 en 1640, die werden veroorzaakt doordat Charles de 1ste de Schotse kerk probeerde te hervormen. De Episcopalianen, die de kerk bestuurd wilden zien door bisschoppen, stonden hierin tegen de presbyterianen, die de kerk door kerkcolleges wilden besturen. De presbyterianen verenigden zich in het Schotse Nationale Verbond en worden daarom ook Verbondenen of Covenanters genoemd. In november 1638 waren de Verbondenen aanwezig bij de Nationale Vergadering in Glasgow en wisten gedaan te krijgen dat de Anglicaanse bisschoppen uit Schotland werden ontslagen. Dit zorgde voor een crisis, die alleen met militair ingrijpen kon worden opgelost.

De eerste bisschopsoorlog

De voorbereidingen van de eerste oorlog startten in 1639, toen de Verbonden lords van Argyll, Montrose, Rothes, Balmerino en andere landgoederen in Edinburgh bijeenkwamen. De Schotse graafschappen kregen de opdracht manschappen te rekruteren en te trainen en de protestantse Schotten in het buitenland werden opgeroepen terug te keren om voor het Verbond te vechten. Alexander Leslie werd benoemd tot hoofd van de Verbonden troepen.

Voor Charles was oorlog een riskante strategie, omdat hij elf jaar lang zonder parlement had geregeerd en niet genoeg fondsen had om een campagne op te zetten. Voor deze fondsen was een parlement nodig, maar dat zou waarschijnlijk tegen hem stemmen. Daarom probeerde hij vanuit verschillende hoeken geld en troepen te halen. Hij wilde een leger van 20.000 man op de been brengen om Edinburgh aan te vallen, terwijl de earl van Antrim vanuit Ierland binnen zou vallen en de markies van Hamilton via zee in het oosten zou landen. In de verwachting dat ook de loyale clans zouden meehelpen, beval de koning daarom zijn edelen in april in York te komen met hun legers. De voorbereidingen van Charles gingen langzaam, omdat hij gehinderd werd door zijn parlement en dus te weinig geld had. Daarnaast steunden veel puriteinse Engelsen de Verbondenen.

De Verbondenen namen in maart 1639 een aantal tactische plekken als Edinburgh castle, het arsenaal in Dalkeith en de haven van Dumbarton in. De earl van Montrose nam Aberdeenshire voor de Verbondenen in, hoewel dit een verzamelplaats was van royalisten, maar deze werden verdreven.

In diezelfde maand had Charles een nog steeds groeiende leger van 11.000 man bijeengebracht. Daarnaast riep hij zijn edelen naar middeleeuws gebruik op om hem persoonlijk met een leger te kunnen steunen. In juni was het leger 18.000 man sterk, maar stond het op losse schroeven. Het werd geleid door onervaren generaals en was slecht bewapend.

Terwijl de koning noordwaarts marcheerde, probeerde de markies van Hamilton bij de Firth of Forth te landen met een 5.000 man sterk leger. Dit mislukte, omdat het gebied rond de Forth in handen van de Verbondenen was. Daarom voer de jonge burggraaf van Aboyne naar het noorden om Aberdeen in te nemen met de hulp van de loyalistische clan Gordon. Het leger marcheerde vanaf Aberdeen naar Stonehaven, waar het op 14 juni werd teruggedrongen werd door de Verbondenen. De troepen trokken zich terug naar de Brig of Dee, die de toegang tot Aberdeen bewaakte. Na een artillerieaanval, geleid door de markies van Montrose, moesten de royalisten terug trekken en verloren op 19 juni de stad.

In mei zegde Charles toe naar de Schotse grieven te willen luisteren, wanneer de orde in het koninkrijk was teruggekeerd. Hij beloofde Schotland niet meer in te vallen, tenzij het Verbonden leger dichter dan tien mijl (16 kilometer) bij de Engelse grens kwam. Terwijl de koning in Berwick verbleef, ging lord Arundel met een detachement over de Schotse grens en beloofde gratie aan de rebellen die zich binnen acht dagen overgaven. In antwoord hierop trok het Verbonden leger naar Kelso, dat zeer dicht bij de Schots-Engelse grens ligt.

De royalistische earl van Holland (Lincolnshire) viel de Verbondenen op 3 juni aan. Hoewel zijn leger veruit in de meerderheid was, werd hij verslagen door de discipline en professionaliteit van de tegenstander. Holland moest terugtrekken naar Berwick.

Het verdrag van Berwick

De koning en de Verbondenen besloten onderhandelingen te starten. Beide legers hadden een slecht moreel, werden geplaagd door kou, regen en ziekten. De Verbondenen hadden daarnaast een tekort aan geld, paarden en bevoorrading. Charles’ hoop op het verslaan van zijn vijand was verloren gegaan doordat de earl van Antrim meldde dat hij hem niet kon steunen en toen hij begreep dat hij niet verder met de oorlog kon gaan zonder een parlement. Op 11 juni 1639 begonnen de onderhandelingen in de tent van de earl van Arundel, bijgewoond door zes Verbondenen en zes royalisten en al snel ook door de koning zelf. De Verbondenen eisten dat de koning de wetten die in Glasgow waren afgekondigd zou ratificeren, inclusief de wet die bisschoppen afschafte, dat alle kerkelijke zaken in Schotland voortaan door de nationale vergadering in Edinburgh zouden worden afgehandeld en de burgerlijke zaken in het parlement, dat alle troepenmachten terug zouden trekken en dat er verschillende bisschoppen aan Schotland uit werden geleverd om hen te straffen voor eerdere misstanden.

De koning stemde in, maar weigerde de wetten van de nationale vergadering van het vorige jaar goed te keuren. Omdat de Verbondenen wisten dat hun militaire positie niet sterk was – ze hadden te maken gehad met dezelfde ongemakken als hun vijand en hadden tekort aan geld, paarden en voorraden -  stemden ze toe en tekenden het verdrag op 19 juni 1638. Beide zijden beloofden hun legers te ontbinden, maar controversiële zaken werden expres vaag gehouden. Het is daarom niet verwonderlijk dat het verdrag matig werd ontvangen en dat de relatie tussen de royalisten en Verbondenen al snel verslechterde. Koning Charles verliet Berwick wantrouwend en reisde naar Londen af.

De vergadering in Edinburgh stelde dezelfde regels op als de vergadering in Glasgow, maar ging ook over politieke zaken. Niet alleen werden de bisdommen afgeschaft, maar ook mochten geestelijken geen wereldlijke ambten meer bekleden. Het Schotse parlement, dat vlak na de vergadering volgde, bevestigde deze standpunten en verklaarde in feite de absolute monarchie in Schotland nietig.

Dit bracht Charles in een moeilijke positie. Hij was in Engeland en Wales een absolute vorst, in Schotland en Ierland stond zijn positie wankel. Daardoor kon ook aan zijn positie in de eerstgenoemde rijken getornd worden en zou het voorgestelde nieuwe parlement eerder op een zelfmoordpoging lijken.

Tweede bisschopsoorlog

Al toen hij net in Londen aankwam, had Charles het plan om de Verbondenen opnieuw te confronteren. Hij stelde de aarsbisschop Laud en sir Thomas Wentworth uit Ierland aan als adviseur en benoemde de laatste tot earl van Stafford. Deze beval het Ierse parlement fondsen te werven voor een Iers leger tegen Schotland en adviseerde de koning ook een parlement bijeen te roepen om meer financiering te kunnen krijgen. Het parlement weigerde dit en ook Spanje, het Vaticaan en Frankrijk – waarvan Charles’ zwager koning was – wilde niet betalen. In het zuiden verzamelde hij dus op eigen kracht een leger, dat ongetraind en zonder discipline deserteerde en muitte tijdens de mars naar het noorden. Twee katholieke officieren werden door hun eigen manschappen gelyncht en in alle gebieden waar het leger doortrok werden misstanden en geweldsmisdrijven gerapporteerd. In augustus bereikten de slecht bewapende, onbetaalde en ondervoede soldaten van de koning Yorkshire en Northumberland. Het leger van Stafford was echter nog niet klaar voor de aanval.

In Edinburgh bereidde het Schotse parlement zich eveneens voor op de oorlog. De earl-maarschalk William Keith bezette Aberdeen en de royalistische Gordons in het noordoosten werden aangevallen en verslagen. In juni kreeg de earl van Argyll de taak ‘van vuur en zwaard’ en leidde 5.000 Campbells in een zes weekse expeditie om de landerijen van de loyalistische clans in de Highlands – de Gordons van Huntly en de Ogilvies van Airlie - te plunderen en plat te branden. Hierna belegerde Argyll Dumbarton uit voorzorg voor een eventuele landing van het Ierse leger.

Verschillende regimenten van het Verbonden leger waren intact gebleven, ondanks de afspraak de legers te ontbinden, en werden snel opgeroepen. Vroeg in augustus wachtten de Verbondenen de royalisten op bij de Schots-Engelse grens met een leger van 20.000 man en zestig kanonnen. Ondertussen was het koninklijke leger gesplitst in twee delen, die zich in Yorkshire en Northumberland bevonden. De earl van Northumberland, opperbevelhebber van Charles’ leger, was echter ziek geworden en de bevelhebber in het noorden, burggraaf Conway, hield zich meer bezig met Berwick te versterken voor een eventueel beleg  dan met het ronselen van troepen, terwijl hij op de komst van de koning wachtte.

Omdat het voor de Verbondenen moeilijk was in voedsel voor de troepen te voorzien, werd er besloten Engeland in te vallen. Op 20 augustus 1640 stak generaal Leslie de Tweed bij Coldstream over en marcheerde Engeland binnen. Hij negeerde de voorbereidingen van Conway door Berwick simpelweg links te laten liggen en trok door naar Newcastle, waar de kolenmijnen voor Londen lagen. Terwijl de koning naar York reisde, kwamen de Verbondenen op 27 augustus aan bij Newcastle. Leslie probeerde controle te krijgen over de oevers van de Tyne en de stad te omsingelen.

Burggraaf Conway stuurde 1.500 cavaleristen en 3.000 infanteristen naar de vijand, die een geïmproviseerde fortificatie had gebouwd aan beide kanten van de Tyne, waar elk vier kanonnen en 400 musketiers waren geplaatst. Deze fortificaties werden door de slechte positie verlaten en het Verbonden leger trok naar hoger gelegen grond, terwijl een paar lichte kanonnen op de toren van de Newburn Church werden gehesen.

Burggraaf Conway weigerde zijn vijand door te laten trekken om de koning te ontmoeten en in de vroege morgen van 28 augustus vielen de Verbonden ruiters aan, die werden teruggedreven door royalistische beschietingen. In het volgende vuurgevecht vluchtte een groot deel van de loyalistische troepen en konden de Verbondenen de oever innemen, ondanks een aanval van de koninklijke cavalerie. Een groot deel van Charles’ mannen vluchtte, een veel kleiner deel, waaronder de artillerie, kon in goede orde terugtrekken.

Generaal Leslie verbood zijn troepen de vluchtende vijanden achterna te jagen om onnodige verliezen te voorkomen. Tot zijn verbazing besloot burggraaf Conway dat Newcastle niet verdedigd kon worden en trok hij het garnizoen terug naar Durham. Op 30 augustus namen de Verbondenen Newcastle zonder verzet in.

Na de nederlaag bij Newburn zakte het moraal van de royalisten tot een dieptepunt. Op 24 september riep Charles in York de Grote Raad van Edelen bijeen, een vergadering die sinds Edward de 3de niet meer bijeen was gekomen. De Raad adviseerde de koning bijna unaniem met de Verbondenen te onderhandelen en een nieuw parlement in Engeland op te roepen. Tijdens hun overleg ontmoetten de Verbondenen en royalisten elkaar al om in Ripon te onderhandelen. Het verdrag van Ripon werd op 14 oktober 1640 getekend. De vijandigheden werden gestaakt, het Verbonden leger mocht Northumberland en Durham op kosten van het Engelse parlement innemen en het Schotse parlement zou geld van Engeland krijgen om de gedane uitgaven van de oorlog te compenseren.

Omdat koning Charles wanhopig geld nodig had, moest hij inderdaad een parlement oproepen, dat bekend kwam te staan als het Lange parlement, in tegenstelling tot het Korte parlement dat was ontbonden toen het weigerde Charles geld voor de tweede bisschopsoorlog te schenken. In november 1640 arriveerden onderhandelaars van de Verbondenen in Londen om het verdrag van Ripon af te maken. Ondanks Charles’ protesten werden de onderhandelaars verwelkomd door de puriteinen van Londen.

De onderhandelingen tussen het Engelse parlement en de Verbondenen duurden de gehele lente en zomer van 1641. Omdat het in Londen onrustig was en zijn belangrijkste ministers, de Ierse Stafford en de aartsbisschop Laud gevangen waren genomen, wilde Charles het verdrag zo snel als mogelijk was rond krijgen en tekende het verdrag van Londen op 10 augustus 1641. Hierom deed hij onverwachte toezeggingen: hij ratificeerde de wet waarin de bisschoppen uit de Schotse kerk werdne verwijderd, stond toe dat in Edinburgh en Dumbarton een defensief leger werd gevestigd, beloofde dat niemand zou worden vervolgd of gehinderd doordat hij of zij het Schotse Nationale Verdrag had getekend, zegde toe de ‘veroorzakers’ van de oorlogen aan Schotland uit te leveren, liet alle boeken, publicaties en verklaringen tegen de Verbondenen verbieden en gaf de buit gemaakte Schotse schepen weer terug. Daarnaast kreeg het Schotse parlement een ‘broederlijke hulp’ voor de schade in de oorlog van £300.000.

Een probleem leek beëindigd te zijn, terwijl een ander juist begon. Tegen het einde van de zomer van 1642 was Charles niet in staat om een verdrag met het Engelse parlement te sluiten. Groot-Brittannië stond op het punt zich in de burgeroorlog te storten.

Zie ook:

Charles de 1ste
Jacobites
Willem van Oranje en Mary Stewart

Celtic Webmerchant:

                    
Huzarenhelm € 83,50                       Rapier € 56,-                      Kattenhakker € 110,-

 

copyright © 2009 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact