Sir James Douglas

James ‘de zwarte‛ Douglas werd in 1286 geboren als zoon van William Douglas Le Hardi en Elizabeth Stewart, dochter van de 4de high Stewart van Schotland. Zijn vader was een vurige patriot die het bevel had over Berwick Castle toen dat in 1296 door Edward de 1ste van Engeland werd belegerd. Berwick Castle werd ingenomen en uitgemoord, maar William wist te ontsnappen. Hij was een van de eerste edelen die William Wallace en later Robert the Bruce steunden, Robert the Bruce beschermde zijn zoon als dank. William Douglas werd gevangen genomen door de Engelsen toen hij ervan werd beschuldigd een vredesverdrag met Edward te hebben gebroken. Hij had zich los kunnen kopen door zijn zoon James als gijzelaar te geven, maar dit weigerde hij. In het jaar 1299 stierf William in de Tower of London, mogelijk werd hij vermoord. Williams zoon James werd snel naar Parijs gestuurd om hem weg te houden van Edward. Hier kreeg hij te horen dat zijn vader was gestorven en de landerijen van Douglas waren weggegeven aan de Engelse lord Clifford. Gelukkig ontmoette James de bisschop van St. Andrews, William Lamberton, die hem opnam en schoolde. Douglas keerde rond zijn achttiende met Lamberton terug, toen de meeste Schotse edelen vrede met Edward de 1ste hadden gesloten. James vroeg om de teruggave van zijn land, maar dit werd bruut geweigerd en hij moest zich een tijd lang stilhouden. In 1306 ontmoetten James en Robert the Bruce elkaar toen Robert op weg was naar zijn kroning in Scone. James reed hem haastig tegemoet vanuit Berwick, waar hij en bisschop Lamberton verbleven, en zwoer de nieuwe koning trouw. Er wordt gezegd dat hij daar tot ridder werd geslagen. Na Bruce‛s kroning wees Edward de 1ste snel een luitenant van Schotland aan, Aymer de Valence. Hij kreeg het bevel ‘de draak te hijsen‛, oftewel aan niemand genade te geven. De Valence was zowel neef van koning Edward als zwager van John Comyn, die door Robert the Bruce was vermoord. De Valence bleek geen halve maatregelen te nemen, hij nam de bisschoppen Lamberton en Wishart gevangen en stuurde ze als gevangene terug. Hierna sloeg hij zijn kamp op in Perth. Op 18 juni 1306 kwam ook Bruce‛s leger hier aan en daagde de Engelsen uit voor de volgende dag. De Valence antwoordde dat hij niet wilde vechten op zondag, maar dat hij overmorgen de uitdaging aan zou gaan. De Schotten trokken terug naar Methven om daar de slag af te wachten.


Toen ze daar kamp op hadden geslagen, viel de Engelse cavalerie onverwacht vanuit de bossen aan. Veel Schotse ridders werden gevangen genomen en geëxecuteerd. Bruce zelf kon nauwelijks ontsnappen maar vluchtte met de overlevenden en Douglas naar het westen. De nederlaag bij Methven was al snel bij iedereen bekend en John McDougall van Lorne, een vijand van Robert the Bruce, viel de groep Schotten vrijwel onmiddellijk aan bij Dalry. Hierna splitste Bruce de troep en zond de vrouwen onder leiding van de earl van Atholl naar Kildrummy castle, dat van Roberts broer Nigel was. De soldaten vervolgden hun weg via
Loch Lomond naar de westkust. Tijdens deze vlucht deed Douglas voor het eerst duidelijk van zich spreken. Hij regelde de bevoorrading van het leger en stond in nauw contact met de koning. Toen de Schotten Loch Lomond bereikten, wist James een boot te vinden om het loch mee over te steken. Hierna werd het kleine leger gesplitst, een helft werd onder leiding van de nog maar 20-jarige Douglas geplaatst. Tot vroeg in het volgende is er niet bekend wat James Douglas heeft gedaan, maar in het voorjaar van 1307 trok hij naar het eiland Arran. Hier zette hij met zijn mannen een hinderlaag op voor een Engels bataljon dat een kasteel kwam versterken en nam de wapens en wapenrusting van de vijand mee.

Rond deze tijd landde ook Robert the Bruce op het eiland en de legers van Douglas en hem werden samengevoegd. Vanaf de hereniging ging Bruce weer in de aanval. Sir Reginald de Crawford en Bruce‛s broers Thomas en Alexander vielen Galloway binnen maar liepen in een hinderlaag en werden gevangen genomen en gehangen. Terwijl Bruce zich in de heuvels van Carrick verschool om Turnberry castle in te nemen, vroeg Douglas toestemming om Douglas castle aan te vallen, dat nog steeds in Engelse handen was. Driemaal viel hij aan. De eerste keer was op palmzondag 1307 of 1308, waarbij het gehele garnizoen doodde, zich tegoed deed aan de voorraden en daarna de putten vergiftigde. Vlak hierna bewoonden de Engelsen het kasteel weer, maar Douglas sloeg opnieuw toe. Hij liet een kleine groep mannen vee van het kasteel roven, terwijl een grotere groep verborgen in de bossen lag. Toen de nieuwe bevelhebber de rovende Schotten achterna reed, kwam de andere helft van het leger uit hun schuilplaats en viel aan. Een groot deel van de Engelsen werd gedood en de rest vluchtte terug naar het kasteel. Een belegering bleef echter uit. De laatste aanval leek erg op de voorgaande alleen nu roofden de Schotten geen schapen, maar verkleedden zich als vrouwen die hooibalen op hun paarden vervoerden. Het garnizoen kwam onmiddellijk uit het kasteel omdat er een tekort aan paarden was. Toen het dichtbij genoeg waren, wierpen de dames hun capes af, gooiden de hooibalen op de grond en stegen op. Het tweede deel van het Schotse leger volgde al snel en het garnizoen werd verslagen. De gevangen Engelsen liet Douglas vrijuit terug naar Engeland gaan en zijn kasteel vernietigde hij om zijn trouw aan de koning te bewijzen. Na deze drie aanvallen op Douglas castle had James Douglas de reputatie van angstzaaier. Hij was voor de Engelsen iemand als een wrekende havik die vanuit het niets verscheen en ook weer in het niets verdween. De Engelsen gaven hem de bijnaam ‘The Black Douglas‛, de zwarte Douglas.


In de zomer van 1308 of 1309 besloot Robert the Bruce zich op Alexander McDougall of
Lorne, wiens zoon hem bij Methven achtervolgd had, te wreken. Terwijl hij opmarcheerde naar Dunstaffnage castle, waar deze volgeling van Edward de 2de zich bevond, probeerde John McDougall een hinderlaag te leggen bij de Pas van Brander. James Douglas merkte dit en klom met zijn mannen tot boven McDougall. Het vijandelijke leger zat klem tussen twee Schotse legers en vluchtte. Dunstaffnage castle werd ingenomen en aan de loyale Campbells gegeven. Het kasteel van Roxburgh lag op de heuvel bij de plek waar de Tweed en de Taviot
samenkomen. Het was gebouwd door David de 1ste, maar was ten tijde van de Schotse onafhankelijkheidsoorlog in Engelse handen. In de nacht van dinsdag 19 februari 1314, vlak voor Aswoensdag, kropen Douglas en zijn mannen naar dit kasteel toe, gehuld in zwarte mantels zodat ze in het donker op vee zouden lijken. Dit werd wel gezien door de soldaten van het kasteel, maar er werd geen aandacht aan besteed – de eigenaar van de beesten zou wel dronken zijn, dat hij zijn vee ‛s het risico liet lopen dat het gestolen werd door de Zwarte Douglas. Eenmaal bij de muur werden touwladders opgegooid en klommen de Schotten
naar boven. Degene die dit opmerkte werd afgemaakt door de eerste man die naar bovenkwam. De rest van het garnizoen was aan het feesten in de grote hal en was snel overweldigd. De bevelhebber, de Gasconse William de Fiennes, wist de toren echter te bewaren, maar toen hij zwaar gewond raakte door een pijl gaf hij het kasteel over. Zijn mannen mochten vrijuit gaan, het kasteel van Roxburgh werd met de grond gelijk gemaakt.
 

Op 23 en 24 juni was James Douglas aanwezig bij één van de beroemdste slagen in de Schotse geschiedenis, de slag bij Bannockburn. Op de 23ste reed hij met sir Robert Keith, maarschalk van Schotland, uit om de Engelse troepen in te schatten. Ze logen hun troepen voor dat hun vijand slecht bewapend was om het moreel hoog te houden. Later die dag kwam Douglas Thomas Randolph, earl van Moray, te hulp die door de Engelse bevelhebbers Robert Clifford en Henry Beaumont met 300 cavalerie aanvielen. Veel paarden reden zich dood
op de twee meter lange speren van de schiltrom. De Engelsen hadden al verscheidene malen geprobeerd de Schotse lijn te breken toen James Douglas aankwam. Om de eer van het verslaan van de divisie Randolph te laten behouden, bleef hij een eindje verderop staan kijken hoe de schiltrom de lijn van de uitgeputte cavalerie brak. Thomas Randolph verloor die dag maar één man. Op de tweede dag van de veldslag werd James Douglas voor het oog van de gehele troepenmacht tot de rang van Banneret, cavalerieofficier, bevorderd door de koning. Tijdens het gevecht zelf voerde hij te voet de derde schiltrom aan de linkerflank aan. Die kreeg te lijden onder de beschietingen van de Welshe longbowmen van de Engelsen, maar Robert Keith maakte daar met 500 man lichte cavalerie een einde aan. Mogelijk slaagde
dit omdat hij werd bijgestaan door een divisie Tempeliers. Toen de Engelsen uiteindelijk op de vlucht sloegen, steeg Douglas weer op en reed met 60 ridders de 500 vluchtelingen achterna. Zijn groep ruiters werd versterkt door sir Lawrence Abernethy, die met 80 man cavalerie eigenlijk de Engelse zijde kwam versterken, maar overliep toen hij zag dat de slag al beslist was. Bij Linlithgow liepen de Schotten op de Engelsen in, maar omdat ze via Dunbar trokken kon Douglas geen goede hinderlaag opzetten. In Dunbar scheepten de koning en enkele van zijn ridders zich zo snel mogelijk in op een boot naar Berwick. De rest van zijn legertje werd nog zo‛n 80 kilometer achtervolgd en werd voor een deel gevangen genomen. De Schotse overwinning op Bannockburn bracht helaas geen vrede tussen de twee landen en Edward weigerde Robert the Bruce als koning van Schotland te erkennen.

Tijdens de winter van 1315 op 1316 werd Berwick door de Schotten belegerd. Op 14 februari 1316 leidde de Gasconse bevelhebber Raymond de Caillau een troepenmacht uit het kasteel, omdat zijn garnizoen bijna verhongerde. Ze roofden wat vee en voedsel, maar James Douglas had hem in de gaten en verzamelde snel een stel van zijn mannen. Vlak bij Coldstream kwamen de twee legertjes tegenover elkaar te staan. De Caillau was zo zeker van zijn succes dat hij onmiddellijk aanviel. Na een pittige veldslag versloeg Douglas‛ leger de Engelsen,Raymond de Caillau werd door James zelf gedood. Drie jaar later werd Berwick opnieuw belegerd, deze keer door de Engelsen. De Engelse troepenmacht bleek te groot te zijn om door het leger van Douglas en Thomas Randolph, earl van Moray, verslagen te worden en daarom trokken zij achter de Engelsen langs Northumberland binnen, waar ze het platteland plunderden. Het gerucht ging dat Douglas het op Edwards vrouw gemunt had, die dan ook snel naar Nottingham werd gebracht. Aartsbisschop Melton marcheerde met een geïmproviseerd legertje de Schotten tegemoet. Aan de oever van de rivier de Swale had Douglas kampement opgeslagen. Toen het kleine leger de brug overstak, zetten zijn mannen balen vochtig
stro in brand zodat er enorme rook werd veroorzaakt. Toen de Engelsen door de rook heen waren getrokken, zagen ze het Schotse leger staan dat zijn oorlogsschreeuw uitstootte. De ongetrainde boeren en stedelingen raakten onmiddellijk in paniek en wilden terug de rivier over vluchten, waarbij ze zagen dat de Schotse cavalerie de brug bezet had. Er wordt
gezegd dat hier meer Engelsen stierven door verdrinking dan door de
Schotten zelf. De belegering van Berwick werd afgebroken en het Engelse
leger trok zuidwaarts. Douglas en Randolph passeerden de vijand ongezien terug naar Schotland.

In de winter van 1316 op 1317 werd het leger in Noord-Engeland geleid door Edmund Fitzalan, earl van Arundel. Hij had een grote troepenmacht, maar er was een wapenstilstand gesloten en het grootste deel van het Schotse leger zat in Ierland, terwijl het bevel over Schotland in de handen van Douglas en Randolph was gelaten. Omdat hij zijn mannen niet stil wilde laten zitten, besloot Arundel naar Jedwood Forest, dat vaak door de
Schotten als schuilplaats werd gebruikt, te trekken en dat te kappen. Toevallig had James Douglas net een landhuis vlakbij Jedburgh laten bouwen en had hij daar vijftig voetsoldaten en een stel boogschutters gestationeerd. Daarom besloot hij de Engelsen tegemoet te trekken.
Douglas‛ leger verschool zich in de bossen en de boogschutters vuurden hun pijlen af op het Engelse leger, geleid door Thomas de Richmond. Toen de verwarring groot genoeg was, kwamen de Schotten uit hun schuilplaats en maakten de Engelse troepenmacht af. Hierna verdwenen ze weer even plotseling als ze waren verschenen. Arundel trok zich terug uit het bos en Douglas ging weer naar Lintalee, waar zijn landhuis stond. Vlak na deze gebeurtenis was Robert Neville van Raby zo moedig – of zo dom – om Douglas uit te dagen. Hij sloot zich aan bij het garnizoen in Berwick, toen weer in Engelse handen, en vertelde dat hij Douglas wilde bevechten. Dit nam Douglas aan en na een heftige slag werd Neville door Douglas zelf gedood, drie van zijn broers werden gevangen genomen. Hierna waren maar weinig mensen meer bereid met Douglas te vechten en zijn bijnaam de zwarte Douglas werd steeds meer gebruikt.

In augustus 1322 leidde Edward de 2de zijn laatste invasie van Schotland. Terwijl zijn leger Melrose Abbey plunderde, viel Douglas onverwacht aan en jaagde de Engelsen terug naar hun eigen land. Toen Edward weer terug was gekeerd, viel Robert the Bruce zijn land binnen, waarschijnlijk met de hulp van Douglas‛ mannen. Douglas zelf ging met Thomas Randolph, earl van Moray, op zoek naar de Engelse koning. Deze onderschepten ze bij Bylon
Moor, waar het tot een gevecht kwam. De Hooglanders van Bruce waren in de bossen in de flanken opgesteld terwijl de mannen van Douglas van voren naderden. De Engelse lijn brak vlug en Walter Stewart snelde naar Rievaulx, waarlangs de Engelse koning probeerde te ontsnappen. Edward werd net op tijd gewaarschuwd en reed snel naar Bridlington, waar hij een schip naar York nam.

In 1328 viel Douglas Engeland opnieuw in en passeerde het Engelse leger, dat hem achterna trok door een strook van verwoest land. Op 19 juli meldden Engelse verkenners dat de Schotten hun kamp hadden opgebroken en waarschijnlijk terug naar het noorden zouden trekken. Om hen voor te zijn, trok de Engelse cavalerie naar Haydon Bridge, infanterie en bagage achterlatend. Daar was geen spoor van de Schotten te bekennen en ook het weer zat niet mee. Het regende en de rivieren traden buiten hun oevers. Douglas trok naar de zuidelijke oever van de rivier de Wear, waar de Engelsen op 30 juli arriveerden. Toen het niet was gelukt de Schotten uit te dagen uit hun positie te komen, nodigden ze Douglas uit voor een gevecht op effen terrein. Dit weigerde deze omdat hij sterk in de minderheid was en hij bleef ongeveer vier dagen in zijn positie. Hierna trok hij ‛s nachts naar een betere kampplaats, de volgende dag gevolgd door de Engelsen Zij werden onmiddellijk verrast in een nachtelijke aanval, waarbij het Schotse leger zo dicht in het vijandelijke kamp drong dat Douglas de scheerlijnen van ‛s konings tent door kon snijden voordat hij terug moest trekken door de haastig georganiseerde verdediging. Nu leek het Schotse leger vast te zitten met de vijand aan de voorkant en aan de flank een moeras, dat onmogelijk door te steken was. Dachten de Engelsen tenminste. In de nacht van 6 op 7 augustus stak Douglas‛ leger het moeras over met wilgenhouten vlotten, terwijl een stel herauten ervoor zorgden dat het leek
dat het leger er nog was. Deze actie toonde duidelijk aan dat de Schotten konden doen wat ze wilden en hierbij niet tegen werden gehouden door welk leger dan ook. Op 7 juni 1329 stierf Robert the Bruce, wiens droom het altijd al was geweest op kruistocht te gaan. Om die droom te vervullen beloofde James Douglas zijn hart mee te nemen naar het heilige land om het daar te begraven.

Vroeg in 1330 zeilde hij met een paar mannen en een zilveren doosje met het hart van zijn koning van Berwick naar Sevilla, waar hij zijn diensten aanbood aan Alfonso de 9de van Castilië. De Schotten werden opgenomen in het Castilliaanse leger, dat naar een fort
bij Teba trok om een fort van de Moren te belegeren. Toen een Moors leger arriveerde om het fort te ontzetten, stuurde Alfonso Douglas en zijn mannen weg om een doorwaadbare plaats te beschermen, terwijl de rest van het leger achterbleef. Wat hierna gebeurde is niet geheel duidelijk. Douglas en zijn kleine leger bevonden zich diep in vijandelijk gebied en vormden waarschijnlijk een speerpuntformatie waarmee ze de Moren aanvielen. Toen ze de vijand bijna hadden weggedreven, zag Douglas dat William Sinclair van Roslin werd ingesloten door de moslims. Hij aarzelde niet, keerde zijn paard, viel aan en werd snel ingesloten. Een Schot die was achtergebleven omdat hij eerder zijn arm had
gebroken, ging op zoek naar James Douglas en vond zijn lijk, met vele dode vijanden om zich heen, met vijf fatale wonden. Het doosje met Bruce‛s hart werd bij hem gevonden. Een paar dagen na de slag werd het kasteel veroverd. James‛ lichaam werd gekookt in een ketel, zodat het vlees van de botten afviel. Het vlees werd begraven bij Teba, zijn skelet en hart werden meegenomen naar Schotland en bijgezet in St Brides church in het dorp Douglas. Ook het hart van zijn koning keerde terug en werd begraven in Melrose Abbey.


Zie ook:

Robert the Bruce
De slag bij Bannockburn

Celtic Webmerchant:

c         Schot
Middeleeuws zwaard
  € 55,85       Tweehandig zwaard  € 98,10        Kruisvaardershelm  € 119,-

 
 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact