Bonnie Dundee

John Graham of Claverhouse, ook wel Bonnie Dundee of Bloody Clavers genoemd, verschillend of je het vanaf de Schotse of de Engelse kant bekijkt, was de oudste zoon van Sir William Graham, afstammeling van de Stewart koning Robert de 3de. Omdat zijn vader een aanhanger van Montrose was, werd hij waarschijnlijk van jongs af aan geleerd loyaal te zijn aan de koning. Toen hij ouder werd, ging hij naar de Universiteit van St Andrews, waar hij krijgstactiek leerde. Na ongeveer vier jaar vertrok hij naar Frankrijk om daar in het leger van Lodewijk de 14de te dienen. Hij kwam onder het bevel van de Hertog van Monmouth en MacKay te staan.

In 1674 vocht hij voor Willem de 3de van Oranje en redde zelfs Willems leven tijdens een veldslag. Uit dank hiervoor promoveerde Willem heb tot kapitein. In hetzelfde jaar trouwde John met Jean Cochrane. Dit schaadde zijn reputatie, omdat zij van een familie van Covenanters was. Covenanters waren een groep presbyterianen die tegen de kerkelijke hervormingen van Charles waren.

Twee jaar later nam John ontslag uit het Franse leger na een mislukte belegering van Maastricht. Hij keerde terug naar Schotland met een brief van Willem van Oranje, waarin deze zijn diensten aanbeveelde aan James, hertog van York, de latere James de 2de van Engeland en Ierland en 7de van Schotland,  zijn schoonvader. John kreeg het bevel over een klein legertje cavalerie dat in de gebieden van Dumfries and Galloway was gestationeerd.

In 1679 kwamen de Covenanters weer in opstand, maar met de kleine cavalerie-eenheid die hij had kon John weinig uitvoeren. Hij werd op 1 juni verslagen bij Drumclog, vluchtte naar Glasgow en verdedigde de stad totdat hij met zijn leger doortrok naar Stirling. Daar werd hij versterkt met een leger van de hertog van Monmouth, de onwettige zoon van James, en deze troepen versloegen de Covenanters op 22 juni.

In 1680 ging John naar Londen om de koning in te lichten over de soepele behandeling die Monmouth de extreme Covenanters gaf. Dit zorgde voor veel promoties. Als dank hiervoor kreeg hij de baronieën van de verbannen MacDougal en Freuch. In januari 1681 ontving hij daarnaast de sheriffdommen van Wigtown, Dumfries, Kirkcudbright en Annandale. Anderhalf jaar later werd hij benoemd tot kolonel van een nieuw opgericht regiment in Schotland. In 1683 ontving hij daarnaast de landgoederen en titels van Dundee en Dudhope, waardoor hij lid werd van de kroonraad van Schotland.

In 1685 stierf Charles de 2de en hij werd opgevolgd door zijn katholieke broer, James. Dit zorgde voor veel protesten. James stelde in 1688 John aan als Burggraaf van Dundee.

Toen James datzelfde jaar een katholieke, mannelijke erfgenaam kreeg, kwamen de anglicaanse parlementsleden in actie. Op aanvraag van James’ schoonzoon Willem, nodigden ze hem uit om naar Groot-Brittannië te komen en hun koning te worden. Dit accepteerde Willem en James moest vluchten.
Dundee keerde terug naar Schotland en woonde in Edinburgh een vergadering bij over deze situatie. Maar de leden waren hem vijandig en Dundee verliet Edinburgh op 18 maart aan het hoofd van ongeveer 60 dragoons, zwaar bewapende cavaleristen. Niet lang daarna probeerde hij via castle rock Edinburgh Castle te beklimmen in de hoop met de hertog van Gordon te kunnen praten. Dit was tevergeefs en Dundee vertrok  naar Dudhope. Op 30 maart werd hij officieel door Willem van Oranje als verrader gebrandmerkt en uit brieven blijkt dat Willem hem halverwege april heeft geprobeerd te laten arresteren. Dundee was in die tijd echter bij zijn vrouw en kind in Glen Ogilvy.

Al snel reed hij noordwaarts naar Inverness om loyalisten van koning James te verzamelen. Deze loyalisten werden Jacobites genoemd, naar de Latijnse naam voor James, Jacob. Dit was het begin van vier maanden en 1290 kilometer marcheren. Op 8 mei bereikte hij Inverness, waarna hij via Corrieyairack naar Perth reed. Met de veteranen van de clans Cameron of Lochiel en MacDonald gebruikte hij de Hooglanderstactiek tegen de oprukkende troepen van Willem van Oranje. Dundee deelde de hardheid die in de Schotse clans gewoon was en hoopte dat binnen niet al te lange tijd koning James via Ierland terug zou keren met nieuwe troepen.

Lochiel en de andere Hooglanders hebben regelmatig aangegeven dat ze niet in een open gevecht tegen de troepen van Willem van Oranje wilden vechten omdat dit nooit op de Hooglandersmanier zou hebben gewerkt. Dundee zelf stond erop dat hij samen met zijn mannen naast de MacDonalds aan de rechterkant in het gevecht zou staan. Dit deed hij bij elke slag die de Jacobites leverden.

Na enige tijd kwam het nieuws dat generaal Hugh MacKay, een generaal die de legers van de prins van Oranje leidde, vanuit Stirling via Perth richting Dundee trok. In Perth ontving hij een brief van Lord Moray die vertelde dat Dundee’s leger zich in de gebieden van Atholl bevond. Het is niet duidelijk of dit een hinderlaag van de hertog Atholl was of dat hij achter Willem van Oranje stond. Wel is bekend dat hij op dat moment niet thuis was en zich toevallig ver weg in het Engelse Bath bevond om daar van het water te genieten. Ook stond in de brief dat als Mackay niet snel genoeg naar Atholl zou trekken, de Jacobites hem dan voor zouden zijn en dat de hertog zijn mannen niet onmogelijk kon maken deze opstand te steunen. MacKay zag hier een groot gevaar in, de Hooglanders van Atholl waren goed georganiseerd en hadden de beschikking over het sterke kasteel van Atholl, Blair Castle. Atholl was nauw verbonden aan het huis van Stewart en zou absoluut de Jacobites steunen. MacKay besloot naar Badenoch te marcheren en dwars door het land van Atholl heen te trekken.

Op 26 juli vertrok het 4.500 man sterke leger daarom uit Perth naar Atholl. In dit leger was slechts een kleine divisies cavalerie aanwezig, de vier divisies dragoons waren nog niet gearriveerd ter versterking. Op de nacht van 26 of 27 juli verbleven de Engelsen in Dunkeld. Daar ontving MacKay een boodschapper van de Hertog van Atholl dat Dundee zijn vlag had gehesen bij Bair Castle. Hij trok zo snel mogelijk richting Atholl, maar het leger moest over de smalle Pas van Killiecrankie. Hij stuurde een klein deel vooruit om de pas te bewaken tot het hoofdleger was gearriveerd. Kolonel Lauder vermeldde dat hij niemand in de pas had gezien.

MacKay berichtte aan Perth dat de cavalerietroepen die nog niet waren gearriveerd, onmiddellijk zijn kant op moesten worden gestuurd. Rond tien uur ‘s ochtends hield het leger halt voor de Pas van Killiecrankie voor een twee uur lange pauze, zodat ze het drassige en gevaarlijke gebied in een keer door konden trekken. Om ervoor te zorgen dat er geen onverwachtse aanvallen zouden plaatsvinden, stuurde de generaal de luitenant-kolonel, earl van Leven, met zijn 200 man sterke regiment vooruit.

Nadat hij het bericht van kolonel Lauder had ontvangen dat de pas vrij was en dat er geen spoor van Dundee te zien was, liet MacKay zijn troepen vooruit marcheren. De angst zat er bij de soldaten goed in, het leger marcheerde lange tijd voorwaarts en verloor één ruiter, die door Ian Ban Beg MacRan neergeschoten werd vanaf de andere oever van de rivier de Gerry, die door de pas loopt.

Zodra het leger de pas uit was getrokken, hield het halt bij een maïsveld om te wachten op de bagagekaravaan. Kolonel Lauder werd er opnieuw opuit gestuurd en zag een klein legertje Jacobites arriveren. Een ander klein legertje arriveerde en de aanval werd bijna ingezet, toen het hoofdleger van Dundee zichtbaar werd.

Dundee had zijn 2.500 troepen de vorige dag al boven Killiecrankie gepositioneerd. Hij kon precies de bewegingen van MacKay zien en wachtte op het geschikte moment om toe te slaan. Zijn Jacobite-leger bestond niet alleen uit Schotse katholieken, ook Ierse en Schotse protestanten hadden zich bij het leger aangesloten. In de eerste instantie verkozen de Hooglanders om Mackays leger aan te vallen voordat ze de pas hadden bereikt. Dit kwam door de eeuwenoude Schotse regel dat je nooit een vijand mag aanvallen, voordat hij zich op een gelijkwaardige manier kan verdedigen.

Dundee zette zijn troepen in slagorde, terwijl hij zijn rode jas verwisselde met een donkergekleurde, die hij over zijn borstkuras droeg. Aan het uiterste van de rechterflank positioneerde hij sir John MacLean met zijn twee regimenten. Links daarvan stelde hij sir Donald MacDonald op, wiens clan vanaf 1314 altijd op de rechtervleugel mee had gevochten, daarnaast kwam een bataljon van sir Alexander MacLean. In het midden van het leger plaatste hij vier bataljons van de Camerons, de MacDonells of Glengary en clan Ranald, daarnaast de Ierse regimenten onder leiding van sir William Wallace. Het is opvallend dat zowel MacKay als Dundee geen troepen in reserve lieten staan.

Het moreel van de Hooglanders was hoog. Zij dachten aan hun vaders, die veertig jaar geleden ook al voor de Stewarts vochten bij Tippermuir, Aldearn en Kilsyth. Ze riepen hun oorlogskreten in het Gaelic en stonden klaar de Williamieten te bevechten. Deze hielden het hoofd koel, velen waren veteranen uit Nederlandse oorlogen en dachten te weten wat ze konden verwachten.

De avond viel en Dundee bleef wachten.  Een half uur voor zonsondergang sprak hij zijn troepen toe: “U bent hier gekomen om te vechten en dit is voor een goede zaak. Deze veldslag vechten we voor uw koning, uw geloof en uw land! Ik twijfel niet aan uw moed en ik zal u volgen en met u samen vechten tegen deze rebellen. Onthoudt dat vandaag het lot van onze koning James, uw religie en uw land wordt bepaald. Gedraag uzelf daarom als ware Schotten en laten we met deze actie tonen dat dit land niet zwak is ondanks het feit dat er sommige lafaards uit dit land zich achter Willem van Oranje hebben geschaard. Ga en vecht voor onze koning zoals iedere goede man behoort te doen. In Gods naam, laat dit uw woorden zijn, voor koning James en de kerk van Schotland dat god het moge beschermen!”

Een doodstil moment volgde, waarna de Hooglanders langzaam de heuvel afmarcheerden. Ze trokken hun hemden uit, terwijl ze de troepen van MacKay naderden. Op het moment dat de troepen op hun schoten lieten de Jacobites zich op een knie zakken en dekten zich met hun targe. MacKay had zijn officieren het bevel gegeven om per bataljon te schieten, om kracht van de highlanderscharge te doen afnemen. Dit mislukte, want het regiment van Balfour en de helft van het regiment van Ramsey vuurden niet. Aan de rechtervleugel, waar generaal MacKay zelf was gepositioneerd, werden de Schotten echter meerdere malen beschoten.

Toen de Jacobites op een korte afstand waren, schoten zij hun pistolen leeg, trokken hun broadswords en stormden de linie in. Tijdens de impact van de aanval begon Dundee aan het hoofd van de ruiters een cavaleriecharge op de flank waar MacKay stond. Hij brak er doorheen en de ruiters vluchtten, zonder deel te hebben genomen aan de slag. Daarna reed Dundee naar de vijandelijke kannonen toe en nam deze in.

MacKay probeerde nog de troepen van lord Belhaven naar de rechterflank van de Hooglanders te krijgen, maar toen hij achter zich keek, zag hij zijn rechtervleugel, die nog niet serieus was aangevallen, aan de vlucht begon. Nu begonnen de Hooglanders de bagagewagens te plunderen MacKay moest via Castle Menzies terug naar Stirling vluchten.

De morgen na de veldslag bleek dat de grond tussen de rivier de Gerrie en de heuvels compleet bezaaid met doden was. De Hooglanders hielden hun zwaarden meestal vlak boven hun hoofd en hakten de schedel van de vijand vlak boven de oren af. Het grootste gedeelte van de 2.000 Engelse doden was dan ook gescalpeerd. De Schotse verliezen waren relatief laag, geschat wordt 100 tot 400 Jacobites om zijn gekomen.

 Onder de Jacobiteslachtoffers bevond zich John Graham, Bonnie Dundee. Tijdens zijn charge was hij in zijn buik geraakt en de dag na zijn grootste overwinning ooit stierf hij. Er wordt gezegd dat hij grootmeester was van de Temple of Montrose, hij droeg het tempelierskruis onder zijn borstkuras en werd ook op de wijze van de Tempeliers begraven in de kapel van Blair Castle.

Ondanks de vele negatieve teksten die op het internet en in Groot-Brittannië circuleren, leefde Dundee moedig. Hij was een Laaglander die een leger Hooglanders aanvoerde in één van de grootste overwinningen uit de Schotse geschiedenis.

Het Jacobiteleger bleef bij elkaar en werd nu aangevoerd door Alexander Cannon. Een maand na Killiecrankie vielen ze Dunkeld aan waar de Cameronians (Covenanters) gelegerd waren. De Cameronians hadden in de loop der jaren een uitzonderlijk gedisciplineerd leger opgezet en werden aangevoerd door luitenant-kolonel William Cleland, die door het geschut van de Hooglanders gedood werd tijdens de highlanderscharge. De Cameronians staken de hele stad Dunkeld in brand en na een bloederig straatgevecht moesten de Jacobites wel terug trekken. Ironisch genoeg waren deze Cameronians een paar maanden eerder nog gezien als een stel criminele fantasten. Nu liepen ze in een roodjas van de staat en werden ze soldaten genoemd.

Op 1 mei 1690 werden de Jacobites verslagen bij de Haughs of Cromdale en twee maanden later kregen ze te horen dat de Williamitische troepen de Ierse Jacobites bij de Boyne hadden verslagen. Op 17 augustus bood Willem alle Highlandclans gratie aan, als ze hem voor 1 januari trouw hadden gezworen. Na toestemming van James deden de meeste clans dit. Deze eed leidde tot het bloedbad bij Glencoe, hoewel de chieftain aldaar Willem had gehoorzaamd.

Zi

 

 

Zie ook:

Glencoe
Jacobites

Willem van Oranje en Mary Stewart

 

 

 

Gesponsord door Celtic Webmerchant:

                  
Romeins masker € 54,90                 Keltisch sieraad € 12,50            Vikingschil Lillbjars €
11,18

copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact