Cairnburgh castle
Van de kastelen rond de Ierse zee is Cairn Na Burgh Mòr er een die extra
aandacht verdient. Het kasteel ligt op de Treshnish eilanden, voor de
kust van het eiland Mull. Het
ligt
op gezichtsafstand van het eiland Iona, het cultureel centrum van de
eilanden, en bewaakte de vaarroutes om en naar Mull tegen vijandelijke
vloten. Het kasteel was zo belangrijk dat het in een aantal 13de eeuwse
kronieken wordt genoemd en het bleef tot in de laatste Jacobiteopstand
in 1745-1746 een belangrijke plek.
Tegenwoordig zijn de Treshnish eilanden onbewoond en heeft de natuur er
vrij spel. Het is moeilijk om voor het eiland voor anker te gaan door
een sterke onderstroom. In 2006 voerde een archeologisch team van de
Hebridean Trust vijf dagen onderzoek uit naar de staande gebouwen van
het kasteel. Dit onderzoek geeft in combinatie met de geschiedschrijving
de informatie die we vandaag de dag over het kasteel hebben.
Locatie
De eilanden Cairn na Burgh Mòr en Cairn na Burgh Beg zijn de meest
noordelijke eilanden van de Treshnish Isles, aan de kust van Mull in de
binnenste Hebriden. De andere eilanden van de eilandengroep zijn Fladda,
Lunga, Bac Mòr (de ‘Dutchman’s hat’, vanwege zijn vorm), Bac Beag, Sgeir
an Eirionnaich en Sgeir a' Chaisteil.
Cairn na Burgh Mòr en Cairn na Burg Beg zijn twee platte eilanden die
ongeveer 25 meter boven zeeniveau liggen. Beide eilanden zijn omringd
door kliffen en er is nog geen indicatie hoe het kasteel in de
middeleeuwen en latere periodes werd bereikt. Tussen beide eilanden ligt
een smal kanaal met een zeer sterke stroming. Er is geen natuurlijke
haven op het eiland aanwezig en er wordt verwacht dat er een
aanlegsteiger of iets dergelijks gebouwd moet zijn geweest.
Historische bronnen
De eerste bronnen van het kasteel komen uit de Noorse Haakons saga. Deze
saga vertelt dat koning Haakon de 4de van Noorwegen in 1249 het kasteel
Cainburgh aan Ewan (John) MacDougall, lord van Lorn en Argyll, gaf. Ewan
was de zoon van Duncan, kleinzoon van
Dougall
en achterkleinzoon van Somerled.
De reactie van Alexander de 2de van Schotland liet niet lang op zich
wachten. Hij had in 1221 en 1222 al een of meerdere campagnes tegen de
zoons van Somerled ondernomen en de Hebriden bleven vanwege hun
onafhankelijkheid een bedreiging vormen voor het koninkrijk van
Schotland. Alexander nodigde Ewan uit, maar hij gehoorzaamde pas nadat
vier Schotse earls hadden gezworen dat ze hem in vrede weer zouden laten
gaan. Ewan ontmoette de koning en deze beval hem om Cairnburgh (Biarnaborg)
en drie andere kastelen die de koning van Noorwegen aan hem had gegeven
over te geven aan het gezag van de Schotse koning.
Alexander zag in het kasteel een bedreiging wanneer het in verkeerde
handen zou komen en zag een mogelijkheid om met de nieuwe kastelen zijn
macht over de Hebriden te vergroten. Ewan weigerde dit en vluchtte naar
Lewis, wat kennelijk rond deze tijd in het bezit was van clan MacDougall.
In 1255 wist Ewan zijn volledige macht te herstellen door vrede te
sluiten met de koning van Schotland.
De Noorse Hebriden hadden een zware tijd door de dreiging van Alexander
de 2de en de burgeroorlog in het koninkrijk van Man. Er zijn speculaties
over dat Cairnburgh Castle op de grens lag tussen het noordelijke en
zuidelijke gedeelte van de Hebriden en dat het gebied in het noorden van
het koninkrijk Man was. Hoe dan ook, het kasteel speelde een belangrijke
rol rond deze tijd. Na de mislukte expeditie van Haakon en het verdrag
van Perth dat in 1266 na zijn dood volgde bleef het kasteel onder Schots
koninklijk bewind in handen van de MacDougalls.
In het midden van de 14de eeuw komt het kasteel weer in beeld. In 1343
droeg koning David de 2de, zoon van Robert the Bruce, het kasteel over
aan John MacDonald, eerste Lord of the Isles. Mogelijk hadden de
MacDonalds het kasteel al langer in handen en is het rond
1306
overgedragen, nadat Robert the Bruce en Angus Òg MacDonald de
MacDougalls had verslagen in de slag bij Brander Pass. Rond deze tijd
vormde het kasteel niet de frontlinie, maar bood wel bescherming aan
Mull, Lorne en, misschien belangrijker nog, Iona.
In 1354 maakten Cairnburgh castle en de Treshnish eilanden onderdeel uit
van een overeenkomst tussen John MacDougall en de kroon. Met deze
overeenkomst probeerde John MacDougall een deel van het oude gebied van
de MacDougalls, dat tijdens de oorlog tegen Robert the Bruce was
afgenomen, te herwinnen. In de tekst van deze overeenkomst wordt
Cairnburgh Kerneburch et Hystylburch genoemd. Het is onwaarschijnlijk
dat de MacDonalds op deze claim ingingen.
Onder het lordschap van de eilanden werd het kasteel beheerd door de
MacLeans, die een goede relatie hadden met het lordschap. De eerste
MacLean die in de context met het kasteel wordt genoemd is in 1390 onder
Donald of the Isles. Hij gaf het kasteel aan Lachlan MacLean van Duart.
Rond deze tijd schrijft ook John van Fordun over het kasteel als het
uitzonderlijk sterke kasteel van Carneborg. Tot aan de vijftiende eeuw
bleef het kasteel van de MacLeans van Duart. Dit wijst op dat de
MacLeans de erfelijke houders van het kasteel waren onder het bewind van
het lordschap van de eilanden.
Na het Lordschap van de eilanden
Van de late 15de tot de late 17de eeuw bleven de Treshnish eilanden in
handen van de MacLeans. Uit deze periode stammen ook de meeste gebouwen
die vandaag de dag op het
eiland
te zien zijn. In 1504 rebelleerde Lachlan MacLean tegen de Schotse kroon
en werd het kasteel door troepen van de Schotse kroon belegerd. In de
koninklijke documenten hierover is informatie over twee meesterkanoniers
die bij de belegering aanwezig waren.
Bij een tweede opstand in 1513 bleek het kasteel heroverd door Lachlan
MacLean, voordat hij vrede sloot met de Schotse regering en in zijn
positie werd hersteld.
Later speelde het kasteel een belangrijke rol in de Britse burgeroorlog
en de Jacobite opstanden.
Archeologisch onderzoek
In het kasteel zijn restanten van opslagplaatsen gevonden en de eilanden
bevatten genoeg turf zodat er vrijwel geen brandhout vanaf een ander
eiland moest worden aangevoerd. Naast geïmporteerd voedsel was er een
overvloed aan vis en gevogelte aanwezig. Op de eilanden was veel turf
aanwezig, Fladda wordt zelfs “Eilean na Monadh”, turfeiland,
genoemd
in een beschrijving van Donald Monro, hoofddiaken van de eilanden. Nadat
het kasteel na de laatste Jacobiteopstand in 1746 werd verlaten, bleef
het eiland in gebruik om turf te steken. Dezelfde Monro noemt Fladda
daarnaast ook “het bebouwde / bemeste eiland”, wat wijst op landbouw.
Zowel Lunga als Bak worden beschreven als goed voor vissen en voorraad.
Uit deze benamingen blijkt dat de eilanden relatief zelfvoorzienend
konden voortbestaan en mogelijk bewoond zijn geweest.
Het eiland was waarschijnlijk al in de prehistorie bewoond, de staande
steen op de hoogste heuvel van de eilandengroep is hier een bewijs van.
Ook heeft het eiland Lunga enkele mogelijke duns en hut circles. De
middeleeuwse kapel op Cairn na Burgh Mòr dateert uit de 15de eeuw, maar
het is niet bekend of de kapel op restanten van een oudere, mogelijk
houten kapel is gemaakt. Er is mogelijk nog een andere kapel en kerkhof
geweest op het eiland Fladda. De grote hoeveelheid leisteen bewijst dat
deze eilanden zelfs tot in de moderne tijd zijn bewoond. Er zijn
restanten van croftershuizen gevonden. Geschiedschrijving en de
verklaring van de namen wijst uit dat Cairn na Burgh Mòr en Cairn na
Burgh Beg oorspronkelijk oude, Noorse forten waren die dezelfde functie
hadden als de latere middeleeuwse kastelen.
Tussen 1896 en 1903 zijn de eilanden bezocht door Erskine Beveridge, een
dominee uit North Uist met een grote interesse voor archeologie. Hij
beweerde dat de Cairnburgs de grens vormden tussen het noordelijke en
zuidelijke deel van de Noorse Hebriden en eerder nog, in de 6de eeuw, de
grens tussen het koninkrijk van Dál Riata en Pictland. Hij vermeldt
dat
er op Cairn na Burgh Beg fragmenten te zien zijn van een kleine Dun en
er aardewerk uit de IJzertijd is teruggevonden. Ook vermeldt hij dat er
in het noordwesten een keuken aanwezig was, waarin botten en
oesterschelpen lagen. Rond deze tijd was de vloer van de kapel deels nog
intact en hij schrijft dat hij van grijs natuursteen was gemaakt.
Er is informatie beschikbaar van locale amateurarcheologen die in 1950
en 1960 onderzoek deden op Cairn na Burgh Mòr. In 1973 is door de Royal
Commission onderzoek verricht naar Cairn na Burgh Mòr en Cairn na Burgh
Beg Op de top van Cairn na Burgh Mòr zijn verschillende gebouwen
geïdentificeerd, waaronder de stenen muur, barakken, de voorraadkamers,
het wachthuis en de kapel. Ook is de ingang van het kasteel vastgesteld.
Aan de voorkant vond men vier stenen gebouwen, maar waar precies is
onbekend gebleven.
Tijdens deze expeditie is ook Cairn na Burgh Beg bezocht. Het eiland kan
worden verdeeld in een hoog- en laagliggend gedeelte. Het laagliggende
deel grenst met een kiezelstrand aan de zee en had twee mogelijke
landingsplaatsen voor schepen. Ook was er een stenen verdedigingswerk
aanwezig. In dit gedeelte zijn twee stenen gebouwen zichtbaar, deze zijn
nog niet geïdentificeerd. Het bovenliggende gedeelte werd verdedigd door
een stenen muur en een wachthuis in het midden.
Vermoedelijk lag er aan de noordkust ook een stenen muur. Het laatste
onderzoek dat is verricht was een onderzoek naar de staande gebouwen in
2006.
De kapel
De ruïne van de kapel bestaat uit twee hoge muren, waar vroeger het
schuine dak op rustte. In het midden zijn twee latere zijmuurtjes die in
slechte staat verkeren, één van de hoge
muren
is nog vrijwel intact en geeft de hoogte van de kapel aan. De kapel had
een oppervlak van 7,95 x 4.90 vierkante meter aan de binnenkant.
Bij één van de hoge muren is een klein altaar zichtbaar. Aan de kapel
grenst een bijgebouw, dat mogelijk als latrine diende. Mogelijk diende
de kapel in de 18de eeuw als een officiersverblijf dat los stond van de
barakken. Naast de kapel is een mogelijke begraafplaats. Helaas zijn er
geen grafstenen teruggevonden. Er is weinig bewaard gebleven van de
ramen en deuren van de kapel, hierdoor kan niet concreet worden
vastgesteld in welke periode de kapel is gebouwd. De structuur wijst uit
dat de kapel ongeveer in de 15de eeuw moet zijn gebouwd. De kapel komt
al voor als Old chappell in de kaart uit 1741. Het is onbekend of de
kapel rond deze tijd nog een dak had, ook weten we niet welke familie de
kapel beheerde en wat zijn beschermheilige was. Mogelijk is hij gebouwd
op de fundamenten van een oudere kapel uit de vroege middeleeuwen die,
gezien de regio, mogelijk aan St Columba was gewijd.
De barakken
De barakken liggen ten zuiden van de kapel. Ze zijn 14,55 meter lang,
4,8 meter breed en verdeeld in twee kamers die allebei een open haard
hebben. Op de begane grond zijn vijf
ramen
en doordat er enkele ramen boven in de muur zitten is het duidelijk dat
de barak in ieder geval twee verdiepingen had. Op de tekeningen van The
Board of Ordnance uit 1741 is te zien dat de barakken een schuinlopend
dak hadden.
Ten noordwesten van de barakken, naast een wal van steen en aarde, is
een plek waar er beduidend meer netels groeien dan in de rest van het
kasteel. Dit kan duiden op de aanwezigheid van een keuken.
Aan de barakken grensde een kleine tuin die mogelijk huishoudelijk afval
als aardewerk, glas en delen van kleipijpjes bevat uit de tijd van de
Jacobites. De barakken zijn pas na 1715 gebouwd, toen er op het eiland
een Brits regeringsleger gevestigd was.
Historische bronnen geven aan dat het mogelijk is dat er meer gebouwen
op Cairn na Burgh Mòr stonden die met het kasteel te maken hadden.
Bijvoorbeeld in 1647 wordt er verwezen naar het grote huis van Cairnbolg.
Dit kan wijzen op de aanwezigheid van een stenen grote hal of een zaal
die in contact stond met het kasteel.
De verdedigingsmuren van Cairnburgh castle stammen uit de vroege 16de
eeuw en zijn gemaakt door de MacLeans van Duart. Vermoedelijk zijn deze
muren gebouwd op oudere muren, aangezien het kasteel in 1390 al een erg
sterk kasteel werd genoemd. De grootste
muur
loopt tussen het oosten en het noordwesten van het bovenliggende gebied.
Hij wordt versterkt door natuurlijke kliffen, waardoor het nog
moeilijker was om de muren in te nemen.
Vanaf de prehistorie tot in de 16de eeuw was de zee eerder een knooppunt
dan een barrière voor de mensen van de Hebriden. Tijdens deze periode
waren de Treshnish eilanden vanwege hun strategische positie van
cruciaal belang.
Tijdens archeologisch onderzoek is er nog niet op deze vroege periode
gericht. Dat is wel nodig, aangezien er met een grote zekerheid kan
worden gezegd dat verder onderzoek naar de middeleeuwse samenleving van
Cairnburgh voor de cultuur aan de Schotse westkust van groot belang is.
Met dank aan: The Hebridean
Trust
Zie ook:
Koning Arthur
Het Welsh
Kelten, Saksen en Vikingen