![]() |
![]() |
||||
|
|
Caratacus
Van Caratacus’ vader Cunobelinus, koning van de Catuvellauni, wordt gezegd dat hij de eerste Britse staatsman was. Cunobelinus was echter zeer pro-Romeins. Zijn zoons waren daarentegen actief lid van de druïdische anti-Romeinse fractie. Cunobelinus’ plotselinge aftakelen rond 40 n.Chr. zorgde voor een machtsomslag in zuidoost-Engeland. Hij stierf waarschijnlijk rond 43 n.Chr na een lange ziekte die hem niet in staat stelde om effectief te regeren. Na de dood van zijn vader Cunobelinus viel het grootste gedeelte van het land van de Catuvellauni in handen van Caratacus’ oudere broer Togodumnus. De tweede broer, Adminius, had al eerder een stuk land in Kent, dat hij verloor door zijn Romeinse sympathieën. Hij vluchtte en probeerde keizer Caligula over te halen Brittannië te veroveren, wat niet lukte. Caratacus zelf had geen eigen land, maar vond dat al snel in het gebied van de Atrebates. Vroeger had zijn oom en beschermheer Epaticcus dit bezeten, nadat hij koning Verica had verdreven. Verica had echter de landerijen heroverd en Epaticcus gedood. Nu eiste Caratacus het land weer op, waarschijnlijk met de hulp van de Dobunni en de Durotriges. Verica werd verdreven en de Atrebates kwamen onder Caratacus’ heerschappij. Verica vluchtte via Gallië naar Rome. Adminius hielp hem daar rond 42 n.Chr. om keizer Claudius te smeken Brittannië in te vallen.
Scapula verplaatste zijn legioen XX Valeria van het pas nieuwe fort bij Colchester naar Glevum, Gloucester, om daar een andere versterking te bouwen om de rivier de Severn te bewaken. Een kleine eenheid veteranen bleef in Camulodunum als reservetroepen die het fort bewoonden. Het legioen II Augusta werd gebruikt om over de Severn diep de Silurische landen in te trekken. Als antwoord verplaatste Caratacus zijn centrum van het Silurische gebied in zuid-Wales naar de landen van de Ordovices in het midden van Wales. Scapula bouwde hierna een ander fort bij Viroconium, in de buurt van Wroxeter, waar hij het legioen XIV Gemina stationeerde voor een tweede uitvalsbasis. Het beboste en heuvelachtige terrein stelde Caratacus’ troepen nu in staat met zijn guerrillatactieken de Romeinse aanval te belemmeren. Door het nieuwe fort bij Viroconium kon Scapula de Britse troepen echter klem zetten met een aanval van twee kanten: het legioen II van het zuiden en het legioen XIV van het noorden.
Caratacus zelf vluchtte noordoostwaarts richting het Penninisch gebergte en het land van de Brigantes. De Brigantische koningin Cartimandua, waar Caratacus zijn toevlucht zocht, was echter een vazal van het Romeinse rijk en overhandigde hem zonder aarzelen aan Scapula’s troepen. Hij werd naar Rome gebracht waar hij werd rondgereden bij Claudius’ triomftocht voor het Romeinse volk, voordat hij gedood zou worden. Hoewel hij een gevangene was, was het hem toegestaan hiervoor de senaat toe te spreken. Dit deed hij zo waardig en onbevreesd, dat het doodvonnis van hem en zijn familie ongedaan werd gemaakt. Na de triomftocht bleven ze in Rome wonen en worden ze door Romeinse schrijvers niet meer genoemd. |
||||
![]() |
|||||
|
copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
|||||