|
|
|
|||
Charles Stewart
Charles vader, James Francis Edward Stewart, was de enige overgebleven zoon van de katholieke koning James de 2de en 7de, die in ballingschap in Frankrijk was gestorven nadat zijn dochter, Mary de 2de, en haar vrouw Willem de 3de van Oranje in 1688 de troon hadden gegrepen. Sindsdien woonden de rechtmatige vorsten van Groot-Brittannië in ballingschap. Zijn moeder had zich na de geboorte van haar tweede zoon, Henry, in 175, van haar echtgenoot vervreemd en uitte zich als diepgelovige in lange perioden van vasten en gebed. Dit tastte haar gezondheid aan en ze stierf in 1735.
De opstand van 1745
De vloot kwam echter een Britse vloot bij Torbay tegen die de Jacobite-schepen na een gevecht zwaar beschadigde, zodat die terug moest naar Frankrijk. Charles was diep teleurgesteld, maar wist dat de enige methode om de kroon terug te krijgen was dat hij naar Schotland moest gaan en zelf een opstand moest beginnen. Met een klein aantal volgelingen leende hij genoeg geld om munitie te kopen en hij huurde drie schepen: de Elizabeth, de Du Teillay en La Doutelle. De Elizabeth en de La Doutelle waren na een zeegevecht met de Engelse vloot gedwongen terug te keren naar Frankrijk. De Du Teillay bracht Charles veilig naar Schotland en zette hem af op het eiland Eriskay bij de Hebriden. Er wordt gezegd dat hij bij aankomst bloemenzaadjes heeft gezaaid en vandaag de dag bloeit de Prince’s flower dan ook alleen in Eriskay en nergens anders in Schotland.
Hij stuurde onmiddellijk
bericht naar de lokale clanchiefs en vroeg hen om hulp. Alexander
MacDonald raadde hem aan naar huis te gaan, aangezien hun steun niet
genoeg zou zijn. Charles antwoordde de beroemde zin: ‘Mijn heer, ik ben
De Du Teillay ging de volgende morgen bij de Loch nam Uamh voor anker. Meer Highland chiefs kwamen aan om de jonge, knappe prins te zien en te bewonderen, maar waren even weinig enthousiast als MacDonald. Charles wist enkele chiefs toch over te halen om met hem mee te gaan en kreeg ook de Camerons of Lochiel, een machtige clan, aan zijn zijde. Op 19 augustus 1745 werd de standaard van James de 3de opnieuw opgericht in Glenfinnan, bij Loch Shiel, de afgesproken ontmoetingsplaats van de Jacobite-clans. Na drie zenuwslopende uren van wachten, begonnen de clans Cameron, MacDonald en MacGregor uit de nabijgelegen heuvels te komen om hun prins te begroeten, begeleid door oorlogsliederen op de bagpipe. Uiteindelijk werden er zo’n 1.500 man verzameld. De Hanoveriaanse regering in Londen zette een prijs op het hoofd van de Jonge Pretendent. Deze antwoordde zelfbewust met hetzelfde bedrag op de gevangenname van de ‘keurvorst van Hanover’. Het Jacobite-leger, dat steeds groter groeide, arriveerde op 4 september in Perth en werd versterkt door lord George Murray, de broer van de hertog van Atholl en een ervaren soldaat, die Charles benoemde tot de aanvoerder van zijn leger. Charles verbleef in het Salutation Hotel dat nog steeds bestaat. Er wordt gezegd dat hij ook Scone heeft bezocht, de plaats waar zo veel Schotse koningen voor hem zijn gekroond. Op 16 september arriveerde het leger bij de rand van Edinburgh en kondigde een ultimatum af voor de overgave van de stad. Een bode van de stad vroeg om tijd om het ultimatum te bediscussiëren, maar toen hij terugkeerde gingen Lochiel, Murray en 900 troepen achter hem aan en namen zonder weerstand de stad in. Charles reed, gekleed in de Stewarttartan, door de hoofdstad heen en werd door de gehele bevolking toegejuicht en bewonderd. Alleen het kasteel was nog van de Hanovers.
De prins zette zijn hof op in Edinburgh, terwijl hij verbleef in Holyrood House, en schreef zijn vader in Rome triomfantelijk over zijn overwinningen. Op 10 oktober bracht hij een declaratie uit, waarin hij zijn acties rechtvaardigde. Hij verbleef zes weken in Edinburgh en besloot toen met zijn officieren naar Engeland te trekken. De strategie was om het leger van 5.500 man op te splitsen en via twee wegen naar Carlisle te trekken. Deze grensstad werd belegerd en op 17 november door de Jacobites veroverd. Hierna marcheerden ze gezamenlijk via Preston en Manchester, waar een klein regiment werd opgericht. Op 5 december bereikte het leger Derby, een paar dagen marcheren van Londen af. Toen startten de problemen. Het bericht bereikte Charles dat het garnizoen van Edinburgh versterking had gekregen en dat William, hertog van Cumberland, de zoon van de Hanoverkoning George de 2de, aan het hoofd van een 10.000 man sterk leger tegen Charles opmarcheerde.
Ondertussen was de krijgsraad van de Jacobites in volle gang. Prins Charles wilde naar Londen doorgaan. Murray was bezorgd over de kwetsbaarheid van hun positie en vroeg om terugkeer naar Schotland. In de stemming die volgde werd Charles’ voorstel weggestemd. Het leger keerde terug naar Schotland, liet een garnizoen bij Carlisle castle achter en kwam op eerste kerstdag 1745 in Glasgow aan. Tijdens zijn verblijf daar ontmoette hij de 20-jarige Clementina Walkinshhaw, die later zijn minnares zou worden. Op 17 januari 1746 ontmoetten de Jacobites en de Hanovers elkaar onder leiding van respectievelijk George Murray en generaal Hawley, ten zuidwesten van Falkirk. De Highlanders overrompelden de Engelsen, die het slagveld in gedesillusioneerd verlieten. Alleen de schemering zorgde ervoor dat de achtervolging van de vluchtelingen stopte. Van Glenfinnan tot Falkirk was het Jacobite-leger nog nooit verslagen. Na Falkirk wilde Charles weer terugkeren naar het zuiden, maar zijn officiers raadden aan naar het noorden te trekken. De prins vond het verschrikkelijk, maar stemde toe. Zijn leger werd kleiner tijdens de mars naar het noorden. Op 20 februari bereikte Charles met minder dan 5.000 man Inverness. Het duurde een tijdje totdat de hertog van Cumberland een troepenmacht bij elkaar had verzameld, maar half april stond hij met 8.000 soldaten klaar om zijn rivaal te bevechten bij Culloden.
De parlementstroepen vervolgden na Culloden iedereen waarvan ze dachten dat ze mee hadden gedaan aan de Jacobite ‘rebellie’ en vele huizen en kastelen werden in brand gezet. Honderden werden na korte schijnrechtszaken geëxecuteerd, 700 stierven op gevangenenschepen in de Thames en een duizendtal werd als slaaf aan Amerikaanse plantages verkocht. De kilt, de doedelzak en het spreken van Gaelic werd verboden en geen enkele Highlander mocht meer een wapen dragen.
Charles’ latere jarenToen Charles Schotland verliet, was hij vast van plan meer geld te verzamelen en met Franse soldaten een andere campagne te lanceren. Dit vond nooit plaats en hij verbleef de jaren na de opstand met name in Frankrijk. In laat 1747 en vroeg 1748 kreeg hij een relatie met zijn nicht, Marie-Louise de la Tour d’Auvergne, die getrouwd was met de hertog van Montbazon. Dit resulteerde in de geboorte van een zoon, prins Charles, die vijf maanden later stierf. Hierna legde hij het aan met een andere getrouwde vrouw, prinses Marie-Louise Jablonowska, echtgenote van prins de Talmont, een vrouw die meer dan twintig jaar ouder was. Hun relatie duurde drie jaar.
In mei 1752 verhuisde de prins naar Gent en Luik. Daar hernieuwde hij de relatie tussen hem en Clementina, met wie hij de volgende acht jaar samenleefde. In 1753 werd hun dochter Charlotte geboren. Hun relatie was stormachtig. Charles was uit teleurstelling aan de drank gegaan. Teleurgesteld over de steun van Frankrijk en de paus werd hij zeer anti-katholiek. Hij ontsloeg zijn katholieke bedienden en wilde niet dat zijn dochter gedoopt werd. Nadat het gezin een tijd in Parijs had verbleven, vertrok het in 1754 naar Basel, maar keerde twee jaar later terug in Luik. In mei 1758 verhuisden ze naar Bouillon, maar in juli 1760 vertrok Clementina met hun dochter. Na de dood van zijn vader, koning James de 3de en 8ste, op 1 januari 1766, claimde Charles zijn rechten in Brittannië. Hij had zijn vader na de opstand nooit meer ontmoet. De Jacobites erkenden hem meteen als koning Charles de 3de en hij vertrok naar het Palazzo Muti in Rome, waar hij in 23 Januari 1766 zijn hofhouding vestigde. Geen van de hoven die zijn vader hadden erkend, deed dit met Charles. Charles’ broer Henry, hertog van York en kardinaal van Frascatti, stuurde nog een brief naar paus Clemens XIII waarin hij verzocht om erkenning, maar dit was tevergeefs. Vanaf dat moment gebruikte Charles de titel van baron van Renfrew in het openbare leeftijd. In maart 1772 trouwde Charles in Parijs op afstand met prinses Louise van Stolberg-Gedern, dochter van prins Gustavus van Stolberg-Gedern en zijn vrouw, Elizabeth van Hornes. Op 1 mei bevestigde het koppel hun huwelijksband persoonlijk in de kapel van palazzo Marefoschi in Macerata. Ondanks een leeftijdsverschil van 30 jaar begon het huwelijksleven naar tevredenheid. Ze werden teleurgesteld toen de paus Charles nog steeds weigerde te erkennen. Het echtpaar had gehoopt dat door een huwelijk dit zou veranderen. In juli 1774 verhuisden ze naar Florence, waar Charles de titel van graaf van Albany opnam. Ze leefden een tijdje in het Palazzo Corsini sul Prato, voordat ze zich vestigden in Palazzo Guadagni, nu Palazzo San Clemente. Louise had een paar jonge mannen die haar het hof maakten en Charles, die nog steeds met zijn drankprobleem zat, werd jaloers. Dit werd versterkt doordat duidelijk werd dat Louise onvruchtbaar was. Rond 1778 werden Louises flirts met de poëet Vittorio Alfieri overspelig en twee jaar later, in december, vluchtte ze naar een nabijgelegen klooster, omdat Charles haar mishandeld zou hebben. Charles en Louise ontmoetten elkaar niet meer en in 1784 werd erin toegestemd dat het koppel gescheiden mocht leven. Louise leefde nu een tijd op de zak van Charles’ broer Henry, die niet wist dat ze overspel pleegde.
Vlak na zijn 67ste verjaardag kreeg Charles een beroerte, waarbij een deel van zijn lichaam verlamd raakte. Hij stierf op 31 januari 1788 in Rome en werd in de kathedraal van Frascatti begraven. Zijn broer, Henry Benedictus, die daar bisschop was, nam zijn claim op de Britse troon over. Na diens dood werden Charles’ overblijfselen naar de Sint Pieter in het Vaticaan gebracht, waar hij in het graf van zijn broer en vader werd bijgezet. Het was tot de 20ste eeuw onbekend dat Charlotte een relatie met de bisschop van Cambrai had. Hun jongste zoon, Charles Edward, graaf van Roehenstart, trouwde twee keer maar had geen kinderen en stierf bij een koetsongeluk in Dunkeld, waar hij in de kathedraal begraven ligt. De oudste dochter stierf jong. De jongste echter, Marie Victoire, leek van de aardbodem verdwenen te zijn totdat Peter Pininski, een Poolse aristocraat, in 2001 zijn boek ‘The Stuart’s last secret’ publiceerde, waarin hij claimt dat Marie Victoire verscheidene malen getrouwd is geweest en dat hij van haar afstamt. Tegenwoordig is de hertog van Bavaria de officiële erfgenaam van prins Charles, die via Charles de 1ste verre familie van hem is, maar wanneer er een nabijere afstammeling van Charles Edward Stewart zou leven, zou dat hoopgevend zijn. Zie ook:
Culloden Celtic Webmerchant:
|
||||
|
copyright © 2009 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
||||