|
|
|
||
|
|
Charles de 1ste
Een groot deel van zijn opvoeding werd verzorgd door de beste vriend van zijn vader, George Villiers, de eerste graaf van Buckingham. Samen met hem reisde hij incognito naar Spanje om een huwelijk te arrangeren tussen hem en de dochter van koning Filips de 3de van Spanje. Dit liep echter niet goed af, omdat de Spaanse heerser eiste dat hij katholiek zou worden en tot een jaar na het huwelijk in Spanje zou blijven, zodat hij er zeker van zou zijn dat alle eisen die hij aan het huwelijk stelde, nagekomen werden. Charles keerde woedend terug naar Engeland en eiste dat zijn vader Spanje de oorlog zou verklaren. James vroeg subsidies aan voor een oorlog en vroeg daarna toestemming voor een huwelijk tussen zijn zoon en prinses Henrietta Maria van Frankrijk. Zij was de zus van koning Louis de 13de, maar ze was katholiek. Het parlement vreesde dat hij zich zou bekeren en de inperkingen van het katholieke geloof ongedaan zou maken, maar hij verzekerde hen dat dit niet zou gebeuren. Op 13 juni 1625 trouwden ze in de kathedraal van Canterbury.
Zijn eerste bezigheid als koning was zich te bemoeien met de dertigjarige oorlog. Deze was uit de hand gelopen tot een religieus conflict tussen katholiek en protestant. Omdat hij zijn zwager, Frederik de 5de van het prinsdom van de Rijn, had beloofd de landerijen die deze had verloren aan de Duitse keizer Ferdinand de 2de terug te krijgen, verklaarde hij oorlog aan Spanje omdat hij hoopte dat de Spaanse koning met Duitsland zou gaan onderhandelen ten gunste van zijn zwager. Het parlement wilden ter zee aanvallen uitvoeren op de Spaanse koloniën in de Nieuwe Wereld, maar Charles wilde op het Europese vasteland een aanval doen. Er werd 140.000 pond voor de acties uitgetrokken, wat veel te weinig was. Bovendien werd de belasting op wijn beperkt tot één jaar, terwijl de koning dit normaalgesproken zijn hele leven mocht heffen. Op deze manier kon het parlement Charles’ uitgaven in de gaten houden. Hoewel hij geen toestemming had gekregen voor de wijnbelasting, bleef Charles hem toch heffen.
Op 17 maart 1628 riep hij het parlement weer bijeen en opende met de vraag naar geld. Het parlement weigerde dat echter toe te zeggen, tenzij hij toestemde met hun eisen. Ze eisten dat hij geen belastingen zonder hun toestemming zou opleggen, geen krijgsrecht op burgers zou toepassen, geen burgers zonder aanklacht zou opsluiten en ook geen soldaten bij burgers in zou kwartieren, zonder dat zij dat wilden. Charles stemde met tegenzin toe, hoewel hij nog steeds belastingen bleef heffen zonder de toestemming van het parlement. Op 23 augustus 1628 werd de graaf van Buckingham vermoord.
De koning was echter redelijk goed in staat alleen te regeren en de eerste jaren gingen goed. Hij tekende vredesverdragen met Frankrijk en Spanje, waardoor zijn uitgaven minder werden. Hierdoor groeide de handel enorm en kon hij veel wijnbelasting innen. Hij kreeg daarnaast veel geld door oude, lang vergeten wetten en gewoonten na te leven en degenen die niet volgens deze wetten handelden te beboeten. Hij introduceerde het scheepsgeld opnieuw, dat door de Plantagenets werd gebruikt om schepen uit te rusten in tijden van oorlog. Hierdoor groeide het verzet. In 1633 had Charles zijn belangrijkste politieke adviseur, William Laud, benoemd tot aartsbisschop van Canterbury. Met hem voerde hij verschillende religieuze hervormingen door om de orde en autoriteit in de kerk te doen weerkeren. Non-conformistische geestelijken werden ontslagen en puriteinse organisaties werden gesloten. Laud probeerde de liturgie die was voorgeschreven in het Boek van Gemeenschappelijk Gebed door te voeren en steunde de leer van de Nederlandse protestant Jacobus Arminius, die door vele Britse calvinisten als te katholiek werd gezien. Laud gebruikte twee gerechtshoven om degenen die zijn hervormingen niet accepteerden te straffen, het nieuwe Hof van Hoge Commissie en het al bestaande Hof van de Sterrenkamer. Deze twee hoven hadden bijna oneindige macht en onttrokken de getuigenissen van hun slachtoffers systematisch door martelingen.
Dit verdrag werd echter volgens de Schotse kerk niet juist door de koning geïnterpreteerd. Hierom moest Charles, die bijna bankroet was, een parlement bijeen roepen om fondsen te werven voor een nieuwe campagne tegen Schotland. Hij beloofde het innen van scheepsgeld terug te roepen en de regering vond het goed dat hij fondsen ging werven voor een oorlog, maar wilde toen uitleg van dingen die Charles tijdens zijn persoonlijke regering had gedaan. Deze uitleg weigerde hij en dit leidde tot een patstelling. Daarom werd het parlement in mei 1640 ontbonden. Omdat het maar een maand had bestaan, kreeg het de naam het korte parlement. Charles probeerde de Schotten in de tweede bisschopsoorlog te verslaan, maar faalde en tekende in oktober 1640 het verdrag van Ripon, waarin hij beloofde de kosten de uitgaven van het Schotse leger te betalen. Op aanraden van het magnum concilium, de raad van kerkvaders en landeigenaren die al eeuwen niet bijeen was gekomen maar wiens hulp de koning nu inriep, riep hij een nieuw parlement bijeen dat bekend kwam te staan als het lange parlement.
In oktober 1641 kwamen de Ieren in opstand en ontstond er de vraag naar een leger. Het parlement vreesde echter dat Charles dit leger na het uitroeien van de opstand tegen hen zou gebruiken. Daarom stelde het parlement voor om een persoon aan het hoofd van het leger aan te stellen die namens de koning en het parlement zou leiden. Charles weigerde deze Militia Bill, het Militiewetsontwerp, aan te nemen. De verhoudingen stonden gespannen. Er ontstonden geruchten dat het parlement Charles’ katholieke vrouw, Henrietta Maria, probeerde te arresteren. Charles ging onmiddellijk over tot actie en nam een leger mee om vijf parlementsleden te arresteren die hij verdacht van samenspannen tegen zijn vrouw en het opstellen van de Grote Remonstrantie. Toen hij en zijn troepen het House of Commons binnengingen, waren de vijf al gevlucht. Hij vroeg de voorzitter waar ze waren gebleven, maar hij weigerde te antwoorden. De koning verliet het parlement, reisde noordwaarts en begon een leger te rekruteren, terwijl zijn vrouw naar het vasteland ging om daar geld bijeen te brengen. De Britse burgeroorlog was begonnen. Na vruchteloze onderhandelingen verhief Charles op 22 augustus 1642 zijn banier in Nottingham. Hij had controle over grofweg het noorden en westen van Engeland, terwijl zijn voormalige parlement onder leiding van Oliver Cromwell Londen en het zuiden en oosten van Engeland controleerde. De eerste confrontatie vond op 26 oktober dat jaar plaats bij Edgehill, maar bleef onbeslist. De schermutselingen gingen door in 1643 en 1644, totdat de parlementstroepen de koningsgezinden versloegen in de slag van Naseby. Hierna sloeg de balans om ten gunste van het parlement en toen het regeringsleger Oxford, het hoofdkwartier van de koning, belegerden, vluchtte Charles in april 1646 naar Schotland. Hij zocht onderdak bij het presbyteriaanse leger en ging met hun mee naar Southwell, waar zijn ‘beschermers’ overlegden wat ze met hem moesten doen en hem uiteindelijk in 1647 aan het parlement overleverden.
Vanuit zijn gevangenis onderhandelde hij met verschillende partijen en hij kwam overeen met de Schotse presbyterianen dat hun religie in zowel Engeland als Schotland op proef doorgevoerd zou worden. Daarom startte in juli 1648 de tweede Britse burgeroorlog en vielen de Schotten Engeland in. Ook begonnen in verschillende delen van Engeland en in Zuid-Wales serieuze opstanden. Toen de Schotten echter in augustus de slag bij Preston verloren, was de kans op een geslaagde oorlog verkeken. Charles werd aan het eind van 1648 naar Hurst Castle en daarna naar Windsor Castle vervoerd. Omdat hij het parlement zelfs tijdens zijn gevangenschap had geminacht en de Schotten had uitgenodigd om aan te vallen, zette het House of Commons een gerechtshof op voor Charles’ berechting. Hij werd gezien als koppig, oneervol en verantwoordelijk voor onnodig bloedvergieten, omdat hij zijn nederlaag niet toe wilde geven en opnieuw met de oorlog was begonnen. Er was nog nooit eerder een Engelse vorst berecht als vorst, hoewel er wel koningen waren afgezet was dit idee geheel nieuw. De rechtszaak tegen de koning wegens hoogverraad en andere ‘zware misdrijven’ begon op 20 januari 1649. Charles weigerde een pleidooi te houden, omdat hij van mening was dat geen enkel gerechtshof recht kon spreken over een koning. Zijn macht was hem door god gegeven en alleen god kon hem deze ontnemen. Telkens wanneer het hof hem vroeg om zich te verdedigen, trok hij de legitimiteit van het proces in twijfel met de woorden: ‘I would know by what power I am called hither, by what lawful authority?’ Charles’ executiebevel werd op 29 januari 1649 getekend door 95 van de 135 juryleden. Nadat het vonnis was voorgelezen, werd hij naar het Palace of Whitehall in Londen gebracht, waar een schavot was opgericht.
Oliver Cromwell, de leider van de revolutionairen, stond in een ongewoon vriendelijk gebaar toe om het hoofd weer op de romp te naaien, zodat Charles’ familie hem de laatste eerbewijzen kon tonen. De koning werd op 7 februari begraven in de Henry de 8ste crypte van St George’s Chapel in Windsor Castle. Zie ook:
Executiebevel Charles de 1ste Celtic Webmerchant:
|
|
|
![]() |
|||
|
copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
|||