|








|
Druïden
De
Keltische religie werd geregeld door de priesterkaste, de druïden, die
veel macht hadden binnen de samenleving. Er wordt gezegd dat alle
gemeenschappelijke en persoonlijke zaken door hen werden geregeld. Ze
werden door iedereen hoog geacht. Koningen en edelen zonden hen hun
kinderen om in de leer te gaan. Al in de steentijd werd de
voor-Keltische bevolking geregeerd door priesters en toen de Kelten zich
verspreidden werd het priesterschap en een deel van de goden van dit
volk overgenomen door de druïden. De druïden hebben weinig tot geen
geschreven bronnen van hun geschiedenis en leer overgelaten, maar het is
mogelijk om door mythen en archeologische vondsten een deel van deze
mysteriën te ontrafelen. Hiervan is echter niets met zekerheid vast te
stellen. Het is waarschijnlijk dat er drie klassen druïden waren:
barden, ovaten en druïden. De barden waren geschiedschrijvers en
leraren, ovaten de kruidendokters en genezers, druïden de sjamanen en
priesters.
In
Groot-Brittannië waren de laatste hoofdkwartieren van de druïden,
waarvan Mona het belangrijkste was. Hierdoor zijn de druïden en
Groot-Brittannië onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het woord druïde
komt mogelijk van het Griekse woord ‘derw’, dat eikenboom betekent en ‘wydd’,
ziener. De eikenboom was een heilige boom en het symbool voor kennis.
Derw komt dan ook van het woord ‘dru’, Gaelic voor kennis. Het Gaelic
woord ‘druidh’ betekent ‘wijze man’ of ‘magiër’, De druïdische
priesterklasse regeerde de Engelse en Britse Kelten tot ongeveer 61 n.Chr., in
Schotland
en
Ierland hebben zij
langer de macht gehouden, omdat daar de
Romeinen
nooit goed zijn doorgedrongen.
Door
archeologische vondsten is duidelijk geworden dat er al druïden
bestonden voordat de Kelten naar Groot-Brittannië kwamen en dat zij een
goed georganiseerde leer en religie hadden. De Kelten hebben hun leer
grotendeels overgenomen en later verspreidt naar het vasteland van
Europa. Deze vroege druïden bouwden heilige plaatsen van steen, die over
de gehele wereld zijn te vinden. Niet alleen in Groot-Brittannië kwamen
druïden voor, maar in de gehele Keltische wereld. Wel is aannemelijk dat
de filosofie van de druïden oorspronkelijk uit Groot-Brittannië komt.
Toen de
Romeinen
landden in Groot-Brittannië, begonnen zij een vastberaden campagne tegen
de druïden, omdat zij de macht hadden meerdere stammen te verenigen
onder hen. In 59 v.Chr., toen de legioenen van Claudius het
eiland veroverden, werd Suetonius Paulinus met een legioen naar Mona
gestuurd, om daar de druïden te vernietigen. Terwijl hij deze opdracht
uitvoerde, begon in het oosten een revolutie onder leiding van de
koningin en druïde
Boudicca
tegen de wreedheid van de veroveraars. Duizenden
Romeinen
waren afgeslacht en er zouden er nog duizenden volgen, als Suetonius
niet terugtrok om de verenigde stammen te bevechten.
Suetonius
marcheerde de rebellen tegemoet en in een gevecht, waarbij hij tienmaal
minder man had dan de koningin, maar waarbij zijn troepen wel goed
uitgerust en getraind waren, versloeg hij
Boudicca. Omdat Suetonius
Wales
zo snel had verlaten, heeft hij de druïden nooit geheel vernietigd. Veel
leraren, priesters en priesteressen vluchtten naar het eiland Iona, de
bergen bij Snowdonia en verder. In de volgende 30 jaar veroverden de
Romeinen
de gehele gebieden van
Engeland
en
Wales, waarbij ze
de druïden verder de bergen in dreven, naar
Schotland
en
Ierland. Van 59
tot 383 n.Chr. regeerden de
Romeinen. Ondertussen probeerden ze de mensen te onderdrukken
en alle vestigingen van de druïden te vernietigen. In dit eerste
slaagden ze, maar het laatste mislukte. Het druïdisme leefde voort in de
Welshe bergen,
Ierland
en
Schotland
tot tenminste de elfde eeuw n.Chr.
Veel
druïden werden echter bekeerd tot het
christendom
en langzaamaan werden de Druïdische functies aan de Keltische hoven
vergenomen door de Barden. Nadat het
christendom
zijn intrede had gedaan was het de druïden niet toegestaan hun
godsdienst uit te oefenen. Zij gaven zich daarom vaak uit als zangers.
Een vorm van druïdisme leefde
weer op in de zeventiende eeuw in Londen. Ook vandaag de dag zijn
er veel sporen van het oude Keltische geloof terug te vinden in
wicca. De tempels
van de druïden, waar het heilige vuur werd bewaard, werden meestal
gebouwd op heuvel- en bergtoppen en in eikenbossen. Het adytum of de
grot van de mysteriën werd de Cromlech genoemd. De Cromlech werd
gebruikt als heilig altaar van wedergeboorte. Het bestond uit drie
rechte stenen, waarop een platte steen rustte, zodat een kleine cel werd
gecreëerd. Deze constructie werd gebruikt voor de initiatieriten van de
leerlingen. De Caer Sidi, waar ook veel rituelen van de druïden werden
uitgevoerd, bestond uit verschillende gebouwen. Bij de tempel waren
appartementen, cellen, baden en lange gangen gebouwd. Zeer vaak bevonden
deze plaatsen zich ondergronds.
De leer van de
druïden leek op die van volkeren uit India, Perzië en Egypte. Net zoals
hun hadden de druïden twee religieuze leren: een voor ingewijden en een
voor niet-ingewijden. Het hart van het geloof was het eiland van
Anglesey, of Mona. De basisregel van de druïden was het geloof in
de hoogste kracht van het universum en het geloof in de onsterfelijkheid
van de ziel. De ziel was onsterfelijk door reïncarnatie. Het druïdisme
omhelsde een paar religieuze en filosofische ideeën die gebaseerd waren
op astronomische berekeningen. Ze hadden twee belangrijke goden, een
grote vader en een grote moeder, Beli Mawr en Donn. Deze twee werden
gezien als de personificatie van het hele leven, maar naast hun werden
in latere tijden meerdere goden vereerd.
De
feesten van de druïden werden bepaald door de stand van de zon, door
equinoxen en solsticen. Op meiavond en novemberavond werden de twee
belangrijkste feesten gevierd, Beltaine en Samhain. Op deze feesten
werden vuren aangestoken bij cairns en cromlechs door het hele land, die
de hele nacht brandden om het festival aan te kondigen. Rond deze vuren
werden dansen gemaakt om de godin en de god te eren, waarvan werd gezegd
dat ze zouden opstaan uit hun tombes - de godin op Beltaine en de god op
Samhain. De festivals waren ook een tijd van vrede en vreugde, als
voorbereiding voor of als opluchting na de lange winter. De
festiviteiten gingen door van zonsop- tot zonsondergang en gingen die
nacht nog door, als de priesters en priesteressen zich terugtrokken naar
de bossen, waar vrijages gewoon waren. De druïden waren de enigen die
rituelen uit konden en mochten voren. Als iemand anders dat deed werd
hij uitgebannen, wat voor de diepgelovige Kelten vrijwel gelijk was aan
de dood. Ze spraken recht in alle ruzies met definitieve en
onveranderlijke besluiten.
Zelf geloofden
de druïden dat de oorsprong van hun leer in Groot-Brittannië lag en
verschillende moderne theorieën bevestigen dit. Het was dan ook de
gewoonte om iemand die druïde wilde worden naar Groot-Brittannië te
zenden om daar in de leer te gaan. De druïden voerden verschillende
taken uit in de Keltische maatschappij. Deze verschilden per laag in de
priesterklasse; barden en ovaten hadden andere taken dan de priesters en
priesteressen, de daadwerkelijke druïden.
Druïden hadden
zich in zeer veel specialiteiten bekwaamd, zoals geneeskunde,
kosmologie, astronomie en wiskunde. Ze waren op het gebied van
wetenschap de andere volkeren ver vooruit. Ook waren er dichters,
filosofen rechters en leraren. In het wit geklede priesteressen, die een
metalen gordel droegen, voorspelden de toekomst aan de hand van
natuurverschijnselen. Julius Caesar beschrijft ze echter ook als
bloeddorstige beulen, die mensenoffers levend verbrandden, naast hun
taken als leider en priester. De toekomstige druïde had een lange weg te
gaan, want de opleiding tot druïde duurde 20 jaar en alle kennis werd
mondeling overgebracht. Dit gebeurde vaak zingend. De leraar zong zijn
kennis over naar de leerling en de leerling zong het in een hogere toon
terug. Dit proces bleef, ook toen het schrift was ontwikkeld,
voortbestaan. Dit was enerzijds om hun kunsten voor de
Romeinse
binnendringers geheim te houden, anderzijds omdat ze zo het geheugen
scherp hielden.
De leerweg van
een druïde was in drie fasen verdeeld: academisch, kunstzinnig en
spiritueel. De initiatieriten voor barden, ovaten en druïden werden om
middernacht uitgevoerd. De kandidaat werd in een tombe gelegd. Zijn
symbolische dood stond voor de dood van Beli Mawr, de zon; en zijn
opstanding als druïde symboliseerde de terugkeer van de zon. Hij of zij
moest beproevingen en testen ondergaan, voordat hij of zij de nieuwe
functie op zich kon nemen. De barden waren druïden in hun eerste
opleidingsfase, maar dat betekent niet dat ze een lagere positie ten
opzichte van druïden innamen. Zij probeerden tijdens hun opleiding
contact te leggen met het verleden en de natuur, werkten met de
mythologie en met het erfgoed van hun stam. Ook waren zij zangers en
dichters en voerden rituelen uit met visualisatie en meditatie.
Daarnaast werkten ze veel met de seizoenen en de vier elementen. De bard
was een diplomaat die onschendbaar was.
Ook
in andere culturen, zoals de Noorse cultuur, waren er soortgelijke
functies als die van de bard, daar was echter de bard niet in opleiding
tot een hogere laag, maar was hij al volleerd. Na de
Romeinse
invasie werden de barden vaak hofzangers. De Ovaten waren verder
gevorderd in hun studie tot druïde dan barden. Hun taken bouwden voort
op de kennis die ze hadden verworven tijdens de studie tot bard, de
kennis die ze tijdens die studie hadden opgedaan, brachten ze in
praktijk. Ovaten gebruikten hun uitgebreide kennis over de natuur, de
elementen en de hemellichamen om mensen te genezen in zowel hun lichaam
als hun geest. Daarnaast doken ze dieper in de geestenwereld en de
wereld van de goden, die ze in de vorige fase hadden bestudeerd. Ze
probeerden deze werelden te begrijpen, er contact mee te leggen en zich
hierin te verplaatsen om zo hun creatieve krachten te kunnen sturen. Het
begrip voor de geestenwereld en voor de tijd kon de vorm aannemen van
profetie en waarzeggerij.
Zie ook:
Het eiland Mona
Keltische
feestdagen
Goden van
Wales
Goden van
Ierland
De kracht van
de natuur
Celtic Webmerchant:
|








|
|