|
|
|
||||
|
Wat er gebeurde op Glencoe Dit verhaal is onlosmakelijk aan dat van de geschiedenis van de clan Henderson verbonden. Zij waren van oudsher onderdeel van de MacDonalds en leefden bij Glencoe tijdens het bloedbad bij Glencoe kwamen met de MacDonalds, vele Hedersons om het leven.
De verteller is James Bryce, schrijver en onderzoeker naar de eigenlijke toedracht: J&E Campbell. Geen enkele vallei in Schotland bezit die wilde, majesteitelijke schoonheid als die van Glencoe. De bergen rijzen in enorme massa’s omhoog en vormen een statig amfitheater dat met zijn stille onmetelijkheid ontzag inboezemt. Tegenwoordig is de vallei een paradijs voor Munrobaggers en rotsklimmers, een plaats waar je de werkelijke betekenis van woeste schoonheid kan vinden. Echter, die stilte en statigheid die op elke reiziger een diepe indruk maken, komt niet alleen door de troosteloze aanblik van het nauwe dal. Het is niet moeilijk je voor te stellen dat het door iets heel anders komt, iets ontastbaars. Op een koude, vroege ochtend in februari, driehonderd jaar geleden was de vallei van Glencoe bedekt met sneeuw die bloedsporen vertoonde van de argeloze MacDonalds, vermoord in opdracht van de regering. Op 27 augustus 1691 kondigde koning Willem de 3e van Oranje af, dat alle Hooglanders die voor James de 7e van Schotland en 2e van Engeland hadden gevochten, kwijtschelding van straf zouden krijgen als zij een eed van trouw aflegden voor 1 januari. Als zij dat niet deden, zouden zij geëxecuteerd worden. Het afleggen van deze eed zou niet veel problemen moeten geven, ware het niet dat de Hooglanders al een eed van trouw hadden gezworen aan koning James, die als banneling in Frankrijk verbleef. Een nieuwe eed aan koning Willem zou zo geen waarde hebben, tenzij James hen van hun verplichtingen zou ontslaan. Op 12 december werden er daarom afgezanten naar James gestuurd, om hun dilemma voor te leggen. Deze waren negen dagen later weer in Edinburgh terug en deden er nog minstens een dag over om hun Chieftains (de hoofden van de Clans) te bereiken. De reis van MacLain
De chieftain vertrok meteen. Hij moest door een berggebied dat in die tijd van het jaar door dikke lagen sneeuw moeilijk begaanbaar was. In zijn haast om Inverary te bereiken stopte hij niet eens bij zijn eigen huis wat hij passeerde, om even te vertellen waar hij heen ging. Ongeveer halverwege werd hij op het landgoed Barcaldine aangehouden door een troep grenadiers, aangevoerd door kapitein Thomas Drummond van het Argyll’s regiment. Om aan te tonen hoe dringend zijn zaak was liet hij de brief van de kolonel zien, waarop hij zonder pardon een dag werd opgesloten, om er zeker van te zijn dat hij niet op tijd in Inverary zou zijn. Toen hij eindelijk op 2 januari in Inverary arriveerde, kreeg hij te horen dat Colin Campbell nog nieuwjaar vierde en nog niet was teruggekeerd. Na drie dagen wachten, kon hij eindelijk bij de sheriff terecht die in eerste instantie weigerde de eed af te nemen, omdat hij veel te laat was. Nadat hij toch werd overtuigd van de ernst van MacDonalds situatie, gaf de sheriff toe en op 6 januari 1692 kon MacDonald de eed afgenomen. In de veronderstelling dat hij en zijn volk eindelijk veilig waren, vertrok MacDonald naar huis. De opdracht Ondanks het kwade bloed dat er zat tussen de clans van de Campbells en de MacDonalds vond Sir Collin Campbell het kennelijk belangrijk dat er niets ondernomen werd tegen de overtreding van Glencoe, die tenslotte berustte op een technisch foutje. In antwoord op de brief van kolonel Hill schreef Campbell: ‘ik heb ernaar gestreefd het grote verloren schaap Glencoe te ontvangen en hij heeft gezworen al zijn vrienden en volgelingen mee te laten doen zoals het privy order zal voorschrijven. Ik deel mede aan Edinburgh dat Glencoe, ondanks dat hij niet naar jou toe had moeten komen voor de eedaflegging, evengoed nog welkom is. Zorg ervoor dat hem en zijn volgelingen niets overkomt voordat de koning en de Council dit vernemen.’ Hij stuurde daarna de brief die hij van kolonel Hill had gekregen naar zijn sheriffklerk in Edinburgh die dezelfde naam had, met een verklaring dat MacDonald de eed had afgelegd. Hij verzocht hem de papieren aan de Privy Council voor te leggen en hem het besluit van de Council mee te delen. De sheriffklerk had echter een hekel aan alles dat niet volgens het boekje ging, en een nog grotere hekel aan alles wat MacDonald heette. Onofficieel werd er flink over gediscussieerd door advocaten, klerken van de Council en bepaalde privy Councillors. De meerderheid zag al dat gedoe met die late eed en alle wettelijke en politieke gevolgen, niet zitten. Bovendien, wat als de privy Council MacDonald niets ten laste zou leggen? Naar aanleiding van deze discussie kwam sheriffklerk Campbell met het idee om de naam MacDonald van de verklaring af te halen. Het kleurrijke verleden van de Hooglanders wordt gekenmerkt door geweld, vooral veroorzaakt door Campbells en MacDonalds en het aantal vijanden dat de clan van Glencoe gemaakt had was voor hun eerder een zaak om trots op te zijn dan om spijt van te hebben. Dat een ambtenaar deze zaak zo persoonlijk zou opvatten kan hier eigenlijk niet door verklaard worden. Het wijzigde de verklaring om bij zijn superieuren in een goed blaadje te komen en dan speciaal bij de meedogenloze Sir John Dalrymple, secretaris van Schotland, heer van Stair, omdat zijn afkeer van de Hooglanders en dan vooral van MacDonald’s alom bekend was.
Livingston had toestemming van de koning,
om de chieftains gevangen te nemen als zij alsnog de eed aflegden, maar
de opdracht werd verzegeld door een brief van Dalrymple die zei:
Met de officiële bevestiging dat MacDonald de eed niet had afgelegd, kon de enorme militaire operatie beginnen. Het plan dat in de eerste instantie was opgezet, werd afgeblazen. Een snelle, wrede aanval op Glencoe zou de overige clans wel op andere gedachten brengen.
De slachting Campbell vroeg aan de MacDonalds een plaats om zijn leger te kwartieren. Dit kon MacDonald niet weigeren, want het was in Schotland al lang de gewoonte om reizigers onderdak te verlenen. Deze wet was deels ontstaan, omdat Schotland een woest, moeilijk toegankelijk land is, waar het klimaat zich vrij vaak van zijn slechte kant laat zien. Ze kregen voedsel en onderdak bij de MacDonalds thuis. De Campbells genoten voor 10 dagen van deze goede gastvrijheid totdat Robert op 12 februari een geschreven bevel van Duncanson ontving, om alle MacDonalds die onder de 70 jaar waren uit te moorden. Ook stond er in de brief dat hij er vooral voor moest zorgen dat Maclain en zijn zonen de moordpartij niet mochten ontsnappen. Om vijf uur de volgende ochtend vermoordde Campbell zijn gastgezin, zijn nicht en haar man, Duncan Rankin, in bed. Vervolgens kregen de soldaten hun instructies, ze gingen naar MacLains deur, klopten aan en riepen dat luitenant John Lindsay hen wilde bedanken voor hun gastvrijheid.
De MacDonald wist hem neer te slaan, vluchtte en overleefde zo deze bloederige ochtend. Hij was niet de enige die wist te ontsnappen, veel MacDonalds gingen de bergen in, waar ze nog een week lang werden opgejaagd door Campbells troepen. Veel hadden alleen hun nachtkleding aan, terwijl het bitter koud was, daarom zijn niet weinig van hen ook doodgegaan in de sneeuw. Als de soldaten het gebied en de omstandigheden daarin beter hadden gekend, was de massamoord nog erger geweest. Uiteindelijk zijn op deze ochtend 40 MacDonalds in Glencoe omgekomen door geweld. De meesten hebben het overleefd, inclusief de twee zonen van de chieftain en zijn kleinzoon.
Gevolg Oorspronkelijk is dit verhaal in het Engels verschenen als audio casette in 1992 door Scotland Talking. Zie ook: Celtic Webmerchant:
|
|||||
![]() |
|||||
|
copyright © 2009 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
|||||