De Kelten

Het gebied waarin de Kelten leefden was constant onderhevig aan veranderende stammen en naties. Op het hoogtepunt van de Keltische cultuur reikte hun gebied van de Britse eilanden tot aan Turkije. Niet een centraal gezag, maar de gemeenschappelijke cultuur bond dit volk. Zij hadden hun eigen, individuele identiteit maar deelden ook veel cultuurelementen zoals taal, religie en levensstijl. Griekse schrijvers gaven de Kelten als eerst hun naam. Zij noemden ze Keltoi, wat zoiets als barbaar betekent. Bij de Romeinen stond dit volk op het vasteland bekend als Galli en als Britanni op de eilanden van Brittannië.

Geschiedenis
Het verhaal van de Kelten begint in de prehistorie. De Kelten stammen af van de volkeren uit de Urnenveldencultuur, die leefden in de bronstijd en de as van hun doden begroeven in urnen in grote urnenvelden. Vanuit oost-Europa zijn ze westwaarts langs de belangrijkste handelsroutes getrokken, vooral langs de rivier de Donau, richting het tegenwoordige Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Frankrijk. Hier onwikkelde hun cultuur zich tot een herkenbaar Keltische. De Hallstatt-cultuur, vernoemd naar een dorp in Oostenrijk, waar archeologen belangrijke vondsten hebben gedaan. Hier en in andere plaatsen werd zout gewonnen, wat in die tijd ongeveer even waardevol was als goud. De Hallstatt-cultuur duurde ongeveer van de 8ste tot de 6de eeuw v.Chr.

Toen de Griek Ephorus het bestaan van de Kelten vermeldde, waren ze al zo talrijk dat hij ze één van de vier barbaarse volkeren in de wereld noemde, de anderen waren de Libiërs in Afrika, de Perzen in het oosten en de Scythen, die ook in Oost-Europa leefden. De Kelten vormden tegen die tijd een grote groep stammen die leefden in een gebied dat van Schotland en Rusland tot het Mediterrane gebied reikten.

De techniek van ijzerbewerking werd door de Kelten aangenomen en de Keltische smeden waren de beste van Europa. Hun ijzer was gewild in de niet-Keltische gebieden en er ontstond levendige handel tussen de Kelten en de Grieken. Tegen de 7de eeuw v.Chr. waren veel stammen rijk geworden door inkomsten uit ijzer en zout, gewonnen in Hallstatt en andere dorpen in Oostenrijk. Rond die tijd dreven de Kelten niet alleen handel met de Grieken, maar ook met de Etrusken in Italië. Door delen van Grieks-Etruskische cultuurelementen aan te nemen, te veranderen en te verwerken in gebruiks- en kunstvoorwerpen, ontstond er rond de 5de eeuw v.Chr. een nieuwe Keltische cultuur in noordoost-Frankrijk, Zwitserland en het Rijngebied: de La Tèneperiode, genoemd naar een plaats in Zwitserland, die tot minstens de 1ste eeuw v.Chr. bleef bestaan. Tijdens de klassieke periode van Griekenland en Rome was de Keltische cultuur dominant ten noorden van de Alpen. Zowel  kunstenaars als wapensmeden uit de La Tèneperiode waren superieur aan de Grieken en Romeinen. Hun goede wapenrusting, het nieuwe type zwaard en maliën dat ze uitvonden en het gebruik van de strijdwagen stelden de Kelten in staat expedities te ondernemen tegen naburige stammen en volkeren. In de 4de eeuw v.Chr. vielen zij de Grieks-Romeinse wereld binnen en veroverden noord-Italië, Macedonië en Thessalië. Ze verwoestten Delphi in 279, plunderden Rome in 390 en drongen Asia Minor, Turkije binnen. Hier stonden de Kelten bekend als de Galatiërs. Na deze tijd werden de Kelten teruggedrongen. De Slavische stammen dreven ze uit oost-Europa en in centraal-Europa werden de Germaanse stammen vermoedelijk van oorsprong ook Kelten steeds sterker. Ook de Romeinen begonnen aan veldtochten tegen de Kelten. Allereerst kwam Noord-Italië onder Romeinse overheersing. Ze werden verslagen in Gallië, tegenwoordig Zwitserland, zuid-Duitsland en Oostenrijk. Waarschijnlijk was het onder Romeinse dreiging dat er steeds meer Keltische stammen van het vasteland naar Brittannië emigreerden. Uiteindelijk veroverden de Romeinen geheel Engeland, een klein deel van Wales en een deel van Cornwall. Ze zijn er nooit in geslaagd om Ierland te veroveren en ook Schotland, waar de Picten woonden, kregen ze niet in handen – ze moesten muren bouwen om te voorkomen dat hun land niet zou worden veroverd door de Picten.

In de 3de eeuw n.Chr. werden de Kelten van zuid-Duitsland verslagen door een alliantie van Germaanse stammen, de Alamanni. De terugtrekking van de Romeinse legioenen naar hun stervende rijk liet de Britse eilanden open voor nieuwe binnenvallers. De geromaniseerde Britten hadden in relatieve vrede geleefd tijdens de voorgaande eeuwen en haalden Europese huurlingen naar hun land om hun te helpen tegen de vijandelijke binnendringers. Maar toen ze het land van de Britten hadden gezien, keerden veel huurlingen terug naar hun thuisland – om meer troepen te halen, want ze wilden Brittannië innemen. De Saksen en de Angelen veroverden centraal-Brittannië en vormden het langzaam tot Engeland met een nieuwe taal die ook op het continent werd gesproken, de voorganger van het Engeland dat we nu kennen.

De Keltische landen in het noorden en westen hielden stand tegen de Saksen. In Schotland werden ondertussen de Picten en de Scotti, een stam uit Ierland, verenigd onder een koning, Cináed (Kenneth) MacAilpín. De volgende bedreiging vormden de Deense Vikingen. Ze plunderden de noordelijke landen jarenlang en vestigden zich op de eilanden ten noorden en westen van Schotland. Al deze eilanden bleven lange tijd aparte koninkrijkjes. Zij werden geregeerd door de Lord of the Isles, en weigerden de Schotse overheersing te erkennen tot 1700. De Vikingen vielen ook Ierland binnen en hielden daar enkele steden, zoals Dublin.

De Normandiërs van Frankrijk waren de laatsten die Brittannië binnenvelen in 1066. Dit beïnvloedde de Kelten meer dan enige andere invasie. De Normandiërs of Engelsen, zoals ze later bekend stonden, veroverden de gebieden van de Anglo-Saksen en de Keltische landen van Cornwall en Wales. Ze vielen uiteindelijk zelfs Ierland binnen. De Keltische cultuur is echter, ondanks vele pogingen hem uit te roeien, nooit vernietigd en bestaat nog steeds in Ierland, Wales, Schotland, Cornwall, het eiland Man, Bretagne en Galatië.

Samenleving
De Kelten hadden geen kastenmaatschappij, alhoewel er wel verschillende standen in de samenleving waren. Sociale mobiliteit was echter mogelijk. Het hoogste aangeschreven stond de adel. Soms was de hoogste edelman een koning, deze was meestal koning over of stamhoofd van een stam, maar later kwamen naties die bestonden uit verschillende stammen onder een koning te staan. Koningschap werd gezien als goddelijk en de leider was degene die namens de goden sprak. De kroon was echter niet altijd erfelijk, want koningen konden een opvolger aanwijzen. De erfelijke titel bij de Picten was via de vrouwelijke lijn, hoewel de vorst zelf vaak wel mannelijk waren. De monarchie was echter niet de enige Keltische regeringsvorm, waarbij de stamleider altijd werd uitgekozen door de stam. In Gallië was het bij sommige stammen voor de Romeinse verovering de gewoonte dat de edelen een magistraat, de Vagobret, kozen die de stam regeerde. De werkelijke macht lag echter vrijwel altijd bij de adel, zij bezaten het land en hun zonen en dochters werden de generaals en druïdes. Nobele geslachten werden met elkaar verbonden door huwelijken, zodat ze zuiver bleven.

Veel formele en informele macht had ook de priesterklasse. Deze was weer onderverdeeld in drieën: barden, ovaten en druïden. Zij waren wetenschappers, waarzeggers, genezers en rechters en waren de wetenschap van hun tijd vaak ver vooruit. Omdat zij de spirituele leiders van de Kelten waren, hadden ze veel macht. Onder de klasse van de adel stonden de krijgers die zowel spiritueel als politiek redelijk veel macht hadden. Daarna kwamen de boeren die eigen land bezaten en in hun eigen onderhoud voorzagen. Zij waren niet gebonden aan een edelman en waren in principe vrij om te gaan en te staan waar ze wilden. Omdat ze hun eigen vee konden bezitten en dit vaak ook deden, stonden ze ook wel bekend als de koeien leiders (cow chiefs).

De pachters hadden geen land in hun eigen bezit, maar kregen hun land van de adel in ruil voor een deel van de oogstopbrengst en steun bij oorlogen. Dit was in verschillende andere culturen door het latere feodale stelsel ook het geval. De pachters hadden echter wel rechten en als deze geschonden werden, leidde dit tot gezichtsverlies van de edele die de pachter beschermde. De onderste klassen werden gevormd door de slaven, buitenlanders zonder echte rechten. Het was echter altijd mogelijk voor een edelman om een slaaf te bevrijden en hem zijn pachter te maken. Slaven droegen niet bij aan de oorlog, omdat ze pas mochten vechten als hun leven werd bedreigd en ze geen wapens hadden.

Voorkomen
De naam ‘Cornwall’ komt van het Saksische woord ‘Cornwalas’, wat zoiets als  ‘land van de vreemde / donkere buitenlanders’ betekent. Dit geeft aan dat de Cornishe Kelten hun eigen identiteit hadden behouden tegenover de Romeinen en de Saksen. Verschillende bronnen geven een goede omschrijving van de oude Kelten die naar het schijnt zeer opvallend waren in zowel voorkomen als gedrag. Ze waren zeer waarschijnlijk lang en stevig gebouwd met blauwe ogen en blond of roodachtig haar. De mannen lieten eerder een snor dan een hele baard staan en waren geliefder bij het andere geslacht naarmate ze langer en breder waren.

Beide seksen waren zich welbewust van hun voorkomen en deden er veel aan om er mooi uit te zien. Ze hielden van sieraden. Veel gedragen door de adel was de torque, een soort nekring. De broches waarmee ze hun lange mantels mee vastzetten, waren vaak kunstig bewerkt. Soms droegen de Kelten blauwe beschilderingen op hun lichaam, vooral in oorlogstijd. Waarschijnlijk waren deze niet permanent, gezien de vele afbeeldingen van Kelten zonder lichaamsbeschilderingen.

De vrouwen droegen meestal een tuniek en een rok of een enkellange tuniek met een riem. Soms hingen aan deze tunieken kleine belletjes. Ze maakten zichzelf waarschijnlijk ook op en droegen hun haar in een lange vlecht of een knot. Keltische mannen droegen op het vasteland een broek en een tuniek, maar in Brittannië en Ierland bestond hun standaardkleding uit een dijlange tuniek en een mantel, met schoeisel van leer of bont dat rond hun benen was vastgemaakt.

Keltische oorlogvoering
De Kelten hebben vele gevechten gestreden, gewonnen en verloren. Soms waren dit kleine schermutselingen met slechts enkele honderden soldaten, maar er waren ook massale veldslagen in welke tien- tot honderdduizend mensen meevochten. In tegenstelling tot de Romeinen echter waren de Kelten waarschijnlijk niet gewend om te vechten in formaties en georganiseerde eenheden. De beschrijvingen die we hebben van oude bronnen, die natuurlijk meestal niet onbevooroordeeld waren, vertellen dat ze meestal in ongeorganiseerde groepen vochten. De oude Keltische legers vochten met hun vijand alsof ze hem zouden verslaan door hem met brute kracht te overweldigen, in plaats van met een uitgedachte tactiek. Deze instelling kwam waarschijnlijk deels door de Keltische mentaliteit waarin individuele dapperheid en heldendaden in hoger aanzien stonden dan overwinning door een dicht opeen gepakte formatie. En deze instelling heeft ook zeer vaak geholpen. De Kelten maakten veel gebruik van psychologische oorlogvoering. Voordat ze op hun vijand afstormden, maakten ze lawaai door hun wapens tegen hun schilden te slaan, te roepen en te zingen terwijl grote strijdhoorns, carnyces, en trommels weerklonken. Vervolgens lieten ze de afgeslagen hoofden van voorgaande vijanden zien als troffee.  Wanneer de slag eenmaal losbarstte raakte de krijgers in een blinde oorlogswoede die furor wordt genoemd en maaide alles neer dat op hun pad kwam. Dit schijnt vaak de Romeinse legioenen zo te hebben beangstigd, dat veel soldaten doodsbang wegvluchtten.

De organisatie die er was, was in het geval van de infanterie meer gebaseerd op de stam of de clan van een strijder dan het type wapen dat hij droeg. Dit versterkte het groepsgevoel en zorgde ervoor dat de krijgers elkaar meer beschermden. Strijdwagens en cavalerie werden aan de flank geplaatst en vochten samen. De krijgsbenden vormden vaak de eerste lijn en waren meestal ook het meest ervaren.

Klassieke historici schetsen verschillende beelden van de Kelten bij een nederlaag. Sommigen zeggen dat de linie, nadat de eerste aanval was mislukt, vrijwel meteen brak. Anderen vertellen hoe de strijders doorvochten tot het einde, zelfs als een overwinning onwaarschijnlijk was, waarbij ze liever zichzelf en hun familie doodden dan de slavernij in gevoerd te worden. De werkelijkheid zal hiertussen in liggen, aangezien vrijwel alle Griekse en Romeinse geschiedschrijvers hun werken kleurden. Wanneer de Kelten overwonnen, hakten ze de hoofden van de verslagen en gedode vijanden eraf. Men geloofde namelijk dat de kracht van een mens in het hoofd verborgen was. Deze hoofden werden dan later tegen de muur van het huis van de strijder gespijkerd.

De wapenrusting
De basisuitrusting van een Keltische krijger bestond uit een set van één tot vier speren. Eén was de 1,8 meter lange vechtspeer die soms een speerpunt van wel 50 cm had. De andere waren kleinere werpsperen met relatief kleine, korte speerpunten. Een soldaat had ook een groot houten schild, bedekt met leer en met een metalen schildknop, dat ongeveer 1,2 meter hoog en 0,5 meter breed was. Waarschijnlijk werd dit schild versierd met geverfde symbolen of metalen decoratie. Naast deze basisuitrusting droeg de Keltische strijder zijn gewone kleding, een broek, een shirt en een mantel. Alleen een Keltische edelman droeg een zwaard, de lengte van de kling varieerde van 0,8 tot 1 meter. De zwaarden van vroegere periodes  hadden duidelijke zwaardpunten en waren hierdoor in staat om zowel te hakken en te slaan als te steken. Later werd de punt afgerond en kon het zwaard vrijwel alleen gebruikt worden om te hakken en te slaan. Soms was het zo, vooral in de oostelijke gebieden, dat er van de zwaardknop een mensenhoofd in brons was gemaakt. Naast zijn zwaard droeg de Keltische edelman waarschijnlijk een wapenrusting en een helm van leer. De rijkere edele kon een bronzen helm laten maken, die vaak ingelegd was met koraal of zelfs met goud. Borstkurassen en maliënkolders die tot de knieën kwamen en de armen vrijlieten waren zeer zeldzaam en alleen te betalen door de rijkste elite.

Kelten en ijzer
De ontdekking en het gebruik van ijzer had grote gevolgen. Handel in metaal was zeer belangrijk in de bronstijd, aangezien het vaak gebruikte brons niet overal te vinden was. IJzer daarentegen was wel in grote gebieden aanwezig en dus werd handel over kleine afstanden minder belangrijk. De handel tussen verschillende volkeren nam echter toe. Er ontstond een handelsroute tussen Griekenland en Groot-Brittannië. De Keltische smeden waren de beste van Europa en de vraag naar hun werk was zeer groot. Onder andere de ontdekking van ijzer en het contact met verschillende niet-Keltische volkeren zorgde voor de ontwikkeling van de La Tène kunst.

De Keltische strijdwagen
Zelfs al werd de strijdwagen niet overal in de Keltische wereld gebruikt, wordt hij toch gezien als een typerend deel van de Keltische oorlogvoering. Hij werd vermoedelijk carpentom genoemd en was een licht, tweewielig voertuig dat werd getrokken door twee paarden. Hij was waarschijnlijk niet groter
dan vier meter lang en twee meter breed. De strijdwagen bestond vrijwel geheel uit hout, de belangrijkste metalen deeltjes waren de ijzeren banden en de delen die naven ondersteunden. Soms werden metalen ringen en verbindingen gebruikt om de  verbindingen te versterken. Wat een Keltische strijdwagen zo speciaal maakte, was dat het wagenplateau niet vast zat aan de rest van het voertuig, maar als een los onderdeel verbonden was met de rest van de strijdwagen. Dit maakte het een stuk comfortabeler om te rijden en gemakkelijker om van te vechten.

Normaalgesproken reden er twee personen in de strijdwagen. De menner zat in de open voorkant en bestuurde de paarden. De strijder stond achter hem en gooide zijn speren of schoot zijn pijlen. Soms stapte hij uit en vocht te voet verder. De menner bleef dan dichtbij genoeg om zijn strijder op te vangen wanneer deze gewond of gedood werd in de strijd.

Keltische krijgsbenden
Ook zeer typerend voor de Keltische manier van oorlogvoering was de krijgsbende als de Ierse fianna. Zulke strijdbenden bestonden grotendeels uit jonge mannen die werden geleid door een oudere, charismatische voorman. Waarschijnlijk had zo’n bende naast een krijgshaftige ook een religieuze dimensie met verschillende initiatierituelen voor lidmaatschap. Ze genoten een zekere status in de Keltische samenleving, mede door hun gedurfde heldendaden. De oorlogsbenden streden allen te voet.

Kelten en paarden
Het paard was een zeer belangrijk dier in de Keltische spiritualiteit en cultuur. Voordat hij rond 3.000 v.Chr. werd gedomesticeerd, werd er op paarden gejaagd voor vlees. Langzaam begon het tamme dier te accepteren dat hij lasten moest dragen en karren moest trekken en, later pas, zelfs de mens op zich moest laten rijden. Dit veranderde de mogelijkheid tot reizen, jagen en oorlog voeren, waardoor de loop van de geschiedenis enorm beïnvloed werd. Het dier dat eerst bekend stond om zijn vlees, werd symbool voor vruchtbaarheid, schoonheid en snelheid.

Het paardrijden was in de Keltische cultuur veel gebruikelijker dan de klassieke schrijvers ons willen doen geloven. Er zijn veel bitten gevonden en ook de vondsten van verschillende strijdwagens duiden hierop. De Keltische cavalerie was de beste ter wereld en dit werd zelfs door de schrijver Strabo voorzichtig toegegeven. De Romeinen waren onder de indruk van de Gallische cavalerie dat zij een Gallische cavalerie-eenheid opnamen in hun legioenen en verschillende Keltische ruiterexercities overnamen. De Keltische ruiter kon te paard vechten zonder stijgbeugels of  zadel en was in staat om een paard dat rende over een helling te bestijgen. Wanneer er geen oorlog was, werden er vaak paardenrennen gehouden om zowel het dier als zijn berijder in vorm te houden. Dit was ook een standaard onderdeel van de spelen van Lughnasadh.

Doordat het paard zo belangrijk was, is het ook niet verwonderlijk dat hij een belangrijke religieuze betekenis kreeg. Verschillende godheden, zoals Rhiannon, Epona en Macha, werden verbonden met het dier. Het was waarschijnlijk zelfs zo dat de nieuwe hoge koning van Ierland ritueel paarde met een witte merrie, die daarna ritueel geslacht werd en door iedereen gegeten.

De Carnyx
Om de vijanden voor een slag schrik aan te jagen, bliezen de Kelten op de carnyx. Dit was een lange, J- of S-vormige hoorn met een metalen mondstuk en een bel die de vorm had van de kop van een religieus belangrijk dier als het everzwijn. De carnyx zelf was waarschijnlijk van hout gemaakt en werd bij het blazen verticaal gehouden. De klank was, volgens de schrijver Diodorus, beangstigend en passend bij het tumult van de oorlog. Naast een psychologisch doel bij oorlogvoering had het instrument waarschijnlijk ook een religieuze functie.

De carnyx werd zeker gebruikt bij de Keltische invasie van Griekenland in de 3de eeuw v.Chr. en ook de Romeinen kwamen in aanraking met het geluid van dit instrument, niet alleen in Gallië onder Julius Caesar maar ook in Brittannië onder Claudius.

Kelten en Romeinen

Rond het jaar 400 v.Chr. werden enkele Keltische stammen geregeerd door een koning die Livius Ambicatus noemt. Toentertijd, op het hoogtepunt van hun macht, waren deze stammen verenigd als een militaire bond en trokken ze naar de landen van Noord-Italië, waar ze het land van de Etrusken binnenvielen en veroverden. Van het zuiden trokken de Romeinen op tegen dit volk en de Kelten en de Romeinen vormden een alliantie. Maar de Romeinen verachtten de ‘barbaren’ en verraadden hun. Door dit verraad trokken de Kelten zonder oponthoud of plunderen op naar Rome. Daar versloegen ze de Romeinen en namen de stad in, waar ze een jaar bleven. Ze verlieten de stad na een vredesverdrag, dat bijna een eeuw duurde. Dit werd verbroken toen de Keltische stammen een verbond sloten met de Etrusken, hun oude vijand. Hierna zagen de Romeinen de Kelten steeds meer als hun vijand. Ze bestreden ze eerst in Zwitserland en drongen ze op den duur terug tot Frankrijk. Daar bleven de Kelten nog een tijd standhouden maar moesten zich uiteindelijk overgeven. Onder keizer Claudius werd ook het laatste woongebied van de Kelten, Brittannië.

Kelten en Germanen
Waarschijnlijk zijn de Kelten en de Germanen vrij dicht met elkaar verwant. Rond het jaar 3000 v.Chr. was er waarschijnlijk een Europees volk met nog niet een heel duidelijke cultuur. De Kelten waren het eerste volk met duidelijk aparte culturele kenmerken, maar hun cultuur bleef nog dicht bij de oude ‘oercultuur’. Hierna hebben de Germanen zich afgescheiden van de prehistorische mensen en daarom lijken de Keltische en de Germaanse cultuur nog veel op elkaar, bijvoorbeeld wat betreft democratie en krijgscultuur.

De Griekse reiziger Pytheas noemde de Germanen rond 300 v.Chr. voor het eerst bij naam, hiervoor werd het land van de Germanen toegeschreven aan de Kelten. Het was natuurlijk zo dat dit twee ‘barbaarse’ volkeren waren en misschien waren de Germanen rond die tijd geregeerd door de Kelten en hadden ze geen eigen politiek bestaan. De Germaanse taal leende veel woorden van de Keltische, maar bleef herkenbaar Germaans. Ook namen ze de Keltische religie niet of nauwelijks over en deze culturele verschillen hebben waarschijnlijk bijgedragen aan de Germaanse opstand enkele honderden jaren na het schrijven van Pytheas. Hierna sloeg de machtsverhouding tussen de Kelten en de Germanen volledig om en de Kelten werden uit de Germaanse gebieden verdreven.

Religie
Er is zeer weinig bekend over de Keltische religie. De enige bronnen over het geloof zijn afkomstig van Romeinen en Grieken, die de Kelten als niet meer dan dieren zagen, of van Welshe en Ierse monniken, die de oude religie uit het perspectief van het christendom bekeken. Zeker is echter het volgende.

De Kelten waren polytheïstisch. Hun goden waren waarschijnlijk afgeleid van vroegere indo-Europese goden. We weten niets over de precieze functie en het karakter van de goden, aangezien de Romeinen het Keltische pantheon linkten met het Romeinse, waardoor een deel van de achtergrond verloren is gegaan. Veel Keltische godheden en dan vooral in Ierland, kwamen voor in drieën en dit heeft later uitwerking gehad in het christendom. Er was niet echt duidelijk een oppergod, alhoewel die in sommige Ierse en Welshe verhalen wel naar voren lijkt te komen.

Volgens Julius Caesar, die vrij uitgebreid verslag doet van de Keltische religie, was de centrale gedachte van het geloof de reïncarnatie. Het is duidelijk dat de Kelten geloofden in een leven na de dood, want ze begroeven hun doden met grafgiften.

De Kelten kenden geen tempels. Hun aanbidding vond plaats in de natuur, bij heilige bronnen, bossen en meren. Deze vormde de centrale plaats van het Keltisch rituele leven en in overvloed te vinden waren. De offergaven die daar werden gegeven, waren alledaagse voorwerpen, maar soms ook speciaal als offer gesmeed of gemaakt. Vaak waren deze gebogen of gebroken. Caesar schrijft over het offeren van mensen, er zijn hiervan ook in Keltische bronnen enkele aanwijzingen te vinden. Maar mensenoffers kwam waarschijnlijk niet vaak voor.

Het rituele leven werd geleid druïden, ook hier is zeer weinig over bekend. Zij voerden veel religieuze functies uit als rituelen en offeren, maar spraken ook recht en gaven onderwijs. Deze rituelen en praktijken werden waarschijnlijk geheim gehouden voor het gewone volk, waardoor de klassieke wereld niets over hen wist.


Taal

Het Keltisch vormt een aparte taalgroep dat totaal verschillend is van de Romaanse en Germaanse talen. De Keltische talen zijn vele eeuwen ouder dan het Engels en zeven Keltische talen leven nog steeds. Ze worden in twee verschillende groepen ingedeeld, de ene is het Q-Keltisch, Goidelisch of Gaelic en bestaat uit Iers- Manx- en Schots-Gaelic. De andere groep is het P-Keltisch of het Bretonnisch en bestaat uit het Welsh, Cornish en Bretons. Het Galicisch, dat in Galicië, Spanje, nog steeds wordt gesproken, vormt een aparte taal die verwant was aan de Keltiberische talen, die voor de rest allemaal uitgestorven zijn. Het verschil tussen het Q-Keltisch en het P-Keltisch is dat de c- of de k-klank in het Q-Keltisch in het P-Keltisch een p-klank wordt. Bijvoorbeeld is ‘zoon’ in het Gaelic ‘mac’ en in het Bretonnisch ‘map’.

Het Manx en het Cornish zijn een tijdje geleden uitgestorven als gesproken taal, maar worden opnieuw aangeleerd en gesproken. Bretons en Welsh worden nog steeds gesproken in Bretagne en Wales. Iers komt vrij veel voor in de republiek van Ierland, waar zelfs de treinkaartjes in het Iers-Gaelic worden gedrukt. Schots Gaelic is een gewone taal in met name het westen van Schotland, en in Nova Scotia aan de oostkust van Canada.

Zie ook:
Opbouw van Wales

Keltische oorlog

Kelten en Romeinen

Keltische religie

Druïden, barden en ovaten

Celtic Webmerchant:

   c        
    Keltische broche                   Keltiberische Falcata            Keltische montefortino
      € 9,20                                         €
89,10                                € 158,00

     
 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact