Keltische Oorlogen

De Kelten staan in de gehele geschiedenis bekend om hun voorliefde voor oorlog. Wanneer er geen andere volkeren waren om mee te vechten, bevochten ze elkaar, vaak zonder een duidelijke reden. De volkeren aan de Frans-Italiaanse grens werden bijvoorbeeld door de Galliërs overvallen en weggejaagd omdat de wijn uit deze streek zo lekker zou zijn. Hoewel ze in het gevecht vaak woest te keer gingen, betekent dat niet dat ze geen regels hadden op het gebied van oorlogvoering. Er bestonden wel degelijk verboden waarvan het een schande was om ze te schaden. Het was bijvoorbeeld verboden terug te trekken wanneer een gevecht verloren was, veel Kelten vochten dan ook door tot de dood.

Er zijn verschillende informatiebronnen over de Kelten in oorlogstijd bewaard gebleven. Over de Kelten in Groot-Brittannië hebben vooral Tacitus en Caesar geschreven. Zowel Griekse als Romeinse geschiedschrijvers hebben melding gemaakt over het uiterlijk van de Keltische krijger. Hij had rechtopstaand haar en was vaak over zijn hele lichaam met blauw beschilderd. Er wordt gezegd dat de Keltische krijgers vaak naakt vochten, maar het kan zijn dat dit overdreven is om de klassieke propaganda kracht bij te zetten.

De Keltische manier van vechten was lange tijd dezelfde. Ze  betraden het slagveld onder het geluid van honderden carnyx, dit waren eentonige blaasinstrumenten. Dit zoemende geluid in combinatie met de krijgers die wild op hun schilden sloegen, overrompelde de vijand vaak zo, dat ze nauwelijks meer in staat waren om te vechten. Dit is een van de redenen waardoor de Kelten in de Hallstat en de La Tène periode bijna alle veldslagen tegen andere volkeren wonnen.

Nadat de troepen in positie waren gebracht, kwam er een Keltische krijger naar voren die een van de vijanden voor een tweegevecht uitdaagde. Tijdens zo’n tweegevecht was het absoluut verboden de hulp van een derde in te roepen. Weigerde de vijand, dan kwam het Keltische leger in een nog grotere roes en stormden de manschappen in furor, oorlogswoede, op de andere krijgsmacht af. Vaak maakten ze gebruik van hun grote aantallen en maakten ze een omtrekkende beweging om zo de vijandelijke linie uit te flanken. De hoofden van de overwonnen vijanden hakten de Kelten af en bewaarden ze, omdat ze ervan overtuigd waren dat de ziel en de kracht van een mens in het hoofd zat.

De Kelten waren uitstekende ruiters, er werd in het gevecht dan ook vaak gebruik gemaakt van de strijdwagen. Deze werd door twee paarden getrokken en werd door twee mensen bereden: een menner en een strijder. De strijdwagen was van licht materiaal gebouwd en dus wendbaar. Het favoriete wapen van de Kelten was de speer. Deze was in sommige gevallen wel vier meter lang en werd gebruikt om onder het schild van de vijand door te steken. In de Schotse onafhankelijkheidsoorlog werden eenheden van speermannen, schiltrom, vaak effectief gebruikt tegen de cavalerie van de Engelsen. Natuurlijk werd er ook gebruik gemaakt van zwaarden die vaak tweehandig waren, zoals de claymore. Schilden werden nauwelijks gebruikt.

Om de mensen van een stam of clan te beschermen, werden er heuvelforten gebouwd zoals bij Dun Aengus, Ierland. Ze werden gebruikt als basis waaruit de Kelten vijanden aan konden vallen. Wanneer het fort werd aangevallen door een vijand, werden er speren en andere scherpe voorwerpen van de muur afgegooid. Wanneer de vijandelijke linie brak, stormden het Keltische leger het fort uit en achtervolgde hun tegenstanders de bossen in.

De eersten die de macht van de Kelten in Groot-Brittannië bedreigden, waren de Romeinen. In 43 n.Chr. hebben zij grote delen van Engeland, Wales en Schotland veroverd. Ze hadden al eeuwen gevochten tegen Keltische stammen op het vasteland van Europa en hadden de pilum (werpspeer) uitgevonden, waarvan elke legionair er twee bij zich droeg. Omdat de Kelten vaak geen schild hadden, waren ze weerloos tegenover de werpspeer. Natuurlijk speelt met de uiteindelijke verovering van Groot-Brittannië ook mee dat de Romeinen veel georganiseerder  waren dan de ‘barbaarse’ Kelten. Hoewel Groot-Brittannië in naam bezet was, bleven er opstanden ontstaan zoals de opstand in 60 n.Chr. onder leiding van koningin Boudicca. Toen de Romeinse bezetters zich in 413 n.Chr. uit Groot-Brittannië terugtrokken, lieten ze een geromaniseerde bevolking achter, die niet meer gewend was om zichzelf tegen invallen te verdedigen. Die invallen kwamen er inderdaad, van zowel Schotland als van het vasteland van Europa. Omdat de Keltische bevolking zich niet kon weren tegen deze golf van invallen, riep koning Vortigern de Saksische koning Hengist en zijn broer Horsa te hulp. Na een huwelijk met Hengists dochter, waarbij hij de streek Kent als huwelijksgeschenk gaf, verloor hij langzaamaan de controle over zijn land en werd de Keltische cultuur flink teruggedrongen.

In 793 begon er een golf van invallen door de Vikingen. De eerste aanval was bij het klooster van Lindisfarne. Waarschijnlijk hadden de Vikingen al eerder de Orkneys en Shetland veroverd om van daaruit invallen te kunnen doen in de rest van Groot-Brittannië. Echter, bij deze invallen bleef het: de Vikingen kwamen, roofden en trokken zich terug, waarna ze opnieuw kwamen als de bevolking zich hersteld had. Na een tijd van plunderen en overvallen begonnen ze zich permanent te vestigen in Engeland. De strook land die onder de heerschappij van de Vikingen viel, wordt de Danelaw genoemd.

In 1066 vond er een grote omwenteling plaats in de Britse samenleving. In de slag bij Hastings kwam het tot een treffen tussen de legers van de Saksische koning Harold en de Normandische graaf William over de vraag wie de gestorven koning Edward op zou volgen. Deze werd gewonnen door de Normandiërs en veroorzaakte een botsing tussen de Franse hofcultuur en de Anglo-Saksische cultuur. Later hebben de Normandiërs, of Engelsen, vaak geprobeerd om de gebieden waar de Keltische cultuur nog over was gebleven, te veroveren, dikwijls met succes. Maar er is altijd verzet gebleven tegen de overheersing.

     
 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.