De Kern (cethern)

De kern was mogelijk de meest voorkomende soort krijger in de Schotse en Ierse cultuur. Hij speelde vanaf de geschreven geschiedenis tot de 17de eeuw een belangrijke rol en was een licht bewapende en bepantserde infanterist, die uitstekende geschikt was voor de manier van oorlogvoeren in Ierland. Het is vrijwel zeker dat de kern met de kolonisatie van Schotland in 500 n.Chr in Schotland werd geïntroduceerd. De meeste clanleden van Hooglandclans waren vermoedelijk kerns.

Het woord kern is de Engelse benaming voor cethern (uitgesproken: kethjern, met een stomme ‘uh’ als tweede klinker), het woord betekent zoiets als veldslag “kleine groep krijgers”. Zelfs vandaag de dag is het Ierse woord voor veldslag cath. In de ruige gebieden van Ierland en Schotland verschenen ze vanuit het niets, vochten zolang het hun uitkwam en verdwenen vervolgens weer zoals ze waren gekomen.

In de oud-Ierse samenleving was vee de economische voedingsbodem. Onderlinge oorlogen waren niet gericht op het doden van de vijand, maar het stelen van hun vermogen in vee. Deze oorlogen werden niet uitgevochten op een open slagveld, maar in de bossen en heuvels van Ierland, waarbij guerrillatactieken werden gebruikt. Deze gewoonte ging in ieder geval tot in de 17de eeuw door, rond deze tijd was vee nog altijd de economische voedingsbodem van Ierland en een deel van Schotland en waren clanleden zoals Rob Roy MacGregor actief in het bewaken, verhandelen en stelen van vee, de typische activiteiten van kerns.

Kerns waren lid van de lagere (oorspronkelijk onvrije) klasse in de bevolking en waren knechten, maar ook vissers, veedieven en jagers. In de verhalen van de Fenian en Ulster cyclus worden regelmatig de kerns genoemd, meestal vochten ze als kleine groepjes krijgers, maar ze konden ook deel uitmaken van een groter leger. Vrijwel alles wat we over de kern weten komt uit de 16de en 17de eeuw, rond deze tijd speelden kerns nog altijd een belangrijke rol in de Ierse politiek.

Ondanks het moderne beeld van de Ierse kern als een wanordelijke, laffe rebel en de voorloper van de IRA soldaat, kan worden aangetoond dat de kern wel degelijk een bekwame militaire eenheid vormden.. Vanaf de vroege geschiedenis tot de 17de eeuw werden kerns als huursoldaten ingezet door de Engelsen, Cymbro-Normandische families, Scandinaviërs en uiteraard door de Ieren zelf. Het voordeel hiervan is dat ze regelmatig in verschillende Europese bronnen, waaronder het Domesday book opduiken. Ook op het vasteland van Europa waren kerns actief.

In het begin van de 17de eeuw werd het woord kern een synoniem voor boef of crimineel, hierdoor werd er een heel andere betekenis aan de naam kern gegeven. De 16de eeuwse afbeeldingen van de kern geven eveneens geen duidelijk beeld over de sociale status van de kern, Dürer beeldt ze af als arme boeren met paalwapens, terwijl een houdsnijwerk van een onbekende kunstenaar de kern een zwaard met Ierse ringpommel geeft. Hieruit kan worden verondersteld dat de kern in latere tijden net als galloglass en hobilar uit verschillende sociale lagen kon komen.

Uitrusting
De middeleeuwse kern had ongeveer dezelfde uitrusting als de hobilar, maar een kern vocht altijd te voet.

De werpspeer was het belangrijkste wapen van de kern. Tot aan de introductie van goed werkende vuurwapens, was een dodelijke regen van werpsperen een grote bedreiging voor een vijandelijke militaire eenheid. De kern droeg er vaak twee of drie van bij zich in combinatie met een steekspeer, bijl of mes.. Ook gebruikte hij regelmatig in plaats van werpsperen een boog. De boog was een geliefd wapen voor veel Ierse huursoldaten in bijvoorbeeld Nederland. De steekspeer was 160 cm lang en kon met een schild worden gebruikt.

De kern had geen bescherming, behalve soms een helm en andere, lichte bepantsering. Maliën en plaatpantser werden vermeden, omdat ze dit trager zou maken en de kern voornamelijk op zijn tactiek en snelheid moest kunnen vertrouwen. Zowel Schotse als Ierse kerns vochten blootvoets, ze droegen pas schoenen bij vorst of sneeuw.

Tactiek
Spencer schreef in de 16de eeuw: “de kern is een vliegende brigade die zichzelf in de bossen en de heuvels verborgen weet te houden. Daar vanuit zetten ze hinderlagen op bij plaatsen waar het vijandelijke leger langs moet trekken. Daar liggen ze tot ze het moment geschikt achten om toe te slaan.”

Dit soort hinderlagen waren in de tijden van Elisabeth de 1ste van Engeland aan de orde van de dag. Zelfs grotere veldslagen van deze tijd waren soms niet meer dan een grootscheepse hinderlaag. De harde geschiedenis leerde de Ieren dat ze geen kans op een overwinning maakten tegen de Engelsen op het open veld. Het was zelfs zo ongebruikelijk voor Ieren om op het open veld te vechten, dat toen Shane O'Neill in 1561 een Engels detachement versloeg, hij verbaasd was te zien dat het veld wel drie mijl val het bos verwijderd was. De schrijver en socioloog Fynes Moryson schreef dat de kerns niet op een open veld durfden te staan, maar altijd in de smalle passen, bossen en heuvels vochten.

Sir John Harington, een  Engelse bevelhebber, schreef in 1599 dat de Ierse tactieken meer lijken op een morris dance waarbij wordt gehandeld naar de tonen van de bagpipe, dan militaire handelingen. Maar als de Ieren de kans zagen, begon de slachting pas echt. Dan stormden ze op de vijand af en gooiden ze hun speren. Als de tegenstander begon te vluchten dan was hij verloren en werden ze neergehaald. De Ieren onthoofdden zelfs de gevallen soldaten. Zelfs de baron Mountjoy, Elizabeths afgevaardigde van Ierland, schreef dat de Ieren meestal wonnen, wanneer het tot een man tot mangevecht kwam.

Moryson schreef dat zodra de vijand de eerste aanval wist we weerstaan, de kerns massaal terugtrokken van waar ze gekomen waren. Het achtervolgen van deze kerns was niet aan te raden, aangezien ze terug de bossen in vluchtten en eventueel een tweede aanval konden inzetten.

De Ieren hielden regelmatig een groot deel van het leger achter de hand. Vaak raakte de vijand overmoedig en viel de kerns aan, in dat geval was de kans groot dat de zware infanterie van de galloglass deze kans rustig afwachtte om het vijandelijke leger te verpletteren.

De galloglass
Als we naar het totale Ierse arsenaal kijken, wordt het duidelijk waarom in Ierland de Schotse galloglass zo massaal werd gehuurd. Het was zware infanterie, die een perfecte aanvulling op de kern en hobilar bleek te zijn. Wanneer een open veldslag onvermijdelijk was, vormde de galloglass een grote muur. Mogelijk werden de meeste galloglass gesteund door twee kerns of een kern en een jongen. De galloglass zwaaide zijn enorme bijl, de sparr. De kern steunde de galloglass met het werpen van speren en dekte zijn flanken met zijn gevechtsspeer. De overige kerns en hobilars werden achter deze muur van galloglass geplaatst en konden charges uitvoeren en weer terugtrekken achter de muur. Tijdens de slag bij Knockboe in 1504 stelden de negen bataljons galloglass van Ulick Burck zich naast elkaar, in één lijn op. De kerns vormden de flanken en de achterste linie van het leger. Rond deze tijd werden er nog steeds schilden door de kerns gebruikt, ondanks dat de meeste andere eenheden in de 15de eeuw zonder schild begonnen te vechten. De schilden die gebruikt werden leken waarschijnlijk erg veel op de Schotse targes, verschillende 16de eeuwse bronnen verwijzen hiernaar en vanwege de vorm en het formaat is deze het meest logische schild dat de kern gebruikt kon hebben.

Zie ook:

Somerled

oud-Iers recht

Finlaggan

Celtic Webmerchant:

        
     Galloglass helm 140,-                    Galloglass wambuis 100,-                      Iona cross 14,75

 

copyright © 2009 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact