Koningschap en recht

De Ierse politiek werd bepaald door koningen en hun adel. De geschiedenis en genealogie van de Ierse koningen is een ingewikkeld netwerk van historische feiten en mythologie. Dit artikel richt zich hoofdzakelijk op de Ierse koningen en hoe de Ierse samenleving de traditionele hiërarchie combineerde met het ver ontwikkelde Brehonse rechtstelsel.

De Ierse kronieken en wetten vertellen ons veel over het koningschap in Ierland tussen 600 en 1600 n.Chr.. Desondanks zijn er nog altijd veel gaten in deze informatie, waardoor periodes in duisternis zijn gehuld. Het enige overgebleven document dat tussen 600 en 1100 n.Chr. aandacht besteedt aan de genealogie van de koningen, omvat 12.000 namen. Dit is maar het topje van de ijsberg en als we de genealogie tot 1600 zouden bekijken, dan zouden er waarschijnlijk ongeveer 30.000 namen van Ierse koningen bestaan. Historici zijn het erover eens dat op elk moment in de Ierse geschiedenis ongeveer 100 personen een claim hadden op een Iers koningschap. Al waren de koningen niet een oppermachtig heerser over de túath (stam), ze speelden een centrale rol in de gemeenschap.

Niveaus van Ierse koningen

Er waren verschillende niveaus koningen. De functie van ard rí, hoge koning, was eerder een ceremoniële dan een actieve functie. Het feest van Tara was het herhalingsfeest van de kroning van deze koning en vond elk jaar plaats. Deze periode wordt als een keerpunt in het jaar gezien en men mocht niet op het feest verschijnen als men nog een boete had openstaan tegen iemand anders.

Onder de ard rí stonden vier of vijf ríg ruirich (enkelvoud: rí ruirech, ook wel ollam uas rígaib, 'leider van koningen', rí cóicid, of 'provinciële koning' genoemd). Zij maakten de regels, inden schattingen en maakten allianties met de lagere koningen. Hun macht werd alleen beperkt door het concept van grondbezit. Hierdoor had een provinciekoning wel de macht om wetten over een stuk grond uit te vaardigen, maar niet om de grond of zijn oogst af te nemen.

De koningen die over meerdere landen regeerden, de ríg túath, hadden waarschijnlijk een hoofdzakelijk controlerende functie en hadden meerdere túatha als alliantie of vazal. Zij vormden en controleerden de alliantie tussen de verschillende koninkrijkjes, waardoor deze genoodzaakt waren om samen te werken. Door sociale druk van de rí ruirech en de túatha moest een rí túath goed presteren en regeren. Het waren met name de grotere túatha, zoals de Uí Néill en de Uí Briuin, die de mogelijkheid hadden een rí túath te leveren.

De rí túaithe was de koning van één túath en degene die het meeste invloed had op het dagelijks leven in de túath. Elke túath was een clan of koninkrijk met mogelijk ongeveer 500 tot 3000 leden. Het was de basis politieke eenheid van het Ierse systeem, waarvan iedereen deel uit maakte.

Hoge koningen

De ard rí was de hoogste soort koning en diende als een soort scheidsrechter en als bewaker van het recht. Oorlog tussen de koninkrijken in Ierland gebeurde dagelijks. De ard rí kon tussen koningen bemiddelen. Lange tijd regeerden de ard ríg vanaf Tara. Tara was niet alleen de zetel van de hoge koningen, maar ook een belangrijke spirituele plek waar vanuit de hoge koning recht sprak.  Veel ríg túaithe maakten onderling allianties, deze allianties betaalden de ríg ruirich jaarlijks een bedrag voor hun ''cliëntschap''. De hoogte van deze bedragen was op Tara opgesteld onder het toeziend oog van de hoge koning. De hoge koning was net als de andere koningen niet de maker van de wet, maar de toezichthouder. Dit betekent dat ook de hoge koning niet boven de wet stond en eveneens zijn best moest doen om geen gezichtsverlies te lijden. Een ard rí werd niet door de gehele aristocratie, maar door de koningen op provinciaal niveau of door de koningen van de túatha gekozen.

Opvolging

Opvolging was een belangrijk onderdeel van de Ierse en Schotse politiek. Een koning moest aan bijzondere kwalificaties voldoen. Het is niet duidelijk hoe de exacte selectie van een koning te werk ging, wel geeft de Ierse wet enkele duidelijke aanwijzingen. Cóic Conairi Fuigill, de vijf wegen van beoordeling,  geeft aan dat elke koning een zoon en een kleinzoon van een koning moet zijn geweest. In praktijk betekent dit dat de familie minimaal twee generaties aan de macht moet zijn. Als het koningschap slechts één generatie terugging, werd de koning een middenklas koning genoemd. De kandidaat moet een schone lij hebben en geen misdaden hebben begaan. Hij moest in fysieke en mentale topconditie zijn en geen lichamelijke of psychische gebreken vertonen – een koning met een smet mocht niet regeren. Hij moest een bepaald aantal vrije en onvrije cliënten hebben. Liefst was hij de zoon van de eerste vrouw van de vorige koning. Zo niet, dan van zijn tweede vrouw, of van zijn concubine. Net als bij het overerven van land had de oudste zoon het eerste recht om het aanbod te weigeren. Als de koning werd aangesteld, dan verkreeg hij een extra stuk land dat hoorde bij zijn ambt. Dit land werd gebruikt om cliënten te bedienen die taken zouden vervullen in de hofhouding. Er waren taken zoals jachthondenverzorger, verkenner, drankschenker (bekerdrager), steward en boodschapper. Daarnaast had de koning een aantal minder officiële volgelingen zoals bodyguards en een privé leger.

Meestal werd de nieuwe koning binnen de familie van de afgetreden koning gezocht, deze familie genoot veel aanzien en haar leden werden over het algemeen goed opgeleid. Het was niet altijd de oudste zoon die de titel van koning overnam, het kon net zo goed een neef, oom of broer zijn. In sommige gevallen, meestal als er geen direct familie van de koning in leven was werd de koning ergens anders in de túath gezocht, hierbij denken we aan de aristocratie binnen de Túath. Het kwam ook regelmatig voor dat twee dynastieën elkaar afwisselend opvolgden. In praktijk was de opvolgingskwestie, net als in andere landen, een bron van oorlogen.

De konings bescherming

Binnen de hofhouding van de koning was een permanente bescherming aanwezig tegen gewelddadigheden van buitenaf. In de wetsteksten wordt de hofhouding de sárugud, de plaats van niet verwonden, genoemd. Iemand die deze wet overtrad zou de eerprijs van de koning en daarnaast de prijs voor de verwondingen moeten betalen, dit bedrag was onmogelijk hoog. Sárugud was met name ingesteld om de koning zelf te beschermen tegen gewelddadigheden. De genealogieën vermelden dat koning Rotha mac Oéngusa, een Uí Bairrche koning van  Leinster, ondanks deze wet toch werd vermoord in zijn eigen hofhouding.  Zowel Fianamail mac Maéle-Tuile als een koning van de Uí Cellaig werden vermoord door hun eigen bedienden. Zo zijn er nog een lijst gevallen op te noemen waarbij de koning door zijn onderdanen, hofhouding of zelfs door zijn eigen broer werd vermoord.

De konings eerlijkheid

Essentieel voor de juridische status van een koning was zijn eerlijkheid, de fír. In zowel mythologische als wetteksten wordt hiernaar veelvuldig verwezen. Als de koning eerlijk is, dan zal hij in voorspoed en vrede regeren (fír flathemon). Als hij oneerlijk is, zullen de natuurlijke elementen tegen hem optreden (gau flathemon) – een belangrijk voorbeeld hiervan is MacBeth. Dit geloof bestond waarschijnlijk al voor de komst van het christendom.

De koning bekleedde geen religieuze functie, een traditie uit het heidendom, waarbij de koning in verband wordt gebracht met geloof en taboe. Deze gewoonte bleef in de Keltische cultuur in Ierland en Schotland doorgaan tot ver in de middeleeuwen. De inwijding van een koning symboliseert zijn huwelijk met de soevereiniteitsgodin (banfeis, ‘het slapen met een vrouw’) zoals al eeuwen voor het christendom werd gedaan. Later deed het christendom haar best om de heidense elementen van het koningschap te verbergen door de voorspoed van de koning te danken aan het gebed en het handelen van christelijke heiligen.

Op rechtsgebied stond de getuigenis van een koning boven alle getuigenissen en de tussenkomst van een koning was doorslaggevender dan een tweegevecht. De uitspraak van de koning was over het algemeen bindend, al kon er in een uitzonderlijk geval in hoger beroep worden gegaan.

De koning kon op verschillende manieren gezichtsverlies lijden, onder andere door valse getuigenis, een rechtmatige satire en het uitspreken van een foutief oordeel. Door het gezichtsverlies ontstonden er natuurrampen, hongersnood, oorlog en andere tegenspoed. Hetzelfde gold voor de heren (airig), rechters (brithemna) en andere vertegenwoordigers van de koning.

Afspraken tussen twee túatha of tussen de koning en zijn túath moesten worden nagekomen om geen gezichtsverlies te lijden. Om zeker te zijn dat een afspraak na werd gekomen, kon een verordening worden uitgevaardigd, een overeenkomst worden gesloten of konden gijzelaars worden uitgewisseld.

De koning als rechter

Mogelijk waren koningen in vroegere perioden zelf rechters, net als in andere Europese landen. Later werd deze taak steeds meer overgenomen door gespecialiseerde families die rechters leverden. Al in de tijd van St Patrick moest er aan het hof een professionele rechter zijn. In sommige mythologische verhalen, zoals in die van Cormac mac Airt, wordt melding gemaakt dat de koning zelf als rechter optrad. Mogelijk wijst dit erop dat, wanneer een koning recht had gestudeerd, hij in staat was om zelf recht te spreken, of weerspiegelt dit een gebruik in een voorgaande periode. Of deze vermeldingen een realistisch beeld geven over wat de taken van een koning waren, is moeilijk te zeggen. Maar de personen die deze teksten opschreven, waren geleerden van christelijke afkomst. Zij hadden er baat bij om vergelijkingen te maken tussen Latijnse, Joods-christelijke en Ierse culturen.

Als een uitspraak van een brithem niet door één van beide partijen werd geaccepteerd, kon men wel in hoger beroep gaan bij de koning. De aanvraag voor een hoger beroep werd afgehandeld door de muire, die al dan niet toestemming gaf. De taak van de muire was zo algemeen, dat het uiteindelijk een naam werd, Muiredach. De Oud-Ierse wetsartikelen laten zien dat de muire meer was dan slechts een tussenpersoon tussen de uitspraak van de brithem en van de koning. De muire had zijn eigen land en in sommige gevallen kon hij zelfs oorlog voeren als leider van een groep krijgers.

Een aanklacht tegen de koning

Al hadden de Muire en andere koninklijke vertegenwoordigers een hoge functie, ze stonden niet boven de wet. De koning stond wel boven de wet, wat het moeilijk maakte om hem aan te klagen wanneer hij onrecht had gedaan.

Dit werd omzeild door middel van een aithech fortha. Dit was een aangewezen vervanger van de koning, die in plaats van de koning werd berecht en gestraft. Vrijwel alle straffen waren geldboetes en na afloop van de rechtszaak stelde de koning de aithech fortha schadeloos. Op deze manier werd voorkomen dat de koning werd onteerd. Dit betekende dus de koning smetvrij was en mocht blijven regeren.

Mogelijk was de hongerstaking de meest rigoureuze vorm van een aanklacht tegen de koning. De benadeelde diende hiervoor wel eerst aan de koning aan te geven wat zijn plannen waren. Mogelijk ging het hier eerder om een rituele hongerstaking dan een volledige, maar dit soort gevallen konden ernstige gevolgen voor de koning hebben. Het was in ieder geval noodzakelijk om te zorgen dat de benadeelde niet stierf van de honger, anders zou de koning moord ten laste kunnen worden gelegd. Het kan dat er in deze situaties ook van de koning werd verwacht in hongerstaking te gaan.

De eerprijs van een koning

De status van een koning, maar ook van andere rechtspersonen in de maatschappij hing af van hun lóg n-enech (gezichtsprijs of eerprijs). De lóg n-enech kon men verliezen door bijvoorbeeld het toebrengen van schade of letsel aan een ander, diefstal of satire. De koning kon het verlies van de lóg n-enech voor een deel omzeilen door een aithech fortha aan te wijzen, maar een rechtmatige satire was rampzalig. Ook kon hij zijn eerprijs verliezen wanneer hij vluchtte van een veldslag, tenzij hij zich eerst door de vijandelijke linie had gevochten.

Zie ook:

De Ierse samenleving
Gaelic clanstelsel

Oud-Iers recht
Land & Economie in het Iers recht

Bronnen:

- Kelly F., ''A guide to Early Irish law'', (Dublin, 2009)

- Binchy DA ,''Corpus Iuris Hibernici ed''. (Dublin 1978)

- O Cróinín D., ''Early Medieval Ireland 400-1200'', (Edinburgh 1995)

- Jaski B, ''Early Irish Kingship and succession'', (Dublin 2000)

- Byrne J., ''Irish Kings and High-Kings, '', (Dublin 2001)

 

 

Gesponsord door Celtic Webmerchant:

          
Keltisch kookstel € 109,90                       Keltisch sieraad € 12,50            Keltische helm € 295,-
 

copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact