Keltische
nederzettingen
Nederzettingen
Veel mensen denken dat
Keltische woningen oncomfortabel waren, dat het er altijd donker was en
stonk, maar verschillende reconstructies, zoals het Scottish Crannog Centre en Butser Ancient
Farm, bewijzen het tegendeel. De Kelten hebben goede oplossingen
gevonden voor tocht en kou en pleisterden hun muren met mengsels van koeienmest
en gruis om de warmte binnen te houden.
Het
dagelijks leven van de Kelten varieerde per regio en stam. In Gallië, de
plaats waarvan we het meeste archeologische bewijs hebben geeft een
duidelijk beeld dat de Keltische cultuur continu veranderde, soms ging
dit erg geleidelijk, maar verschillende malen in de geschiedenis ging
dit erg snel. Archeologisch bewijs toont aan dat de laatste twee eeuwen
van de Keltische cultuur in Gallië en in Britannië erg veranderlijk
waren en dat er een bewustzijn bestond van de bedreiging van hun
tradities.
Samenleving
De Keltische cultuur was
hoofdzakelijk agrarisch en de stammen waren op enkele uitzonderingen na
waarschijnlijk opgedeeld in leefgemeenschappen. Een gemeenschap leefden
hoofdzakelijk van de landbouw en de veeteelt. Het land werd afgescheiden
door hekken van gevlochten hout, er was land voor veeteelt en land voor
landbouw beschikbaar. Waarschijnlijk waren de stammen in de vroege la
Tèneperiode niet duidelijk verbonden met het land waarop ze leefden, dit
veranderde waarschijnlijk geleidelijk. Eenmaal verbonden met het land
ontstonden al erg snel het beheren van de omgeving dat eigendom was van
de stam. Zo raakte de natuur niet uitgeput en konden bronnen maximaal
worden benut. Land werd van elkaar afgeschermd door hekken die gemaakt
werden van gevlochten hout. Er was land voor landbouw en land waar vee
kon grazen. De La Téne Kelten hielden varkens, schapen maar
hoofdzakelijk runderen. Deze traditie zou tot in de 18de eeuw blijven
bestaan. Waarschijnlijk waren niet alle boeren binnen de gemeenschap
even rijk, sommige boeren bezaten een eigen ploegspan met zes ossen en
kleinere boeren diende deze te delen met hun buren. Veel van de
gewoontes in deze samenleving kunnen worden teruggevonden in het
oud-Iers recht dat pas eeuwen later werd opgeschreven. Graan en bonen
waren de belangrijkste gewassen en het dagelijks voedsel zou
waarschijnlijk hebben bestaan uit brood en melk, met als toevoeging
groenten, honing, vis, soms vlees, boter en veel verschillende
kaassoorten. Er werden graanopslagplaatsen
gemaakt, soms boven de grond, maar meestal in kuilen met houten wanden.
Op de bodem werden offers gelegd. Mogelijk is door de ondergrondse
opslag het bier uitgevonden: de kuilen waren niet geheel waterdicht en
in een regenachtige winter kon er dus gemakkelijk water bij het graan
komen. Dit ging gisten en werd een simpel soort bier.
Boven de boeren stonden
waarschijnlijk de ambachtslieden zoals smeden, timmermannen,
botenbouwers etc. Zei genoten veel aanzien en waren naast gewoon
ambachtslieden ook veelal enorm artistiek in de productie van zowel
wapens als andere voorwerpen. Daarnaast stonden de barden, druïden en
ovaten die waarschijnlijk net als in de latere tijden ook in andere
stammen aanzien genoten. Er wordt veelal gesproken over een
krijgsklasse, maar we kunnen niet met zekerheid zeggen of het hierbij om
een professionele krijgsklasse gaat. Lang niet elke gemeenschap kon zich
een professionele krijgsklasse veroorloven en alleen de rijke
stamhoofden hadden een professionele krijgsklasse in hun directe
nabijheid die waarschijnlijk ook als bodyguard diende.
Smeden
De Kelten waren bekwame
ijzer-, brons- en goudsmeden. De eerste smederijen waren in het
Oostenrijkse plaatsje Hallstatt, en zijn rond 1.000 v.Chr. ontstaan. De
smeden werden in de Keltische maatschappij hooggeacht, vanwege hun
scheppende vermogen. Het erts voor de metalen objecten werd gehaald uit
verschillende mijnen. Door ijzerertspoeder te mengen met houtskool werd
het smeltpunt van het metaal omlaag gebracht en hierdoor ontstond metaal
met koolstof. Door verschillende lagen ijzer met verschillende
koolstofpercentages op elkaar te hameren, ontstond er sterk en hard
ijzer. Naast grote ijzermijnen hadden de Kelten ook kopermijnen,
steengroeven en zoutmijnen. In Hallstatt werd tussen 1.000 v.Chr. en 400
n.Chr. zout gewonden.
Doordat
de Kelten zeer goede smeden waren, ontstond er handel met andere
volkeren. Door deze handel, ontstonden kleine steden. De Kelten
handelden met Romeinen, Grieken en Etrusken, maar ook met Egyptenaren en
Chinezen. De overledene van het graf van Hochdorff droeg een zijden
gewaad uit China. Er werd met name gehandeld in metalen voorwerpen, maar
ook veel in slaven die in naburige gebieden gevangen waren genomen. Hoe
belangrijk handel was, toont wel het feit dat toen de handel in de late
Hallstatt-periode tijdelijk stilviel, er meer plunderingen en
rooftochten werden uitgevoerd.
De vrouwen hielden zich met
name bezig met het maken van kleding. Wanneer de schapen waren
geschoren, gebruikten zij de wol om na het uitkammen te spinnen met
gewichten of spinklosjes. In oude nederzettingen zijn verschillende
gaten gevonden die erop duiden dat ze weefgetouwen gebruikten.
Kleding
De Kelten waren zeer
waarschijnlijk lang en stevig gebouwd met blauwe ogen en blond of
roodachtig haar. De mannen lieten eerder een snor dan een hele baard
staan en waren geliefder bij het andere geslacht naarmate ze langer en
breder waren.
Beide seksen waren zich
welbewust van hun voorkomen en deden er veel aan om er mooi uit te zien.
Ze hielden van sieraden. Veel gedragen door de adel was de torque, een
soort nekring. De broches waarmee ze hun lange mantels mee vastzetten,
waren vaak kunstig bewerkt. Soms droegen de Kelten blauwe
beschilderingen op hun lichaam, vooral
in oorlogstijd. Een lichaam dat in Lindow Moss is gevonden, toont een
beschildering van klei en koperstof. Waarschijnlijk waren deze niet
permanent, gezien de vele afbeeldingen van Kelten zonder
lichaamsbeschilderingen.
De Keltische kleding was goed
gemaakt en kleurrijk. De vrouwen droegen meestal een tuniek en een rok
of een enkellange tuniek met een riem. Soms hingen aan deze tunieken
kleine belletjes. Ze maakten zichzelf waarschijnlijk ook op en droegen
hun haar in een lange vlecht of een knot. Keltische mannen droegen op
het vasteland een broek en een tuniek, maar in Brittannië en Ierland
bestond hun standaardkleding uit een dijlange tuniek en een mantel, met
schoeisel van leer of bont dat rond hun benen was vastgemaakt. De
mantels waren vaak bedekt met vierkanten, een prehistorische voorloper
van de tartan.
Gebouwen
De gebouwen waren eenvoudig, maar
zeer efficient. Ze kostte een minimum aan grondstoffen en konden voor
lange tijd worden gebruikt. De Kelten leefden in goed
gebouwde houten woningen die overwegend rond waren. Deze roundhouses werden al vanaf
de bronstijd gebruikt. Vaak
werd behuizing honderden jaren lang bewoond en ongeveer elke 30 jaar
herbouwd. Al is er weinig archeologisch bewijs van de huizen waarin deze
bevolking leefden, experimentele archeologie geeft ons daarop een
invulling. De huizen varieerden van een diameter van 5 tot 15 meter en
werden niet alleen gebruikt om in te wonen. Per huis woonden soms enkele
families dicht bij elkaar. In het midden was een vuur ter verwarming en
om te koken en aan de zijkanten van het huis bevonden zich de bedden.
Bescherming
Lang niet alle gemeenschappen
hadden een houten muur, pallisade of gracht. Alleen de grootste en
belangrijkste gemeenschappen bouwden een heuvelfort die een enorme
veiligheid bood tegen bedreigingen van buitenaf. Waarschijnlijk was het
bouwen en onderhouden van de omheining een gemeenschappelijke taak.
Mogelijk werden de meeste omheiningen pas gebouwd in tijden van crisis
of oorlog.
Gezondheid
De Keltische gezondheidszorg
was redelijk ver ontwikkeld voor zijn tijd. Er zijn operatiesets
gevonden en ze kenden kruiden, medicijnen en opium voor verdoving. Wij
zijn vandaag de dag gezonder dan de Kelten toen natuurlijk, maar zij
werden door de buitenlucht gezond gehouden en hadden de noodzaak hun
ziekten te negeren, aangezien het huiselijk leven door bleef gaan.
Door het harde werk leden veel mensen aan reumatiek en rugproblemen.
Velen hadden ook ongezonde tanden, zij verloren deels hun gebit of er
vormden zich abcessen. Gaatjes in tanden kwamen echter bijna niet voor,
omdat hun voedsel veel minder suiker bevatte.
Waarschijnlijk was de
gemiddelde levensverwachting van vroege Kelten rond de 40 jaar. Veel
vrouwen stierven in barensnood, zo is te zien aan de vele skeletten van
jonge vrouwen die zijn gevonden. Kleine kinderen stierven ook snel,
omdat ze zwakker waren. Er zijn zeer weinig kinderlichaampjes gevonden,
mogelijk omdat er een aparte manier was om hun resten de laatste eer te
bewijzen.
Zie ook:
Keltische kunststijlen
Pictische kunst
De gundestrup ketel
Dierensymbolen
Abstracte symbolen
Bronnen:
-
Hingley, Richard,
“Settlement and sacrifice: The later prehistoric people of Scotland” (Edinburgh
1998)
- Laing,
Lloyd, “The archaeology of Celtic Britain and Ireland – c. AD 400-1200”
(Cambridge 2006)