Land & economie in het Iers recht


Recht was in het oude Ierland net zo belangrijk als vandaag de dag. Het recht beschermde de gemeenschap en gaf haar van richtlijnen. In het oude Ierland was er geen politiemacht, dit geeft een indicatie van de sociale controle die er op rechtsgebied bestond. Dit deel van de serie over Oud-Iers recht gaat over landbouw, veeteelt en economie.
In de 8ste eeuw merkte de geschiedkundige Bede op, dat het klimaat in Ierland milder was dan op de rest van de Britse eilanden. De Ieren oogstten nooit hooi in de zomer of bouwden stallen om het vee in de winter te stallen. Duizend jaar later was dit opmerkelijk genoeg volgens Gilbert White nog steeds het geval. Het klimaat was zo mild dat er in Ierland planten groeiden die je niet op de Britse eilanden zou verwachten. Dit klimaatverschil had invloed op de Ierse samenleving, die landbouw en met name veeteelt als economische voedingsbodem hadden. Een deel van deze vroege economie is in de Brehonse wetten vastgelegd.

 

Opdelen van land

Het Brehonse wetstelsel structureerde de politiek binnen de clan. Alle provincies van Ierland en later van Schotland waren opgedeeld onder de clans. De clans hadden een vast stuk land waaraan ze gebonden waren. Dit land werd meestal al eeuwen door dezelfde clan bewoond en was opgedeeld in drie soorten: landbouwgrond, land met omheining en open land, waar ook na de oogst op kon worden gegraasd.  In het Oud-Iers recht waren er verschillende vormen van het houden van land.

1 De rí (koning) had een stuk land dat hoorde bij zijn functie. Wanneer de rí stierf of aftrad werd het land overgedragen aan zijn opvolger. Ook hield de koning meestal nog een stuk land van zijn familie.

2 Land werd gehouden als privé-eigendom door de aristocratie, fili (geleerden) of families binnen de clan. Dit land was overerfbaar en bleef binnen de familie. Het werd meestal opgedeeld onder de zoons van de gestorvene.

3 Een cliënt hield een stuk land van een persoon die daar eigenaar van was. In ruil hiervoor betaalde de cliënt een deel van de winst terug aan de heer die in hem had geïnvesteerd.

4 De rest van het land was eigendom van de clan, dit land werd verdeeld. Hierbij kregen alle clanleden met rechtspersoonlijkheid het deel waar ze recht op hadden. Wanneer er iemand zonder erfgenaam overleed, werd het land weer opgedeeld onder de mannelijke rechtspersonen van de clan.

Erfrecht bij privéland

De procedure van het opdelen van land onder de zoons van de overleden vader staat in verschillende wetten beschreven. In het eerste jaar wordt het land eerlijk onder de zoons verdeeld. In het tweede jaar worden de delen verwisseld en in het derde jaar wordt de waarde van de stukken land vastgelegd. Het vierde jaar worden er huizen op het land geplaatst als teken van een permanent eigendom. Bij wet verdeelde de jongste zoon het land en koos de oudste zoon als eerste een stuk land.

Het grote probleem van een dergelijk opdeelsysteem was dat het land in steeds kleinere delen werd verdeeld, waardoor het steeds lastiger werd om een hoge positie binnen de clan te handhaven. Een bóaire (man met rechtspersoonlijkheid) was in staat om zich te onderhouden door het land dat hij geërfd had, leende als cliënt of van de clan had ontvangen. Hij had tevens bepaalde bezittingen nodig om zichzelf bóaire te mogen noemen. De zoons van de bóaire konden echter moeilijker dezelfde status als hun vader handhaven, vooral als er vier of vijf zoons waren, omdat de stukken land van hun vader eerlijk onder hun verdeeld werden. Een oud gedicht vertelt ons dat de opvolger een rechtspersoon bleef wanneer hij een onafhankelijk huishouden kon draaien. Wanneer hij dit niet kon, zou hij semi-onafhankelijk worden, waardoor hij wel rechtspersoonlijkheid had, maar weinig bezittingen.

Niet-agrarisch land

Naast landbouwgrond was er ook niet-agrarisch land zoals bossen, bergen en moerassen­ leverden brandstof en materiaal voor het bouwen van huizen, wagens, huishoudelijke gereedschappen, handvaten voor ploegen, en materiaal om wegen te bouwen. Daarnaast kon boombast worden gebruikt voor  het looien van leer en het maken van touwen. Het bos bood een uitstekend graasland, met vers jong gras, scheuten en planten. Daarnaast groeiden er kruiden en wilde vruchten zoals appels, eikels en hazelnoten die eetbaar waren voor mens en dier. Alle vrije mensen mochten het niet-agrarisch land gebruiken en mochten er hun vee laten grazen. Zij betaalden hierover belasting en waren mogelijk verantwoordelijk voor het onderhoud.

De wet gaat gedetailleerd in op de straffen en boetes voor diefstal of vernieling in bossen die privé eigendom zijn. Uitzonderingsgevallen waren daarbij noodzakelijk hout hakken om een vuur te maken of een hand vol vruchten stelen indien de persoon in nood verkeert. 

Er werd onderscheid gemaakt tussen nobele bomen (airig fedo)  en gewone bomen (secht n-aithech cailli). In verschillende bronnen kan worden gezien dat planken van eiken op een speciale manier moesten worden gemaakt. Hout was ook nodig voor het bouwen van schepen. In Het leven van Brendan wordt vermeld dat scheepsbouwers wisten hoe ze een schip van hout konden maken. Er waren veel restricties voor het zetten van vallen voor wild en vogels.

Veeteelt

Veeteelt was waarschijnlijk belangrijker dan landbouw. Veel delen van de Keltische samenleving onderstrepen het belang van vee. De Schots-Gaelic koosnaam m’eudail is mogelijk afgeleid van ‘mijn vee.’ Koeien waren een soort valuta en boetes werden meestal in vee betaald. Het stelen van vee van andere clans werd veelvuldig gedaan en is het onderwerp van veel epische heldenverhalen. Het werd niet alleen door de lagere klassen gedaan, ook nieuwe koningen stalen vee om zo te bewijzen hoe heldhaftig ze waren én dat ze hun volk konden onderhouden in tijden van nood. De melkkoe werd het meest gehouden, de hoogste rang boer werd dan ook bóaire, ‘koeienheer’ genoemd. Het land werd op waarde geschat naar de hoeveelheid koeien die het in voedsel kon voorzien. Waarschijnlijk werden de binnenste landerijen gebruikt voor de landbouw en de buitenste voor het houden van vee. De wet maakt melding over het drijven van vee over andermans land, wanneer er geen weg of pad was. De landeigenaar moest een weg of pad aanleggen, wanneer zijn land uitliep op een heide of grasvlakte waar vee graasde. Op het moment dat vee noodzakelijk over het land van een ander moest trekken, dan diende de bóaire vergezeld te zijn van zes personen, waarvan er drie waren verbonden met het land waar het vee over trok.

Vellumproductie

Aan het eind van de oogstperiode werd ongeveer 50% van de kalveren geslacht. Nog eens een groot aantal werd op de daaropvolgende lente geslacht. Mogelijk bleven alleen de goede stieren en de melkkoeien hierdoor over.

De meeste middeleeuws-Ierse geschriften zijn op vellum, perkament van kalfshuid, geschreven. De overvloed aan manuscripten geeft een goede indruk van de grootte van de veestapel van Ierland. Boeken kostten veel kalfshuiden. Een boek van 140 folio’s (bladeren) kostte ongeveer 70 kalveren, die waarschijnlijk uit een veestapel van ongeveer 483 volwassen runderen kwamen. Als de veestapel kleiner was geweest, zou de impact van het direct slachten van 70 kalveren te groot zijn geweest.

De manier van periodiek slachten geeft ons de indruk dat het vee nauwkeurig op kwaliteit werd getest en dat daarom alleen het sterkste vee bleef leven. De grote hoeveelheid boeken geeft ons de indruk dat er na de komst van het Christendom een massa productie aan vellum moest zijn ontstaan. Het verlagen van de kwaliteit van het vellum geeft duidelijk een indruk van de neergang van de Ierse economie in de 11de en 12de eeuw. Desondanks was de kwaliteit beter dan in de rest van Europa.

De veestapel

Kalveren werden in de lente geboren, wanneer de koeien op de open en omheinde velden graasden. Er waren twee soorten omheinde velden, die voor de winter en die voor de zomer. In sommige gebieden in Ierland en Schotland werd tijdens de zomer het vee naar velden in de bergen gedreven. Hieruit ontstond het gebruik van shielings. Deze hutvormige huizen lagen boven in de heuvels. De vrouwen en kinderen trokken met het vee hiernaartoe om erop te passen. De mannen bleven beneden in de vallei om het land te bewerken. Jonge jongens bewaakten het vee tegen wolven en andere wilde dieren. Hierbij werden ze waarschijnlijk vergezeld door hun waakhond (archú) die vrijwel elke boerderij bezat. Het stelen van vee dat bij een shieling graasde, was tegen de wet en werd door de clans onderling niet uitgevoerd.

Winterhuisvesting voor het vee lijkt schaars te zijn geweest. Volgens sommige bronnen bleef de sneeuw in de winter amper drie dagen op de grond liggen en we kunnen er vanuit gaan dat de Ierse winters relatief warm waren. Een enkele keer wordt vermeld dat één op de twee koeien binnenshuis werd gehouden. Dit lijkt een traditie die later is ontstaan. Één bron vermeldt dat in 1028, tijdens een zware winter, de bevolking en het vee voor drie dagen binnen moest blijven. Het stallen van vee binnenshuis werd in geheel Europa gedaan, hierdoor is het logisch dat ook de Ieren in sommige gevallen hier gebruik van maakten. Koeienstallen komen niet in de wetteksten voor, ook archeologisch onderzoek heeft nog geen stallen in Ierland aangetoond. Volgens de Críth Gablach (‘vertakte aankoop’), een tekst uit 700, bestond 70% van de veestapel van een boer met rechtspersoonlijkheid uit runderen. Tegenwoordig liggen de verhoudingen in Ierland op ongeveer 60% runderen, 40% schapen. De veestapel bestond voor slechts 20% uit schapen, Iers perkament is vrijwel nooit van schaapshuid gemaakt. In tegenstelling tot de runderen bleven de schapen gedurende de nacht altijd op de berghellingen staan. In het Leven van sint Patrick wordt melding gemaakt over vuren die dag en nacht brandden om de herders warm te houden. Waarschijnlijk bleven de schapen ook in de winter buiten. Schapen werden, net als varkens, regelmatig gestolen. Als er niet op het vee werd gepast was de kans op diefstal groot. Ook was het mogelijk dat het dier bij gebrek aan voedsel er gewoon vandoor ging. Varkens leverden voedsel in de vorm van vlees en worst, dit voedsel wordt genoemd aan de lijst van jaarlijkse betalingen van cliënten aan hun heer. Varkens werden vaak gehouden in bossen.

Het houden van bijen

In het oude Ierland werd veel honing gebruikt voor bijvoorbeeld het brouwen van bier en het zoeten van voedsel. Bijen werden zo belangrijk gevonden, dat er een aparte wettekst over is overgeleverd: de Bechbretha (‘bijen-oordelen’). Hierin wordt een beschrijving gegeven over het houden van bijen en het maken van honing. De wet beschrijft uitvoerig over bijenzwermen, het onderhouden van een zwerm, de eigendom van een bijenzwerm, de verantwoordelijkheid wanneer bijen iemand staken en zelfs de regulering van het zwermen van bijen over andermans land.

Een andere tekst noemt bijen als onderdeel van de veestapel, samen met koeien, varkens, paarden, schapen, geiten en ganzen. De annalen van Ulster maken in een jaar melding over een ziekte die mensen, dieren en bijen trof. In geheel Ierland was bijendiefstal een strafbaar feit. In de wet Cáin Domnaig (de wet van zondag) is het in de gaten houden van bijen als ze uitzwermen één van de weinige activiteiten die op zondag mogen worden uitgevoerd.  In de wet Bretha Crólige (het verzorgen van zieken) wordt genoemd dat honing, gezouten vis en gezouten vlees niet aan patiënten mogen worden doorberekend bij hun verzorging. Honing zou volgens dezelfde wet geschikt zijn voor de aire ard (hoge heer). De Bechbretha geeft aan dat de eigenaar van een zwerm zijn buren moet voorzien van honing. Ook zwangere vrouwen werden voorzien van een portie honing. Er bestond honingbrood, wat volgens de mythologie geschikt was om een held mee te voeden. Honing was makkelijk op te slaan en voorzag van veel nodige vitaminen tijdens de wintermaanden. Daarnaast produceerde honingbijen was. Was werd gebruikt om kaarsen en wastabletten (waarop geschreven werd) mee te maken.

Landbouw

Naast veeteelt was landbouw de belangrijkste bron van inkomsten. Het ploegen werd gedaan met ossen, paarden werden zelden gebruikt, hoewel in een 17de eeuwse wettekst nogmaals van ploegen met paarden wordt afgezien. Zowel archeologische als literaire bronnen wijzen uit dat de meeste Ierse ploegspannen uit zes ossen bestonden. Deze waren geschikt om de zware gronden om te ploegen. De tweescharige ploeg werd in de 8ste eeuw in Ierland geïntroduceerd, deze komt dieper in de grond en is daardoor efficiënter. Het was wettelijk bepaald dat de bóaire een volledig ploegspan moest bezitten. De ocaire, ‘kleine heer’, deelde een ploegteam met buren of familieleden en de fer midboth, ‘man van middelgrote hutten’, deelde een ploegteam met vier anderen. In sommige gevallen zal er een ploegteam zijn ingehuurd, in het Leven van Maédóc staat dat de heilige het land van het naburige nonnenklooster ploegde. Ook is bekend dat monniken het land vaak handmatig ploegden.

Het recht vermeldt dat een sterke boer ongeveer voor zestien zakken graan per jaar zaaide. Doordat de hoeveelheid graan per vierkante meter niet is vergroot, zijn we in staat om met dit gegeven te schatten dat een bóaire  ongeveer 3,2 hectare grond had. Het graan werd met sikkels geoogst en de sikkel maakt deel uit van de lijst met boerderijbenodigdheden.

Na de oogst werd het graan gedroogd, omdat het door het vochtige klimaat in Ierland en Schotland bijna niet mogelijk was oogst droog binnen te halen.  Alleen de rijkeren konden zich schuren veroorloven en als deze er al waren, was de opslag van graan nog steeds risicovol. De Ieren dorsten waarschijnlijk pas aan het eind van het oogstseizoen hun graan, nadat een deel van de oogst al was geëxporteerd.  De wet schrijft voor dat een grote bóaire zelf een droogoven en schuur moest bezitten. Ook moest hij een aandeel hebben in een molen. De ócaire had in alledrie een aandeel. Het is mogelijk dat er verschillende graanschuren waren, zoals de fóir of síogog, die in de 19de eeuw  nog in het graafschap Cork werden gebruikt. Het waren cilindervormige gebouwen met een kegelvormig dak. Ze waren acht tot tien meter hoog. mogelijk deelden de lagere boeren deze graanschuren en werden ze gezamelijk gevuld.

De wet vermeld zeven verschilllende graansorten, tarwe, rogge, siligo, boekweit, gerst, haver en een ander soort dat we niet kunnen identificeren, gráinne ibdaig (‘werk-graan’). Daarnaast werden ook erwten en bonen verbouwd. Brood vormde een belangrijk onderdeel van het Ierse en Schotse dieet, het werd over het algemeen tussen de maaltijden door gegeten en was belangrijk voor wanneer er bezoek kwam. De wetten schrijven voor dat een brood ongeveer twee vuisten lang moest zijn, brood dat door mannen werd gebakken was tweemaal langer dan brood dat vrouwen bakten. Wit brood was alleen goed voor de aristocratie, de gewone bevolking at bruin brood. Wit brood gebakken in een oven was één van de jaarlijkse voorzieningen die een aristocraat aan zijn cliënt diende te geven. Er werd onder andere ook gerstebrood gegeten, één geschrift verwijst hierbij naar ‘zacht gerstebrood van de eilanden’, mogelijk de Schotse Hebriden.

Kinderen werden gevoed met een dieet van eidooiers, boter en pap. Van de dochters van de kleine boeren werd verwacht dat ze leerden om graan te malen, te zeven en deeg te maken. Over het algemeen werd het graan gemalen met de hand, maar molens en zelfs watermolens kwamen in de Keltische cultuur al vroeg voor.

Molens en malen

Geschreven en archeologische bronnen wijzen uit dat de Ieren in de middeleeuwen al bekend waren met horizontale watermolens. Koolstofdatering wijst uit dat de vroegste molens ongeveer rond de 7de eeuw n.Chr. zijn gebouwd en dat voor deze bouw een hoog niveau van vakmanschap vereist was. Naast timmermannen was een goede metselaar noodzakelijk voor het maken van de molenstenen.  Personen die deze molens konden bouwen werden erg gerespecteerd in de gemeenschap. In een heiligenleven wordt een ambachtsman beschreven die met zowel hout als steen kon werken. Dit  kan erop wijzen dat hij een molenbouwer was.

De wet legde vast van wie de molen was of van wie een aandeel in de molen was. De wet die hierover gaat, heet Coibnius uisci thairidne (verwantschap van geleide wateren) en dateert uit de 7de eeuw. De wet vermeldt onder andere de acht delen van de molen en geeft aan hoe een molen diende te worden gebouwd en bediend. De wet vermeldt dat molens die niet aan het water stonden, voorzien moesten worden van een kanaal of greppel. Wanneer de greppel door het land van een persoon liep, kon hij daar geen bezwaar tegen maken. Wel kreeg hij compensatie naar de waarde van het land. Ook bruggen en visfuiken konden in andermans land gebouwd worden. Als de molen voor drie generaties in gebruik was, dan kreeg de oorspronkelijke eigenaar alle rechten erop. De uitzondering hierop was voor molens bij kerken, forten of dúns. Daarnaast was het verboden om een greppel te graven door een begraafplaats. De wet geeft ons de indruk dat een molen over het algemeen door meerdere personen werd beheerd en dat de molen gehuurd kon worden. Ook in het vroege Welshe recht komen deze watermolens voor.

Wilde vruchten

Ook wilde groentes en vruchten zijn in de wetten vastgelegd. Mits ze op gemeenschappelijk land groeide, was het voor iedereen toegestaan om er gebruik van te maken. Van de wilde planten werden uien, prei, witte kool, selderij, boerenkool, pastinaak, knoflook en netels gegeten. De wet vermeldt ook over fruit zoals appels, aardbeien, bosbessen, pruimen sleedoorn en andere ongeïdentificeerde fruitsoorten. Er stonden straffen op het vernielen van fruitbomen.

De uitgebreidheid van de agrarische economie en de rentes die in voedsel betaald werden, geven de indruk van een relatieve welvaart en een economisch gunstig klimaat. Wel weten we uit heiligenlevens dat er ook bedelaars in de maatschappij waren en regelmatig wordt verwezen naar rampen en hongersnood. We hebben geen duidelijke indicatie hoe groot de Ierse of Schotse bevolking tussen 700 en 1300 was. Wel weten we dat de economische uitgangspunten in de Keltische cultuur tot in de 19de eeuw gedeeltelijk hetzelfde zijn gebleven. De Brehonse wetten bieden ons een duidelijk beeld van de agrarische economie die zowel in Ierland als in Schotland werd bedreven. Deze economie kwam in de 18de eeuw in schril contrast te staan met het imperialisme van het Verenigd Koninkrijk, dat zich rond die tijd ontwikkelde tot de grootste wereldmacht ooit.

Type onderzoek: Secundair literair en archeologisch bronnenonderzoek
Auteur:
P Gilbers, in opdracht van Stichting Celtic Britain
Jaar van publicatie: 2012

Zie ook:

De Ierse samenleving
Gaelic clanstelsel

Oud-Iers recht
Koningschap en recht

Bronnen:

- Kelly F., ''A guide to Early Irish law'', (Dublin, 2009)

- Binchy DA ,''Corpus Iuris Hibernici ed''. (Dublin 1978)

- O Cróinín D., ''Early Medieval Ireland 400-1200'', (Edinburgh 1995)

- Lucas A. T. , Cattle in ancient Ireland, Edinburgh 1989

 

 

Gesponsord door Celtic Webmerchant:

          
Keltisch kookstel € 109,90                       Keltisch sieraad € 12,50            Keltische helm € 295,-
 

copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact