Kelten, Saksen en Vikingen

Honderden jaren werd de Britse bevolking door de Romeinse legioenen beschermd tegen gevaren van buitenaf. De Keltische inwoners waren Romeinse staatsburgers geworden die het vechten ontleerd waren.  Na de Romeinse terugtrekking in 417 n.C. werden ze nog driemaal teruggeroepen door de geromaniseerde Kelten voor hulp tegen binnendringers. Twee keer hebben ze gehoor gegeven aan deze oproep, de laatste keer deden ze dat niet. De Kelten waren nu genoodzaakt de hulp van andere volkeren in te roepen, om te vechten tegen de binnendringers, die vanuit Germanië, Pictland en Ierland een bedreiging voor het Engelse gebied vormden. Het laat-Romeinse leger had veel Germaanse soldaten in dienst en vanaf de vierde eeuw vestigden deze zich met hun familie in Groot-Brittannië. Het is daarom niet verbazingwekkend dat er na de terugtrekking van de legioenen gezocht werd naar Germaanse huurlingen om de veiligheid van het eiland te waarborgen. Koning Vortigern was een van de vele leiders die de hulp van de Saksen vroeg, omdat hun kunde in de krijgskunst beroemd en berucht was.

De Saksen gebruikten tijdens hun oorlogen de zogenaamde dubbele bijl. Deze wapens waren bijzonder zwaar en sommigen waren ermee in staat een paard te onthoofden. Verder maakten de Saksen gebruik van speren, bijlen en zwaarden en ter verdediging hadden ze een rond schild. Deze schilden werden in verschillende kleuren beschilderd om de zwakke plekken in het hout te verbergen. Hiermee konden ze een muur van schilden maken waarbij iedere soldaat zijn schild voor of achter zijn wapenbroeder plaatste, waardoor ze een ondoordringbare muur bouwden. Hij riep de hulp van de Saksische leider Hengist en zijn broer Horsa in. Samen versloegen ze de binnendringers, maar Hengist gaf aan dat hij meer Saksische mensen nodig had om de vijand buiten te houden. Dit accepteerde Vortigern, waarop negentien extra Saksische schepen landden ter versterking. Op een van deze schepen bevond zich Hengists oudste dochter en algauw had Vortigern een zwak voor haar. Hij trouwde haar en als bruidsschat gaf hij de Saksen de streek Kent.

Langzaamaan verloor hij de controle over de situatie en kregen de Saksen de touwtjes steviger in handen. Er kwamen steeds meer Saksen om zich in Brittannië te vestigen en Vortigern werd steeds minder populair onder het volk. De voormalige High King of Ireland die wettelijk gezien de koning was, maar was afgezet, keerde met een leger terug naar Engeland en won de steun van de bevolking. Hierdoor werd Vortigern gedwongen naar Wales te vluchten. Feitelijke informatie hierover is niet te vinden, maar hij wordt herhaaldelijk in verhalen over koning Arthur vermeld.

De Saksen spreidden zich vervolgens uit over heel zuidoost-Engeland. Vortigerns zoon, Vortimer, leidde een tegenaanval, waarna er veel bloederige veldslagen werden uitgevochten. Uiteindelijk wilde Hengist met de Keltische leiders over vrede onderhandelen. Alle 300 leiders arriveerden op de afgesproken plek, ongewapend, omdat dit een vredesoverleg was. Een evenredig aantal Saksen waren aanwezig. Tijdens de maaltijd trokken de Saksen op bevel van Hengist hun wapen en staken alle Keltische leiders dood.  Deze klap zouden de Engelse Kelten nooit meer te boven komen. De Keltische taal en leefstijl werd teruggedrongen naar Cornwall, Schotland en Wales. Wales betekent letterlijk vreemdeling, een passende benaming omdat de Kelten vreemden in hun eigen land werden.

De Saksen vormden ook een bedreiging voor de Schotse borders en laaglanden.  Ondanks verzet vanuit Edinburgh heeft de Saksische cultuur zijn invloeden gehouden op deze Schotse gebieden.

Aan het einde van de zesde eeuw bereikte een nieuwe invloed de Germaanse binnendringers - het christendom. Hoewel de Romeins-Britse kerk bleef bestaan en de Anglo-Saksen contact hadden met verschillende christelijke stromingen, had de kerk tot dan toe slechts bestaan in de Germaanse nederzettingen, aangezien het heidense Keltische geloof nog steeds veel aanhang had. Hier bracht de zending van paus Gregorius de Grote verandering in, veel Saksische leiders werden bekeerd. Dit had ook invloed op het Schotse Iona, waar al een tijdje een christelijke kerk was gevestigd. Koning Oswald van Northumbria werd bekeerd terwijl hij in ballingschap bij de Picten verbleef. Hij beval Aidan hierop het geloof te verspreiden, wat resulteerde in de bouw van het bekende klooster van Lindisfarne in 635. Hier werden ook de zogenaamde Lindisfarne Gospels gemaakt.

In de achtste eeuw werd het Saksische koninkrijk Mercia steeds machtiger en het versloeg verscheidene keren de Northumbriërs en de West-Saksen, waarop oost-Anglia en Kent werden ingelijfd bij het koninkrijk. De Mercische heerschappij was op zijn toppunt onder koning Offa. Deze koning scheidde de Kelten uit Wales met de rest van Groot-Brittannië door een grote wal als grens te laten bouwen. Deze dijk staat vandaag de dag bekend als Offa’s Dyke. De Saksen wilden niets meer te maken hebben met de Kelten, die te zwak waren om hun oude land te heroveren.

Het jaar 793 was een belangrijk jaar in de Britse geschiedenis. In dit jaar vond namelijk de eerste grote inval van de vikingen plaats in Groot-Brittannië, op het klooster van Lindisfarne om precies te zijn. In het volgende decennium werden er nog meer grote overvallen gepleegd aan de zuidelijke en de oostelijke kust van Engeland. Het grootste gedeelte van de rovers waren Denen In het eerste deel van de negende eeuw verlegden de vikingen hun aandacht naar Ierland en het noorden en westen van Engeland en Schotland, totdat de Denen in 835 een serie van invallen begonnen door heel Engeland heen. Deze overvallen bereikten hun hoogtepunt met het ‘Grote leger’ van 865, dat in een twaalf jaar lange campagne van Exeter tot Dumbarton trok en plunderde. Dit eindigde in een verdrag met de West-Saksische koning die de leider van de Denen de controle gaf over de helft van het land.

In de negende eeuw begon tevens de ster van het huis van Wessex te rijzen, beginnend met Egbert die de Merciërs versloeg en onderwierp. Zijn zoon, Aethelwold, was de eerste koning van Wessex die de troon van zijn vader erfde sinds de zevende eeuw. Aethelwolds vier zoons volgden hem om de beurt op en de jongste, Alfred, bevocht de vikingen totdat ze gedwongen waren aan hun opmars een halt te roepen en met de Saksen te onderhandelen. Dit leidde tot het verdrag van Wedmore in 878 en met dit verdrag werd vrede gesloten en de Danelaw gevestigd. De vroege tiende eeuw werd gekenmerkt door de opkomst van de Noren, die vanuit Ierland en de westelijke eilanden Cumbria, Lancashire en het schiereiland van Willar veroverden. Ze verenigden zich met de Ieren, de Scotti en de Northumbriërs en werden in 937 verslagen door het huis van Wessex. Vanuit York bleven ze hierna proberen meer invloed te krijgen, totdat Eric Bloedbijl door Eadred van Wessex uit de stad werd verdreven en gedood bij Stainmoor in 954.

Aangezien bedreigingen van buitenaf nu tijdelijk waren uitgebannen, gebruikte koning Edgar na zijn troonbestijging in 959 de eerste achttien jaar van zijn regering om een staat proberen te vormen van de koninkrijken van Northumbria, Mercia, Oost-Anglia en Wessex. Hierbij kreeg hij vooral steun van zijn eoldermannen, de beheerders van de shires van zijn rijk. Uiteindelijk was de eenwording een feit en werd het huis van Wessex algemeen geaccepteerd als de koninklijke familie. Hoewel de heerschappij in sommige gebieden niet erg sterk was gevestigd, was die sterk genoeg om een overal geldend muntsysteem te maken. Aan het einde van de tiende eeuw, toen de vikingen weer aanvielen, was het koninkrijk van de Engelsen stevig gegrondvest. Deze nieuwe aanvallen begonnen onder de regering van Aethelred. Rond 980 hadden de viking-invasies van Wales zich uitgebreid naar zuidwest-Engeland. In dezelfde periode begonnen de aanvallen op Londen en het zuidoosten vanaf de Noordzee en Scandinavië. De jaren ’90 van de tiende eeuw werden gekenmerkt door de ondernemingen van grote legers onder leiding van Olaf, de latere Noorse koning, en Swein, koning van Denemarken.

Aetheldreds antwoord op deze invallen was het benoemen van eoldermannen om strategisch belangrijke regio’s te besturen. Een aanval op Essex werd in 991 weerstaan door de lokale eolderman, Bryhtnoth, bij Maldon. Het jaar daarna verzamelde de Engelse vloot zich bij Londen en behaalde enkele successen tegen de Vikingen. Echter, de methodes van losgeld vragen, het betalen van Danegeld, geldsommen om niet geplunderd te worden, en bekering van de vikingleiders bleken in de loop van de tijd succesvoller te zijn. Er wordt geschat dat er tussen 990 en 1014 rond de 250.000 pond zilver als Danegeld aan de vikingen werd betaald, in combinatie met giften van voedsel, vee en andere rijkdommen om de vikingen ervan te weerhouden aan te vallen. Van 1003 tot 1006, en weer in 1013, leidde de Deense koning Swein verwoestende aanvallen op Engeland. Aetheldred probeerde de verdediging te regelen, maar dit was tevergeefs. Swein kwam in augustus 1013 naar Engeland en ontving de overgave van Northumbria, Lindsey en de vijf belangrijkste burchten in Derby, Leicester, Lincoln, Nottingham en Stamford. De capitulatie van Oxford, Winchester en zuiwest-Engeland volgde snel hierna. Uiteindelijk brak de laatste weerstaand tegen het einde van het jaar. Swein werd erkend als koning van Engeland en Aetheldred vluchtte naar Normandië.

Swein stierf in 1014, maar voordat zijn zoon Knut naar Engeland was geroepen om gekroond te worden, werd Aetheldred teruggeroepen. Het jaar daarop rebelleerde zijn zoon Edmund tegen hem in een poging de troon te pakken te krijgen. Dit, de Aetheldreds slechte gezondheid en een vijandschap tussen Edmund en de eolderman Eadric, verzwakte het laatste Engelse verzet tegen de Denen. Aetheldred stierf in 1016 en nadat Engeland was verdeeld tussen Knut en Edmund, stierf ook Edmund zelf, zodat Knut de alleenheerschappij kreeg. Met het huwelijk met Emma, Aetheldreds weduwe en zuster van de graaf van Normandië, stelde hij zijn troon veilig. Een jaar later kreeg hij ook het koninkrijk van Denemarken onder zijn bevel, nadat zijn broer Harald was gestorven. Tijdens deze periode vestigden veel Denen zich in Engeland en werd de Saksische titel van eolderman vervangen door earl.

Emma, de vrouw van Knut, werd regentes van Noorwegen voor hun oudste zoon, Swein. Haar regering was niet erg populair en nog voor Knuts dood werd ze uit het land gedreven en werd ze vervangen door Magnus, zoon van Olaf.. Aan de andere kant van de Noordzee bleven rond 1025 weinig van Knuts eorls over. Aan het einde van zijn regering waren het er nog maar drie, een oud-Engelse aristocraat, Leofric van Mercia, een Engelsman die Godwin van Wessex heette en getrouwd was met een Deense, en een Deen, Siward van Northumbria, die in het huwelijk was getreden met een Engelse vrouw. Knuts koninkrijk stortte na zijn dood in 1035 ineen. De rebellie van Magnus van Noorwegen leidde tot de lang verwachte oorlog tussen Noorwegen en Denemarken en zorgde ervoor dat Knuts erfgenaam Hardaknut de zee niet over kon steken. In zijn plaats ging zijn halfbroer Harold, eerst als regent en daarna als koning. Na Harolds dood in 1040 werden beide koninkrijke weer verenigd, om na twee jaar weer uiteen te vallen toen Hardaknut stierf. Nu keerde Engeland terug op het op het oude, west-Saksische spoor. Tijdens de korte regeringen van Knuts zonen waren machtige dynastieën opgestaan in Engeland en een daar van was de familie van earl Godwin.

Van oorsprong uit Sussex, klom deze familie in twee generaties op tot een van de machtigste families van Engeland. In 1043 trouwde Godwins dochter, Edith, met koning Edward de Belijder. Hierdoor werden verschillende van haar familieleden op een hogere positie gezet, haar broers Swein en Harold en haar neef Beorn Estrithson kregen eorldommen en het land werd hierdoor verdeeld. Hoewel ze machtig waren, waren de Godwinsons niet de enige machtige eorls. In het noorden was de sterke Siward gevestigd in Northumbria en hield daar de Schotten buiten de grenzen. Toen hij stierf, gingen de Schotten over tot aanvallen op de nieuwe eorl Tostig en daarna op eorl Morcar.

Swein Godwinson werd, na de ontvoering en verkrachting van de abdis van Leomister en de moord op zijn neef Beorn, verbannen, maar later weer teruggeroepen. Ook Godwin zelf werd in 1051 met zijn familie verbannen, maar het jaar daarna ondernamen Godwin en zijn familie een geslaagde terugkeer, waarbij ze de koning dwongen hun landerijen en titels weer terug te geven. Godwin stierf in 1053 en werd opgevolgd door zijn zoon Harold als eorl van Wessex, die het eorldom van oost-Anglia dat hij eerder had ontvangen, doorgaf aan Leofric van Mercia. Toen in 1057 zowel Leofric van Mercia en eorl Ralph van Hereford stierven, voegde Harold Hereford bij het eorldom van Wessex, Gyrth Godwinson ging oost-Anglia leiden en Leofwine Godwinson ontving een eorldom in oostelijk Mercia. Vanaf die tijd was Harold de daadwerkelijke heerser van Engeland. Zijn campagnes tegen de Welshmen, waarbij noord-Wales veroverd werd, vergrootten zijn aanzien en door tijdgenoten werd hij beschreven als subregulus, onderkoning, en dux Anglorum, leider van de Engelsen.

Edward de Belijder was opgegroeid in Normandië en tijdens zijn regering kwamen er veel Normandiërs naar Engeland, waar ze belangrijke posities kregen toebedeeld in de politiek, de kerk of het leger. In feite scheen Edward buitenlanders te bevoordelen, tenzij ze Noors waren. Tijdens zijn regering werd het land sterk beïnvloed door de Europese cultuur en vonden er verschillende kerkhervormingen plaats. De dood van Edward in januari 1066 liet Engeland achter zonder een volwassen, mannelijke opvolger die de koninklijke lijn kon vertegenwoordigen. Willem ‘de Bastaard’, graaf van Normandië, beweerde dat Edward hem het koninkrijk al in 1051 had beloofd. Harold Godwinson, eorl van Wessex en al vele jaren de rechterhand van de gestorven koning, zwoer dat Edward op zijn sterfbed hém het koninkrijk had toegewezen. De Scandinavische koningen hadden al vaker gebruik gemaakt van dit soort situaties en het was dan ook niet verwonderlijk dat Harald Hardrada van Noorwegen, gevolgd door Swein Estrithson van Denemarken, Engeland inviel met zijn troepen. Daarnaast probeerde Tostig, Harolds broer die in 1065 verbannen was, met geweld zijn macht te herstellen. Na Edwards dood was Willem gestart met de bouw van een vloot en het verzamelen van zijn leger. In Engeland marcheerden Edward en zijn troepen naar de zuidkust, waar ze halt hielden, de vloot voer naar het eiland Wight. Maar Tostig begon met de plundering van de zuidkust, totdat hij werd afgeschrikt door zijn broer, en vertrok toen naar de oostkust om daar in te vallen. Hij werd echter verslagen door eorl Edwin en hij vluchtte naar Schotland, waar hij wachtte tot Harald van Noorwegen was geland.

Harold wachtte bij het Kanaal van mei tot september. Als William zou landen waar Harold hoopte, dan zou hij een warm ontvangst krijgen en zou zijn invasie herinnerd worden als een van de vele veldslagen die waren gevoerd in dat jaar. Maar William had geluk: de richting van de wind dwong zijn vloot in de haven te blijven, totdat de voorraden van het Engelse leger uitgeput waren. In september ontbond Harold zijn leger en ging naar Londen, waar hij hoorde dat de Noren waren geland in Yorkshire. Binnen twee weken richtte hij een nieuw leger op en hij marcheerde van Londen naar York. Voor zijn aankomst daar ontmoetten de legers van Edwin en Morcar de troepen van Harald Hardrada elkaar in een veldslag ongeveer

drie mijl ten zuiden van York. Hun nederlaag na een fel gevecht leidde ertoe dat hun troepen niet veel konden doen aan de gebeurtenissen die volgden. Hierdoor waren de aanvallende Noren vrij om naar York op te trekken, waar de lokale bevolking hen beloofde te helpen met de verovering van Engeland. Vijf dagen later deed Harold de Noren een verrassingsaanval bij hun kamp bij Stamford Bridge. Het gevecht duurde de hele dag en bij het vallen van de nacht op 25 september lagen Harald Hardrada en Tostig Godwinson dood op het slagveld.

Toen Harold het traditionele overwinningsfeest vierde, arriveerde het nieuws dat Willem was geland bij Pevensey in de morgen van 28 september. Opnieuw was Harold vol energie; binnen 13 dagen herstelde hij de rust in het noorden, marcheerde hij de 305 kilometer terug naar Londen, ronselde daar een nieuw leger en trok nog 80 kilometer op naar een punt dat vlakbij Hastings ligt, waar de Normandiërs hun kamp hadden opgeslagen.

Harold werd hierdoor beschuldigd van roekeloze en impulsieve haast, en de meeste geschiedschrijvers zijn het erover eens dat hij met een kleiner leger dan nodig was, vocht. Het is niet zeker waarom hij ervoor koos te vechten. Het is mogelijk dat hij zo snel mogelijk een gevecht wilde aangaan, voordat het onder zijn mannen bekend werd dat Willem een pauselijke banier droeg en dat het vechten tegen hem excommunicatie betekende. Hij zou ook geprobeerd kunnen hebben om Willem bij verrassing aan te vallen, wat drie weken daarvoor had gewerkt. Wat de reden ook was, de Normandische verkenners waarschuwden op 14 oktober 1066 over de Engelse opmars en het waren de Engelsen die bij verrassing werden genomen.

Er wordt algemeen aangenomen dat elk leger bestond uit ongeveer 7.000 man, maar het aantal kan lager geweest zijn. In het Engelse leger marcheerden mogelijk rond de 4.000 Thengs en Húskarls, Saksische infanterietroepen, en 2.500 rekruten die waren geronseld tijdens de mars door de graafschappen. De Normandiërs hadden misschien 5.000 man infanterie, inclusief boogschutters, en rond de 2.000 ridders te paard op het veld staan. Deze cavalerietroepen waren nieuw voor de Saksen, die alleen infanterie kenden.

De Engelsen sloegen positie op bij een heuvel vlakbij Hastings en wachtten op de Normandiërs om hun eerste beweging te maken. De Húskarls vormden met hun lange bijlen mogelijk de eerste lijn, met de lichter bewapende rekruten achter hen.

De Normandiërs deden verschillende aanvallen die allemaal teruggeslagen werden. Willem probeerde de boogschutters te gebruiken om de muur van schilden te breken, maar dat bleek ineffectief. De doorbraak van de Normandiërs kwam toen de Bretonse cavalerie vluchtte, terwijl op hetzelfde moment het gerucht over Willems dood de ronde deed in beide kampen. De Saksische rechterflank brak en jaagde de cavalerie na, in de gedachte dat ze hadden gewonnen. Willem was echter niet dood, verzamelde zijn troepen en sneed de optrekkende Saksen de pas af, waarna deze werden afgeslacht. Daardoor werd de mogelijkheid geboden om wat van zijn cavalerie op de heuveltop te plaatsen en zo de vijand op gelijke hoogte te bevechten. De Engelse schildenmuur bleef bestand tegen de herhaaldelijke aanvallen van de Normandische ridders en de boogschutters tot de dood van Harold bij zonsondergang.

De Engelse overlevenden vluchtten de bossen in en de dag behoorde Willem toe. Zo eindigde het koninkrijk van de Engelsen, nog steeds stamt echter de Engelse bevolking voor een groot deel af van de Saksen.

Zie ook:

Het koninkrijk Dublin
Brian Boru

MacDonald, Lord of the Isles

Gallowglasses

Celtic Webmerchant:

        
Houten rondschild € 66,50                                      Vikinghelm  € 111,00                   Enkelhandig Vikingzwaard € 70,15

 

copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact