Sint Columba van Iona

Columba (Colum, Colm, Columkill, Columcille, Colmcille, Combs, Columbus), de beroemdste heilige die geassocieerd wordt met Schotland, werd geboren in Ierland in Garton, het graafschap Donegal, als lid van de O’Neill of O’Donnel clan. Sommige bronnen zeggen dat hij op 7 december werd geboren, de meeste zijn het erover eens dat hij ter wereld werd gebracht in het jaar 521. Zijn vader, Fedhlimidh of Phelim, was het achterkleinkind van Niall van de negen gijzelaars, opperheer van Ierland, en getrouwd met de Schotse prinses van Dalriada; Columba’s moeder Eithne was een afstammelinge van een koning van Leinster. Hij had dus van beide kanten blauw bloed en was misschien zelfs Hoge Koning van Ierland geworden, als hij er niet voor gekozen had om priester te worden.

Sommige geschriften vermelden dat Columba’s oorspronkelijke naam Chrimtan, vos, was en dat hij vanwege zijn goedheid herdoopt werd tot Colum, Latijn voor duif. Later werd zijn naam Colum-kill of Colum-cille, het achtervoegsel ‘kill’ of ‘cill’ betekent ‘van de cel’ of ‘van de kerk’ – een toepasselijke naam voor de stichter van zoveel religieuze instellingen.

Zoals zovele kinderen die waren bestemd voor een gewijd leven, werd hem een pleegvader gegeven, een priester met de naam Cruithnechan, die ook als zijn mentor diende. Hij werd door hem gedoopt bij Tulach-Dubhglaise, nu Temple-Douglas, en zijn onderricht begon. Nadat hij ver genoeg gevorderd werd, verliet Columba zijn pleegvader en ging hij naar de school van Moville, in het graafschap Devon, waar hij zijn training in het monastieke leven begon, geholpen bij een St. Finnian. Op de leeftijd van twintig werd hij tot diaken gewijd en nadat zijn studie in Moville was beëindigd reisde hij zuidwaarts naar Leinster, het land van zijn moeders voorvaderen, om daar te studeren onder leiding van een oude theoloog en bard met de naam Gemman. De barden waren degenen die de traditionele kennis van de Ieren bewaarden, en door zijn leermeester werd Columba geïnspireerd om te gaan dichten.

Toen hij enkele jaren bij Gemman in de leer was geweest, studeerde Columba verder aan de beroemde monastieke school van Clonard, die werd geleid door de beroemdere St. Finnian die bekend stond als de ‘mentor van Erins heiligen’. Door zijn talenten en zijn goede afkomst groeide Columba al snel uit tot een monnik met groot aanzien. Hij werd een van de leerlingen van Clonard die vaak de twaalf apostelen van Ierland werden genoemd. Het is mogelijk dat Columba in Clonard de priesterwijding ontving, hoewel dat ook later kan zijn gebeurd, toen hij met zijn vrienden Comgall Kieran en Kenneth leefde bij de talentvolste van zijn leraren, st. Mobhi. St. Mobhi’s klooster bij Glasnevin, lag bij een doorwaadbare plaats aan de rivier de Tolca bij de plaats Dubh Lin, op de plaats waar Dublin gebouwd zou worden. In 543 trof de pest Ierland en dat jaar daarop was Mobhi gedwongen zijn school te sluiten. Hierop keerde Columba terug naar Ulster, het land van zijn verwanten.

Hij was volledig opgeleid toen hij vijfentwintig jaar oud was en een opvallend figuur met een breed en krachtig postuur. Zijn luide stem kon van de ene naar de andere heuveltop dragen. Zoals die tijd gewoonlijk was, combineerde hij studie en gebed met handarbeid. Bovendien was hij een kundig zeiler. Met zijn indrukwekkende aanwezigheid, deugdzame karakter en zijn discipline trok Columba door Ierland voor de volgende vijftien jaar, terwijl hij predikte en kloosters stichtte, onder andere in Derry, Durrow en Kells.

De krachtige stimulans van het christendom in Ierland dat st. Patrick de eeuw daarvoor had veroorzaakt, verspreidde zichzelf snel en in toenemende mate. Columba zelf hield erg veel van boeken en spaarde kosten noch moeite om kopieën van psalmboeken, Bijbels en andere waardevolle manuscripten voor zijn monniken te maken of te verkrijgen.

In 540 bracht Columba’s eerste meester Finnian een kopie van st. Jerome’s vulgaat vanuit Rome mee naar Ierland. Finnian beschermde dit kostbare boek bezorgd, maar Columba kreeg toestemming hem in te zien en maakte een kopie van het boek Psalmen voor eigen gebruik. Toen Finnian hiervan hoorde, legde hij niet alleen een claim op het origineel maar ook op Columba’s kopie. Columba weigerde dit en de zaak werd voor koning Diarmaid, opperheer van Ierland, gebracht. Deze besloot dat de kopie naar Finnian moest gaan.

Columba werd kort daarop erger gegriefd door koning Diarmaid, toen een prins die een rivaal dodelijk had gewond zijn toevlucht had gezocht bij zijn kerk en door Diarmaids mannen in de kerk werd afgeslacht, waardoor de heilige rechten op een vrijplaats in de kerk, geschonden werden. Het resultaat was dat er een oorlog uitbrak tussen Columba’s clan en de clans die trouw aan Diarmaid waren, aangemoedigd. Uiteindelijk overwon Columba’s clan bij de slag van Cuil Dremne, maar de monnik werd ervan beschuldigd verantwoordelijk te zijn voor de drieduizend mensen die waren gestorven. Een synode werd gehouden bij Tailltiu, Telltown, in het graafschap Meath, waar Columba’s daden afgekeurd werden. Columba was zeker geëxcommuniceerd, als st. Brendan dit niet had verhinderd. Hoewel hij nog steeds vond dat hij goed had gehandeld, bleef zijn geweten nog steeds ongemakkelijk en hij biechtte bij een oude kluizenaar. Als boetedoening besloot hij in ballingschap te gaan en in andere landen zoveel mensen te bekeren als er bij de slag bij Cuil Dremne gestorven waren.

In 563 trok Columba met twaalf metgezellen naar de binnen-Hebriden, bij de westkust van Schotland, naar een plaats die we vandaag de dag Iona noemen. Het eerste wat ze hier deden, was een groot stenen kruis oprichten, daarna bouwden ze een klooster dat voor de rest van Columba’s leven zijn huis zou zijn. Iona stond oorspronkelijk bekend als I, Iers voor ‘eiland’. Later werd de naam Icolmkill, het eiland van Columba van de Cell. Het eiland was lang voordat Columba hier zijn klooster stichtte een heilige plaats van de druïden geweest en werd nu het centrum van het Keltisch christendom in Schotland. Omdat Iona op de grens van het land van de Picten in het noorden en de Scotti in het zuiden lag, was het ideaal als basis voor zendelingenwerk.

Columba heeft waarschijnlijk zich eerst erop toegelegd om de christenen van Dalriada opnieuw te onderwijzen, omdat dit niet goed was gebeurd. Na twee jaar keerde hij zich naar de Schotse Picten. Met zijn oude kameraden Comgall en Kenneth reisde Columba noordwaarts naar het kasteel van koning Brude bij het tegenwoordige Inverness. De heidense monarch had strikte orders gegeven dat zij niet binnen mochten komen, maar toen Columba zijn arm ophief en het kruisteken maakte wordt er gezegd dat de pinnen uit de deur vielen en deze automatisch openzwaaide. Omdat hij onder de indruk was van zulke krachten luisterde de koning naar ze en achtte Columba ook na hun ontmoeting zeer hoog. Iona werd officieel aan de monnik toegezegd. Het verhaal gaat dat Columba tot Aberdeenshire kerken heeft gesticht en dat hij bijna heel het land van de Picten heeft bekeerd.

Columba heeft nooit het contact met Ierland verloren. In 575 was hij bij de synode van Drumceatt in het graafschap Meath met de opvolger van koning Conall, die de monnik op de troon had geholpen en zelf gekroond op Iona. Zijn invloed wordt getoond door het veto dat hij uitsprak over de afschaffing van de orde der barden. Wanneer hij niet op reis was om het woord van god te verspreiden, zat hij in zijn cel en werd hij bezocht door vele mensen, sommige hadden spirituele of materiële hulp nodig, anderen werden aangetrokken door de wonderen die hij verrichtte.

Toen hij te zwak werd om te reizen, bracht hij uren door met het kopiëren van manuscripten, zoals hij in zijn jeugd had gedaan. Hij was op de dag van zijn dood bezig met het kopiëren van de Psalmen, maar stopte en liet zijn neef Baithin, de hij al had aangewezen als zijn opvolger, verder werken. Na de vespers op die nacht keerde hij terug naar bed, waar hij instructies gaf aan zijn bediende voor zijn broeders. Toen de bel luidde voor de middernachtdienst stond Columba op en haastte zich naar de kerk om daar eerder te zijn dan zijn monniken. Hij knielde voor het altaar en zijn bediende Diarmait, die hem was gevolgd, zag dat een engelachtig licht de heilige omkranste en de kerk vervulde, maar toen hij de deur bereikte verdween het licht. De lampen van de broeders waren nog niet gebracht, dus Diarmait zocht tastend de weg naar Columba en vond hem, liggend voor het altaar. Terwijl hij hem een beetje oprichtte en aan zijn zijde ging zitten, legde hij het heilige hoofd op zijn borst. Toen de andere monniken zich met hun lampen hadden verzameld, begonnen ze te treuren en te zingen om hun stervende vader. Sommigen van hen vertelden hoe Columba zijn ogen opende voordat hij het leven liet en hen aankeek met een wonderbaarlijke glans van vreugde en tevredenheid aankeek, omdat hij de naderende engelen zag die hem kwamen ontmoeten. Diarmait richtte de rechterhand van de heilige op om het koor van monniken te zegenen en vlak na middernacht stierf Columba op 9 juni 597.

Iona bleef eeuwen na Columba’s dood een van de beroemde centra van de christelijke leer. Een lange tijd volgden Schotland, Ierland en Northumberland de regels die Columba had opgezet voor het monastieke leven.

Zie ook:
Keltisch christendom
St. David

Book of Kells

St. Patrick

Bronnen:

- Allen, Anderson, The Early Christian Monuments of Scotland, The North American Conference on British Studies
- Lawlor, Armstrong, Lindsay, The Cathach of St. Columba, Proceedings of the Royal Irish Academy. Section C: Archaeology, Celtic Studies,
History, Linguistics, Literature, Vol. 33 (1916/1917), pp. 241-443, 4

- Adomnán (c. 700), Reeves, William, ed., Life of Saint Columba, Founder of Hy., Edinburgh: Edmonston and Douglas, 1874, retrieved 2008-09-14

 

 

 



Gesponsord door Celtic Webmerchant:

                 
Keltische torque € 24,-                          Romeins schrijfgerei 28,90                           Keltische helm € 277,-


copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact