![]() |
![]() |
||||
|
|
De slag bij Culloden
Het Engelse leger had het bevel gekregen bij zonsopkomst naar het slagveld te marcheren. Ze trokken over Kildrummie Moss en staken bij een ondiepe plaats Loch Flemington over. Ze trokken in drie aparte divisies op, elke divisie met een hoeveelheid ruiters aan de linkerkant. Zo nodig konden de Engelsen op ieder moment in slagorde worden gepositioneerd. De twee legers De Engelsen waren voor deze slag gewoon te schieten op de hooglanders, totdat die te dichtbij waren gekomen, daarna trokken ze hun zwaard voor man tot man gevechten. Dit was niet effectief tegen de charge van de hooglanders, die broadswoards hadden en in man tot man gevechten beter getraind en woester waren vanwege hun oorlogswoede en ervaring in het gevecht. George had echter les uit deze Furor getrokken, in tegenstelling tot Charles Stuart die de sterke kanten van zijn leger niet kende. Hij had ver voor deze dag geprobeerd zijn legers een geheel andere manier van vechten aan te leren. De Engelsen hadden geoefend om in twee linies te schieten, dat hield in dat de voorste linie geknield ging en richtte en de linie achter hen intussen zijn geweer laadde, de voorste linie schoot er herlaadde en de 2e linie schoot daarna. Dit zorgde ervoor dat er niet alleen effectiever en langer geschoten kon worden maar ook dat er veel meer geschoten kon worden, voordat ze binnen handbereik van de Schotten waren. Naast dit had de George zijn soldaten getraind in het vechten met de bajonet en het daarmee beschermen van de man naast hem, als allen dit deden raakte ze het ongedekte deel van de borst van hun vijand. Het Engelse leger bestond uit 9000 soldaten tegen de ongeveer 5000 soldaten Jacobites die Charles op tijd op Culloden had kunnen krijgen.
De officieren stonden met getrokken zwaard naast hun bataljon samen met de drummers. De Engelsen droegen voor die tijd moderne kleding, Een lange rode jas hoge laarzen en allemaal bewapend met zwaard, geweer en bajonet. Deze kleding gaf een indruk over hun waardigheid. De Schotten waren gekleed in philibeg (een soort wambuis) of kilt met de tartans van hun clan er op. Ze hadden vooral hun Hooglanders als een effectief en snel wapen tegen de Engelsen, die op Falkirk en Prestonpans met minimale verliezen van hun kant, de Engelsen totaal in de pan gehakt hadden. De Hooglanders waren vooral gewapend met zwaard, schild en een lange dolk in hun linkerhand, onder hun schild. Hun lichaam was getraind door het zware leven in de hooglanden en de daarbij behorende gevechten. Deze mannen konden zich zeer goed beschermen tegen de kogels die op hen werden geschoten door middel van hun schild, dit konden ze zelfs terwijl ze hun aanval uitvoerden. Voordat ze de vijand raakten, schoten de Schotten die een handwapen hadden, hem leeg en stormden op de Engelse linie, een enorme klap veroorzakend. Deze brak vaak door de impact en dit gaf de Schotten de kans het gevecht te winnen met gevechten van man tot man. Dit was een eeuwenoude methode die zelfs (zonder vuurwapens) op Bannockburn gebruikt werd. De opstellingen Ongeveer twee mijl van het Schotse leger vormde de graaf zijn troepen in slagorde en ze trokken het laatste deel tot aan Culloden in deze orde door.
Het leger van de prins was in twee linies verdeeld, beide linies drie lijnen diep. Naast dit hadden de Schotten een kleine hoeveelheid soldaten in reserve. Het is niet helemaal duidelijk hoe de clans precies waren opgedeeld, omdat de schrijvers verschillende posities hebben vermeld. John Roy Stuarts regiment wordt bijvoorbeeld soms vermeld in de eerste linie, maar sommige vermelden dat hij in de tweede linie was geplaatst. De eerste linie is echter duidelijk vermeld, van rechts naar links de Atholl Highlanders, Camerons, Stuarts van Appin, Frasers en Chrishloms, MacIntoch, MacLachlan en MacLean, Farquhartsons, vermoedelijk John Roy Stuart met zijn regiment, MacDonald van Clanrondal, Keppoch en Glengarry en naast hun MacdDonnell. De tweede linie was kleiner en compacter. Het is niet zeker, maar vermoed wordt dat daar Lord Elcho met zijn Horse Guards stond, naast Lord John Drummond met zijn France Royal Scots, samen met de Ierse brigade die Charles te hulp was gekomen, daarna Glenbuckets regiment, de Perth Dragoons, Lord Kilmarnocks Horse Granadiers en de prins zelf met Fitz-James cavalerie. Deze regimenten waren nog niet compleet toen de veldslag begon. Lord George Murray (bevelhebber van de Atholl brigade) had het bevel over de rechterflank en de Graaf van Perth over de linker. Lord John Drummond had commandeerde het centrum en de frontlijn. Aan de rechterflank hadden de MacDonalds voor enkele kleine kanonnen gezorgd. Deze opstelling zorgde ervoor, dat de Schotten hun cavalerie niet optimaal konden gebruiken. De rechtervleugel had slechts een muur als dekking tegen de Engelse cavalerie, terwijl de Ierse piekeniers in de tweede lijn stonden. Ook valt het op te merken dat de hooglanders allemaal zonder ondersteuning van andere Schotse of Franse divisies de voorste lijn vormden en dus het kanonsvlees waren. De Schotten hadden een leger dat ideaal voor moeilijk terrein was, dit had Charles Stuart genegeerd, toen hij de Engelsen tot aan Culloden liet komen, want ze hadden langs heuvels getrokken en zelfs een rivier doorwaad, waar de Schotten hun kans in hadden moeten zien. Naast dit gaf lord George Murray al aan toen de Engelsen zich opstelden, dat ze nu nog konden aanvallen, dit had hun formatie gebroken en de geschiedenis van de Schotse oorlogsvoering zou worden herhaald. Dit accepteerde de prins die in Frankrijk krijgskunde had geleerd, niet. Manoeuvres Zowel de Engelse als de Schotse opstelling was relatief goed voor verdediging, maar voor een aanval. Daarom daagden beide partijen elkaar uit om aan te vallen. Na een half uur manoeuvreren, in de hoop elkaar in de flank aan te kunnen vallen, kwamen de twee legers ongeveer op de grond uit waar ze waren begonnen. De lijn stond op sommige punten slechts 500 meter van de andere vandaan maar buiten schotafstand. De Schotse linkerflank stond echter zeer ver van de Engelse vandaan, waardoor de Hooglanders buiten adem zouden zijn, voordat ze hun charge zouden kunnen uitvoeren.
Charles werd nogmaals door Lord George Murray en de andere leiders, aangespoord om aan de zuidelijke kant van het veld terug te trekken, waar nog genoeg tijd voor was. Dat zou ze de kans hebben geboden om te hergroeperen en meer mensen te werven, daarnaast zouden de Schotten, wanneer ze goed gevoed en uitgerust waren, weer kunnen aanvallen. De prins weigerde dit en wilde diezelfde dag nog aanvallen. De hooglanders vochten onder schot van de kanonnen en de Ieren en Fransen die door Charles bevoorrecht waren, konden indien de veldslag zou worden verloren, makkelijk vluchten. Bovendien waren deze troepen de voorgaande nacht niet gebruikt en waren ze dus niet eens vermoeid. De aanval De Engelse prins reed langs zijn lijn, waarna hij de troepen opriep om te richten. Hij sprak zijn mannen moed in en vertelde hun dat zijn vaders kroon afhing van de daden die zijn soldaten nu zouden doen. In tegenstelling tot Preston en Falkirk zouden ze deze keer niet falen, beloofde hij. Aan beide kanten begonnen de kanonnen te schieten, net na het begin van de middag. Het feit dat de Hooglanders moe en hongerig waren, maakte geen verschil tot normale omstandigheden. Charles ging achter zijn troepen staan, rechts van de rechtervleugel. Deze positie lag precies op de vuurlijn van een van de kanonnen en de bediende die voor hem stond werd door een kogel onthoofd. Omdat de Engelsen veel meer geweren en kanonnen hadden waren de Schotten genoodzaakt om aan te vallen. Murray beval de charge nadat deze veel te lang was uit gesteld, de clans schreeuwden hun strijdkreet in Gaelic en vielen aan.
Inmiddels hadden de Hooglanders van de eerste linie die grotendeels was uitgemoord door de Engelse kanonnen, de vijand bereikt, de Macintosch clan was eerder bij de vijand als de rest van de clans en moest het daarom zwaar ontgelden, vervolgens kwamen rechts van hen de Frasers, Stuarts, Camerons en de Athol Higlanders. De MacLeachlans en MacLeans miste hun precieze doel en kwamen ook in deze aanval terecht. Zo ontstond er een grote massa van Hooglanders bij elkaar, die vooral tegen Munro’s (vochten voor Engeland) en Barrels regiment die de Engelse linkervleugel vormde, aankwam. Hun geweren bleven maar door schieten en hadden zeer veel Schotten gedood voordat de claymore zelfs maar kon hakken. Getuigen melden over de agressie die in de ogen van de hooglanders te zien was, dit was nog steeds de Keltische furor. Hoe dan ook, bijna alle Schotten die deze lijn hadden gevormd werden gedood en de eerste lijn trok zich terug. Opmerkelijk is, dat een kleine groep onverbitterd door bleef vechten. Dit was te vergeefs en ze werden allemaal gedood. Dit was de aanleiding dat de MacDonalds een tevergeefse poging deden aan te vallen. Ze staken het water over waarbij ze voortdurend werden beschoten. Na de man tot man gevechten werden ook zij gebroken en moesten ze vluchten. Terwijl ze vluchtten, werden ze nog steeds beschoten.
Bijna alle MacIntosches werden dood op het slagveld aangetroffen, er is melding gemaakt dat de Athol brigade 32 officieren heeft verloren. In Culloden house werden 20 gewonde Schotten verzorgd, de Engelsen staken het huis in brand en degenen die naar buiten kwamen werden dood geschoten. Over het hele veld werden gewonde Schotten neergestoken met de bajonet. Een gevangen Schotse soldaat toonde zijn laatste heldendaad tegenover de officier die hem gevangen had genomen door hem met de officiers eigen pistool dood te schieten.
Na de slachtpartij mochten de Schotse vrouwen die gevangen waren genomen tijdens de slag de doden identificeren en begraven. Veel van de doden waren al gestript van al hun kleding en daarom is het niet te achterhalen van welke clan ze waren. Deze doden liggen tegenwoordig onder de stenen waar mixed clans onder staat. De Schotten die zijn begraven liggen nog steeds op Culloden, met de namen van hun clans op de grafsteen. De bloemen die nog elke dag door hun familieleden er worden neer gelegd tonen de open wonden die nooit meer zullen helen. Na Culloden werd het leven steeds zwaarder in Schotland, de clans die achter de Jacobites hadden gestaan werden uitgemoord, de vrouwen werden verkracht. Het vee gedood en hun huizen verbrand. Veel clans werden daarna verbannen. De tartan, doedelzak en kilt warden verboden en iedereen die na de invoering van de wet de tartan droeg gedood. Een paar jaar later begonnen de zo geheten Highlands clearences. Charles Stuart vluchtte terug naar Frankrijk en keerde nooit meer weer. Zie ook:
De jacobite opstanden Celtic Webmerchant:
|
||||
![]() |
|||||
|
copyright © 2008 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
|||||