De slag bij Culloden

Net zoals bij de Ierse kwestie bestaan er nog steeds misverstanden over de Jacobite-opstanden en de slag bij Culloden. Het was geen strijd tussen Schotland en Engeland. Het was ook geen strijd tussen katholiek en protestant. Het was een strijd tussen de koninklijke huizen van Stewart en Hanover, waarvan de eerste was verdreven door Willem van Oranje.

James de 2de van Engeland en 7de van Schotland was namelijk een katholieke koning in een anglicaans land. Bij de geboorte van zijn zoon werd de hulp van Willem de 3de van Oranje ingeroepen, die was getrouwd met de dochter van James. James moest vluchten en nam zijn zoontje mee. Dit was James Francis Edward Stewart. James Francis probeerde meerdere keren de kroon terug te krijgen met de Jacobite-opstanden. Deze waren mislukt en in de vroege 18de eeuw had generaal George Wade een netwerk van barakken en wegen aangelegd om Schotland rustig te houden. Hier was het parlement zo tevreden mee, dat ze een couplet aan het volkslied lieten maken:

God grant the Marshal Wade
May be thy Mighty aid,
Victory bring;
May he sedition hush,
And like a torrent rush,
Rebellious Scots to crush,
God save the king

Dit vers werd aan het eind van de 18de eeuw geschrapt. Wat men echter in Londen hoopte, bleek niet waar te zijn. In 1745 werd er een nieuwe Jacobite-opstand gestart. De leider was prins Charles Edward Stewart, zoon van James Francis Edward Stewart, ook wel Bonnie Prince Charlie genoemd. Hij kwam naar Schotland om de troon voor zijn vader op te eisen. Nadat hij was geland op de westkust, verzamelde hij zijn troepen bij Glenfinnan en marcheerde langzaam door Schotland heen, naar Manchester, waar hij 300 Jacobite-volgelingen kreeg. Het leger kwam uiteindelijk in Derby aan, 100 mijl (161 kilometer) boven Londen. Doordat de Franse versterkingen niet kwamen opdagen, er geruchten gingen over een Hanoverleger en het bijna winter zou worden, keerde het Jacobite-leger op aanraden van lord George Murray, rechterhand van Charles Stewart, na Derby terug naar Schotland.

William Augustus, zoon van de Hanoverkoning George de 2de en hertog van Cumberland, werd belast met het beëindigen van de Jacobite-opstand. Hij was een wrede man, vol vertrouwen, bekend om zijn brute en harteloze methodes en, hoewel vrij onervaren in bevelvoering, hij leidde het Hanoverleger. Naar hem werd het duizendschoon in het Engels ‘Sweet William’ genoemd, terwijl het Jacobskruiskruid door de Schotten omgedoopt werd tot ‘Stinking Willy’.

Het Jacobite-leger, van 5.000 man sterk, overwinterde rond Inverness. In de richting van deze stad marcheerde dan ook het Hanoverleger. De twee troepenmachten ontmoetten elkaar op 16 april 1746 bij het moerasland van Culloden.

Voor de slag

Op 15 april 1746 werd de 25ste verjaardag van de hertog van Cumberland gevierd. Zijn leger had kamp opgeslagen bij Nairn, ongeveer 18 kilometer ten oosten van het Jacobite-leger. Er werden berichten verspreid van een feest met veel brandewijn om de prins toe te drinken. Het laatste wat Charles Stewart verwachtte, was dat ze zouden aanvallen.

Hierom ontwierp hij een plan om zelf de aanval in te zetten op de ochtend na het feest, omdat hij een niet uitgeslapen leger met een kater verwachtte. Lord Murray had hier zijn twijfels over. Het leger was verspreid geraakt op zijn zoektocht naar voedsel of een slaapplaats en daarnaast zou het verstandiger zijn om op versterkingen te wachten.

Een groep verkenners bracht die nacht het nieuws dat het Hanoverkamp inderdaad rustig was geworden en vlak daarna arriveerde een regiment van de MacDonnells of Keppoch om zich bij de Jacobites te voegen. Dit versterkte het vertrouwen van Murray en Charles’ plan werd doorgevoerd. De tactiek was, om het Jacobite-leger in twee divisies te splitsen. In het duister zouden ze het kamp van de vijand naderen. De eerste divisie, die van George Murray, zou het kamp van achteren en vanuit de linkerflank aanvallen, terwijl de tweede divisie, van de prins en James Drummond, de hertog van Perth, een frontale charge zou uitvoeren.

Bij het verzamelen van de troepen kwamen maar 4.000 man opdagen, veel van hen gedemoraliseerd, koud, moe en hongerig. De officieren die meer soldaten probeerden te verzamelen, kregen een botte weigering te horen, omdat de manschappen te weinig hadden geslapen of gegeten. Murray heroverwoog de beslissing van de aanval, uitte zijn bezwaren tegen de prins, maar werd gevraagd toch op te rukken.

De Hooglanden bestaan grotendeels uit moeras- en veengrond, dat moeilijk te doorkruisen is. Daarom vorderde het leger maar traag, terwijl de hooglanders, die aan deze omstandigheden gewend waren, veel sneller waren en regelmatig teruggeroepen werden om het leger bij elkaar te houden. Om 2 uur ’s morgens, toen de aanval had moeten beginnen, waren ze bij Knockanbuie, 5 kilometer van hun bestemming.

Hoewel vanaf dat punt de grond verbeterde, besloot George Murray toch de aanval af te blazen. De aanval was afhankelijk van het verrassingselement, dat met elke vertraging meer wegviel. De prins had nog meer vertraging en het is niet duidelijk of hij Murrays beslissing goedkeurde of niet. De Jacobites begonnen in ieder geval aan hun moeizame terugtocht. Om 6 uur ’s ochtends, op 16 april 1746, arriveerden ze te Culloden, vermoeider, hongeriger en gedemoraliseerder dan daarvoor. Vele legden zich neer op de hei om te slapen, een groter deel probeerde verder weg voedsel te vinden. Terwijl dit gebeurde, marcheerde een 9.000 man sterk leger van de regering af op het veld van Culloden.

Om 5 uur ’s morgens was het Hanoverleger begonnen aan zijn opmars, met de Argyll Militia van de Campbells en de Kingston’s Light Horse als verkenners. Toen de prins drie uur later hoorde dat dit het geval was, werd hij verrast. Het grootste deel van zijn leger sliep nog, uitgeput van de voorgaande nacht. Haastig werden de manschappen gewekt en verzameld. Ondanks het ongunstige, drassige terrein, werd er onder leiding van adjudant-generaal O’Sullivan een verdedigingslinie opgesteld.

De Highland Charge was de gebruikelijke aanvalsvorm, waarbij de clanleden op een hoger terrein werden opgesteld en van bovenaf schreeuwend aanvielen met hun zwaarden, knotsen en messen. Het probleem was echter dat het veld van Culloden vlak was, ongeschikt voor de Highland charge, geschikt voor de kanonnen die Cumberlands leger naar het veld toerolde. Lord Murray maakte opnieuw bezwaar tegen een veldslag, maar werd niet gehoord. De prins weigerde het plan van O’Sullivan te veranderen en had zelf nog nooit een slagveld meegemaakt en vertrouwde op het moreel en de aanvalskracht van zijn soldaten.

Rond elf uur kregen de Jacobites de vijand in het oog, die zich onmiddellijk in slagorde opstelde. Na een tijdje te hebben gewacht, positioneerde de hertog van Cumberland zijn leger zorgvuldig en weloverwogen op 500 meter van de Jacobites vandaan. Tijdens deze positionering drong George Murray aan om nu de aanval in te zetten, zodat ze de vijandelijke formatie zouden breken. Dit weigerde de prins, omdat hij opgevoed was met de Franse codes van eer en ridderlijkheid.

De opstellingen

De eerste linie van de Hanovers bestond uit zes regimenten, alle drie lijnen dik opgesteld. De tweede linie bestond uit vijf regimenten en overlapte de open ruimtes tussen de regimenten van de eerste linie. Daarachter stonden nog eens vier regimenten in reserve. Aan de rechterflank werd de lichte cavalerie geplaatst. Zware cavalerie was niet meer aanwezig op het slagveld in deze tijden, omdat ze te langzaam waren geworden. Aan de linkerflank kwamen de Schotten te staan die aan de Engelse zijde meevochten. Er word gezegd dat er bij het Engelse leger zelfs bagpipes te horen waren. Door de modderige grond aan de rechterflank werd deze niet geheel gedekt dit was een zwak punt in de linie. Naast deze troepen bezat het Engelse leger ook enkele kanonnen die vanuit de linkerflank op de Schotten schoten.

Aan de rechterflank van de Hanovers lag een moeras, aan de linker een serie van stenen muren en dijken, die doorliepen tot de rechterflank van de Jacobites.

De Hanover-infanterie bestond uit de volgende regimenten:

- The Royals 1st of Foot later The Royal Scots
- Howard’s 3rd of Foot later The Royal East Kents, the Buffs
- Barrell’s 4th of Foot later The King’s Own Royal Regiment
- Wolfe’s 8th of Foot later The King’s Liverpool Regiment
- Pulteney’s 13th of Foot later The Somerset Light Infantry
- Price’s 14th of Foot later The West Yorkshire Regiment
- Bligh’s 20th of Foot later The Lancashire Fusiliers
- Campbell’s 21st of Foot later The Royal Scots Fusiliers
- Semphill’s 25th of Foot later The King’s Own Scottish Borderers
- Blakeney’s 27th of Foot later The Royal Inniskilling Fusiliers
- Cholmondeley’s 34th of Foot later The Border Regiment
- Fleming’s 36th of Foot later The Worcestershire Regiment
- Munro’s 37th of Foot later The Hampshire Regiment
- Conway’s 48th of Foot later The Northamptonshire Regiment
- Battereau’s 62nd of Foot later opgeheven
- Loudoun’s
- Argyll Militia 64th of Foot later opgeheven

De Hanover-cavalerie bestond uit de volgende regimenten:

- Cobham’s Dragoons later The 10th Hussars
- Lord Mark Kerr’s Dragoons later The 11th Hussars
-  Kingston’s Light Horse later opgeheven

De artillerie werd gevormd door de Captain Cunningham’s Company of Artillery, bestaand uit tien korte Saksische zesponders en zes Coehoorn mortieren. Deze stonden onder leiding van kolonel Belford.

In totaal bestond het Hanoverleger uit 9.000 man. Ongeveer een derde van het leger bestond uit Lowlanders en meer dan 600 rekruten uit de hooglanden.

Het Jacobite-leger was in twee linies verdeeld, beide linies drie rijen diep. Naast dit hadden de Schotten een kleine hoeveelheid soldaten in reserve.

De eerste Jacobite-linie, van ongeveer 3.800 man, bestond waarschijnlijk uit:

- Atholl Hooglanders
- Camerons of Lochiel
- Stewarts of Appin, MacLarens
- Frasers
- Chisholms
- MacKintosh
- MacLachlan, MacLean, and MacLeod
- Farquharsons, Chattans
- John Roy Stewart
- MacDonalds of Clanranald
- MacDonalds of Keppochs
- MacDonnells of GlenGarry
- MacDonnells

De MacDonalds en MacDonnells waren ontevreden dat zij op de linkerflank waren geplaatst, omdat het altijd hun voorrecht was geweest op de rechterflank, de gevaarlijkste posite, te staan. Daarnaast was een deel van hun soldaten vertrokken door een ruzie tussen de Clanranalds en de Glengarrys.

De eerste linie kreeg ondersteuning van de 1.000 man van de tweede lijn:

- Irish picquets
- The Scots Royals
- Glenbuckets
- De Franse Royal Écossais
- Lord Lewis Gordons
- Lord Ogilvys
- De regimenten van Gordon of Avochie

De achterste lijn werd gesteund door de cavaleriecontingenten van de Perth Dragoons, de Kilmarnocks Horse Granadiers, de Fitz-James cavalerie onder leiding van Charles Stewart zelf Strathallans, Pitsligos, Balerminos, Elcho’s, en Life Guards. Deze regimenten waren nog niet compleet toen de veldslag begon.

Lord George Murray, die de Athollbrigade onder zijn beval had, commandeerde de rechterflank, gesteund door een aantal kanonnen van de MacDonalds. James Drummond, hertog van Perth, commandeerde de linkerflank en zijn broer John het centrum en de voorste lijn.

Het gevecht

Rond 1 uur ‘s middags begon het gevecht met een artilleriebombardement. Het eerste schot werd naar verluid geschoten door de Jacobites, waarna de Hanovers antwoordden. Cumberlands artillerie was accuraat en efficiënt. De kanonnen van de Jacobites werden of slecht gericht, of gericht op de linie van bevelhebbers, want de schoten kwamen achter de Engelse artillerie en infanterie terecht. Negen minuten na het openen van het vuur stopten de Jacobite-kanonnen en bleven zwijgen. De Hanovers bleven echter veel schade toebrengen. Ter bescherming van prins Charles werd zijn linie buiten het vuur geplaatst, op een positie waarvandaan hij slechts weinig zicht had.

Cumberland liet zijn twee voorste linies versterken met de Pulteneys en de Battereaus, twee onderdelen van het oorspronkelijke reserveregiment. Een deel van Wolfe’s regiment werd achter de stenen muur gezet, in kniediep water en modder. Nog meer naar links stonden de Campbells die trouw waren aan de Hanovers, net als hun clansleden aan de overkant in kilt gekleed. Ze zorgden ervoor dat de weg voor de dragoons werd vrijgemaakt positioneerden zich daarna achter een wal, waarvandaan ze de rechterflank van de hooglanders konden beschieten.

Onmiddellijk beval lord George Murray de Life Guards en de FitzJames’ Horse naar de rechterflank te trekken om deze bedreiging de kop in te drukken. De Campbells openden het vuur, maar de cavalerie moest keren doordat een charge vanwege een verzakte weg vrijwel geheel onmogelijk was.

Het Jacobite-leger werd constant beschoten. In de verwachting dat de Hanovers zelf als eerste zouden aanvallen, bleef Charles’ bevel van een charge uit. Na een half uur werd het bevel tot aanvallen gegeven. Clan Chattan, onder leiding van Alexander McGillivray of Dunmaglass, was de eerste die gehoorzaamde. Woedend renden ze op de vijandelijke linie af, gevolgd door de Frasers, de Camerons, de drie regimenten van de Atholls en de Stewarts van Appin, die de linkerflank met de Barrell’s King’s own regiment aanvielen.

Nu beval kolonel Belford, leider van de Hanoverartillerie, een relatief nieuw soort munitie in te zetten, waarbij de kogel niet bestond uit één metalen bal, maar uit een canvas zak met verschillende metalen projectielen. In plaats van één kogel, werden er nu per schot 40 of 50 projectielen afgeschoten.

Halverwege de charge ontstond er verwarring, mogelijk door de nieuwe munitie die werd afgevuurd. De aanval haperde, maar werd doorgezet en de linkerflank week naar de rechter door onvoorzien drassig gebied, zodat er een soort wigformatie werd gevormd. Ze slingerden hun bajonetten op hun rug en trokken  hun broadswords, waar ze meer aan hadden in alle rook en regen.

De zes bataljons van Cumberlands voorste lijn hadden hun musketten al geladen en schoten gedisciplineerd toen de hooglanders zichtbaar werden. Geheel clan Chattan, behalve drie van hen officieren, werd afgeslacht voordat ze ook maar 20 meter in de buurt konden komen. Sommige anderen wisten de voorste linie te doorbreken, maar werden opgewacht door de regimenten erachter, die hun bajonetten al klaar hadden.

Degenen die de voorste lijn niet konden doorbreken, stopten vlak voor de muur van bajonetten, omgeven door musketkogels. Het was niet mogelijk om aan te vallen, het was niet eerzaam terug te trekken en verkozen te sterven.

Een soldaat nam een gevallen standaard op en wikkelde zich in de vlag, om niet gevangengenomen of gedood te worden. Hij wordt herinnerd als Donuil na Braiteach, Donald van de Kleuren. De MacLeans en de MacLachlans beschermden hun gezichten met hun plaids, omdat ze niets anders hadden dan dat.

Door het gedrang van hun krijgsgenoten moesten de Atholls uitwijken naar de het vuur van de vijandelijke Campbells en Wolfes. 32 officieren stierven met een groot deel van hun mannen, terwijl een ander deel gefrustreerd terug moest trekken.

Het paard van George Murray sloeg op hol en droeg hem tot achter de lijn van de vijand. Toen hij het weer in bedwang had, was zijn zwaard gebroken, zijn hoed en pruik afgevallen en zijn jas gescheurd door schoten en bajonetten. Hij probeerde zich te voet een weg te banen naar de Camerons en Stewarts, die met de bajonetten van het Barrell’s regiment in gevecht waren. Toen hij zag dat er hulp nodig was, rende hij het veld over om de tweede lijn te vragen aan te vallen. De Camerons en de Stewarts vochten hard en maakten met hun broadswords veel slachtoffers. Het Barrell’s bataljon had veel moeite hun aanval te doorstaan en brak zijn linie bijna. Door het vuur van de Wolfe’s en Sempill’s regimenten moesten de Jacobites wijken, nadat ze in totaal 120 man neer hadden gehaald. Er wordt gezegd dat zij zelf 1.600 clanleden verloren, maar dit is overdreven.

Door de hardnekkige weerstand van de Hanovers moesten de Jacobites terugtrekken, eerst in kleine groepjes, later in een grotere beweging. Bij deze terugtocht werden ze bestookt door het vuur van de vijandelijke Campbells. Deze vuurden vier salvo’s af en klommen toen over de wal heen om de Camerons aan te vallen, ze schreeuwden hun strijdkreet, Cruachan! en hakten in op de uitgeputte en bebloede mannen.

De vijfhonderd dragoons, zware cavaleristen, ontweken de verzakte weg waar de Jacobite-cavalerie eerder problemen mee hadden gehad en terwijl de hooglanders vrijwel in paniek hun wapens en plaids wegwierpen om rennend de kogelregen te ontsnappen, sneden de dragoons hen de pas af. Charles’ eigen cavalerie van 60 man reed op hen af, maar waren niet enthousiast om te vechten. Er werden enkele schoten gelost en de Jacobite-cavalerie droeg verder niet meer bij aan de slag.

Aan de linkerkant van de linie begonnen de MacDonalds nu voorwaarts te masseren. Door de ligging van het land hadden ze echter 90 meter extra te overbruggen. Al snel klonk het bevel om te vuren. Onmiddellijk werd eenderde van de MacDonalds geveld, dood, stervend of dodelijk gewond. Driemaal probeerden ze aan te vallen, om de formatie van de Hanovers te breken, maar driemaal faalden ze en stierven er meer. Ze trokken terug.

De Jacobite-terugtocht werd nu door vrijwel iedereen overgenomen. De rennende hooglanders van de voorste linie kwamen langs die van de tweede, die korte tijd standhield maar hierna de paniek overnam en vluchtte.

De Hanovers staakten het vuren. Voor hen lagen de resten van het leger en de idealen van de Jacobites. Charles Stewart vluchtte en ontsnapte, op een manier die welhaast legendarisch is geworden. George Murray bleef nog steeds, hij had de hoop nog niet verloren, maar uiteindelijk besteeg hij  het paard dat hij had gevonden en verliet het veld in tranen.

De slag duurde iets minder dan 60 minuten, maar de slachting werd voortgezet, gepaard met moord, verkrachting en plundering. Officieel gezien telden de Hanovers 50 doden en 259 gewonden, terwijl de Jacobites tussen de 1.200 en 2.000 doden hadden. Meer dan mannen stierf op die koude dag, een ideaal, een droom, een levenswijze stierf, het clansysteem stierf en de hooglanden stierven.

De dragoons kregen vrij teugel en raasden langs de posities die de hooglanders hadden gehouden, terwijl ze iedereen die in hun buurt kwam neersabelden en vervolgden tot in Inverness. De infanterie viel officieel aan om de positie van de vijand in te nemen en gebruikten hun bajonetten om ervoor te zorgen dat de gewonde hooglanders niet zouden vluchten. Ze staken zelfs een huis met gewonden in brand, die niet konden ontsnappen omdat ze werden opgewacht door de Hanovers. Er wordt gezegd dat 450 mensen stierven in de nasleep van Culloden.

Er werden 3.470 Jacobites en anderen gevangen genomen. Hiervan stierven er 88 in de  tot gevangenissen omgedoopte kerken en gebouwen, 936 werden als slaaf getransporteerd naar de koloniën en 222 werden verbannen. Een deel van hen werd uiteindelijk bevrijd, maar het lot van bijna 700 mensen is onbekend. Er werden in Berwick en York processen gehouden, die tot 80 executies leidde. De laatste executie was die van Simon Fraser, lord Lovat, die prins Charles op zijn vlucht korte tijd onderdak had geboden.

Enkele dagen na de slag verzamelden zo’n 1.5000 Jacobites zich bij de Ruthven Barracks, bereid om de campagne te vervolgen. Tot hun verrassing en teleurstelling zei Charles Stewart hen niet te blijven, maar op te splitsen en dekking te zoeken.

Na de nederlaag bij Culloden probeerden de parlementstroepen de hooglanders te vuur en te zwaard te bestrijden. Er werden nieuwe wetten opgesteld om de elementen die de Jacobite-opstand mogelijk zouden hebben gemaakt te vernietigen en er werden patrouilles ingesteld om deze te controleren. Van Jacobite-chiefs in ballingschap werd het land door de Hanoverkroon toegeëigend en bestuurd door ambtenaren. Zijzelf dienden vaak nog in andere legers in Europa, een deel van hun volgelingen vertrokken naar Amerika. De chiefs mochten geen rechtszittingen meer houden om hun eigen clanleden te berechten en de hooglanders werden ontwapend. Ook de kilt werd verboden en dit allemaal met de eed:

"I, (name), do swear as I shall answer to God at the great day of judgement, I have not, nor shall have in my possession any gun, sword, pistol or arm whatever, and never use tartan, plaid, or any part of the highland garb; and if I do so, may I be cursed, may I never see my wife and children, father, mother or relations, and lie without a Christian burial in a strange land, far from the graves of my forefathers and my kindred; may all this come across me if I break my oath."

Zie ook:

De jacobite opstanden
Highland clearances

 

 

 



Gesponsord door Celtic Webmerchant:

                 
Keltische torque € 24,-                          Romeins schrijfgerei 28,90                           Keltische helm € 277,-


copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact