|
|
|
||||
|
|
De Hallstatt en La Tène periodeDe Hallstatt en La Teneperiode zijn de twee vroegste en tevens bekendste Keltische cultuurperiodes. Ze zijn vernoemd naar twee plaatsen in respectievelijk Oostenrijk en Zwitserland, waar in de 19de eeuw belangrijke Keltische vondsten zijn gevonden. Veel onderzoeken nemen deze periodes als uitgangspunt voor onderzoek naar de Keltische cultuur en kunst. Na de eerste benoeming van de kunstperiodes, zijn ze later in verschillende fases onderverdeeld. De Hallstattperiode
De Hallstattcultuur ontstond door de winning van zout, dat werd verhandeld met buurvolkeren. Op deze manier ontwikkelde Hallstatt en het omliggende gebied zich tot een welvarende streek. Door deze rijkdom konden zich een eigen cultuur en een ijzerproductie ontwikkelen. Rond de 6de eeuw v.Chr. besloeg het gebied van de Hallstattcultuur grofweg het huidige Oost-Frankrijk, Zuid-Duitsland Oostenrijk, Zwitserland, en delen van Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Slovenië en Kroatië.
Tijdens Hallstatt A en B werden de doden gecremeerd en in urnen begraven. Hallstatt B was de overgangsfase van de Brons- naar de IJzertijd, de eerste ijzeren voorwerpen werden gesmeed. Voor de rijkere doden werden grafheuvels opgericht, waar in Hallstatt A nog simpele graven werden gebruikt. Deze periodes bevatte enkele invloeden uit de Villanovacultuur, de vroegste fase van de Etruscische cultuur die zich in Noord-Italie ontwikkelde. Hallstatt C was de eerste specifiek Keltische cultuurperiode. IJzer had definitief zijn intrede gedaan, waardoor er een grote vooruitgang was in de landbouw en zoutwinning. Er ontstond een gestructureerde samenleving en doden werden niet meer gecremeerd, maar begraven. Deze periode correspondeert met de vroege Europese ijzertijd en het is lastig te zeggen tot waar de Hallstatt invloeden vanuit deze periode reikten.
De meeste metalen kunstvoorwerpen zijn van hoge kwaliteit ijzer of brons. Goud en zilver werd relatief weinig gebruikt. In de graven van Hallstatt werden wapens als bijlen, werpsperen, breed-bladige zwaarden met antennaegevest, dolken, helmen en schildonderdelen gevonden, naast gebruiksvoorwerpen en sieraden als keramiek, riemeinden, broches en amberen en glazen kralen. De bekendste graven waren waarschijnlijk van de Keltische aristocratie, die genoeg vermogen had om met zoveel luxe begraven te worden. Veel vondsten wijzen op een periode van grote welvaart en voorwerpen waren meestal rijkelijk versierd. De versieringen zijn geometrisch en ontwikkeld vanuit de Urneveldencultuur. Dit wordt afgewisseld met symmetrische motieven van dieren, mogelijk overgenomen van Etruskische kunst, en knoopmotieven. Plantmotieven worden nog vrijwel niet gebruikt. Keramiek werd bestond in verschillende kleuren, maar was nog niet beschilderd. De fibulae waren simpel. De La Tèneperiode
In 1857 daalde het waterpeil van
het meer van Neuchâtel, Zwitserland, door een periode van langdurige
droogte. Hansli Kopp,
De tweede periode van de Keltische cultuur werd naar de vondsten vernoemd, na de Hallstatt-periode volgde voortaan de La Tène-periode, die van 500 tot 50 v.Chr. duurde. In deze tijd vonden grote veroveringen en migraties van de Keltische stammen plaats. De La Tènecultuur besloeg daarom grofweg Zwitserland, Oostenrijk, Frankrijk, Groot-Brittannië en Ierland, Noord-Italië, de Balkan en een korte periode Griekenland en Macedonië, maar had in de ene regio meer invloed dan de andere. Waar de Hallstattcultuur toegepaste kunst toonde, gaat het in de La Tènecultuur steeds meer om de kunst zelf en krijgen de kunstenaars hun technieken steeds beter onder de knie. Goud wint het van brons en wordt dan ook vaak in sieraden gebruikt.
De invloeden van de Urneveldencultuur is in La Tènekunst nauwelijks meer terug te vinden. De stijl is beïnvloed door motieven uit Griekenland en Italië, maar heeft toch een geheel eigen karakter. Het organisch motief wordt populair en wordt afgewisseld met trompetvormen, zig-zags, diermotieven en spiralen. Dit alles wordt vaak ingelegd met gekleurd email. Oorspronkelijk werd de La Tène periode ingedeeld in drie fasen: I, II en III of vroeg, middel en laat. Paul Reinecke voerde echter een extra fase in, La Tène A, als overlappingsperiode tussen de Hallstatt en La Tèneperiode. Zijn fasen B, C en D corresponderen grofweg met de fasen I, II en III en vroeg, middel en laat.
Tijdens de La Tène B fase (vanaf circa 400 v.Chr.) vonden er grote volksverhuizingen plaats. Mannen werden minder vaak met wapens begraven. De grote grafheuvels werden vervangen door graven die minder ruimte innamen. Het bloemmotief werd geïntroduceerd. In de La Tène C fase (280-125 v.Chr.) werden de eerste oppida gesticht, grote nederzettingen die veel weg hadden van latere steden. Mogelijk in verband hiermee werden de doden niet meer begraven, maar gecremeerd en in urnen begraven. Het organische motief werd geïntroduceerd, met gestileerde palmetten en lotusmotieven. Er werden drie- en tweedimensionale versieringen gebruikt. De fase van La Tène D is de neergangsfase van de Keltische cultuur. Steeds meer gebieden van de La Tène Kelten worden veroverd. Meestal wordt deze gedateerd tussen 125 en 50 v.Chr., maar ook na deze tijd werden er nog voorwerpen in de La Tènestijl gemaakt, zoals de Holcombe spiegel. Dit was met name in Groot-Brittannië het geval.
Zie ook: Bronnen:
-
Barnes, Ian,
“Historical atlas of the Celtic world” (London 2009)
|
|
|||
|
Gesponsord door Celtic Webmerchant:
|
|||||
|
copyright © 2011 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden. Sitemap Contact |
|||||