De vondsten bij Hallstatt en La Tène

De Hallstatt-periode
De Hallstatt-periode liep van de 8ste tot de 6de eeuw v.Chr en wordt ook wel het begin van de Keltische beschaving genoemd. In Hallstatt ligt de oudste zoutmijn op de wereld. Toen er in 1846 na 2.000 jaar opnieuw zout werd gewonnen, begon Johan Georg Ramsauer, de gemeentelijke mijnopzichter, met het afgraven van grind voor de aanleg van een weg. Tot zijn verbazing legde hij een menselijke schedel en een bronzen oorring bloot. Hij groef verder om te kijken of er meer te vinden was en ontdekte een skelet, later vond hij er nog een en het vermoeden ontstond dat dit een oude begraafplaats was. Na meer onderzoek legde hij zeven skeletten bloot, die met grafgiften keurig in rijen waren begraven. In de lente van het daaropvolgende jaar kwam hij terug om de plaats verder te bestuderen en de volgende twintig jaar bleef hij er opgravingen doen. Uiteindelijk heeft hij meer dan 1.000 graven en een van de eerste smidsen ontdekt. Ook werd duidelijk dat de zoutmijnen al vele eeuwen in gebruik moesten zijn geweest. Wat Ramsauer blootlegde, gaf de naam aan de eerste periode van de Keltische beschaving, de Hallstatt-cultuur.

In deze periode creëerden de Kelten handelsnetwerken door heel Europa en verrijkten ze zich met schatten in ruil voor zout en wapens, deels geproduceerd in Hallstatt. Zo verspreidde de Hallstatt-cultuur zich door heel Europa, van Slovenië tot aan het Iberisch schiereiland en van Brittannië en Ierland tot Noord-Italië. Het is niet bekend of er bij deze handel in Keltische talen werd gesproken. Wel is bekend dat Europa steeds meer de Keltische gewoontes overnamen en later grotendeels werd veroverd door de Kelten. 

Door de handel kwamen de Kelten in contact met verschillende andere culturen als Etrusken, Grieken, maar ook Egyptenaren en Chinezen. Zij verwerkten kunstelementen in hun eigen, vaak toegepaste, kunst tot een geheel nieuwe stijl.

Een kenmerk van de Hallstatt-periode is dat de elite werd begraven in grafheuvels, vaak overladen met grafgiften. De doden waren niet alleen mannen, ook vrouwen werden op deze manier begraven. Veel voorkomende grafgiften waren strijdwagens, sieraden en messen. Er werd geloofd dat deze ook nog in het andere leven nuttig zouden zijn.

De La Tène-periode
Hansli Kopp onderzocht in 1857 als eerste de paaltjes die na een periode van uitzonderlijke droogte zichtbaar werden in het meer van Neuchâtel, in de buurt van La Tène, Zwitserland. Hij vond tussen de paaltjes veertig oude zwaarden. Zes jaar later deed ook Ferdinand Keller onderzoek naar de paaltjes en stelde als eerste dat het de overblijfselen van een Keltische nederzetting waren, die op palen was gebouwd. Tijdens het systematische droogleggen van de Zwitserse meren tussen 1868 en 1883, werd ook het meer van Neuchâtel drooggelegd. In 1880 werden als gevolg daarvan twee bruggen blootgelegd die ongeveer 100 meter lang waren, samen met de overblijfselen van vijf huizen aan de oever. Toen het meer droog was, werden in totaal 2.500 objecten gevonden, vaak van metaal gemaakt. Veel van de vondsten waren wapens, waaronder 166 zwaarden die waarschijnlijk grotendeels nooit zijn gedragen. Ook zijn er verscheidene menselijke overblijfselen gevonden. Waarschijnlijk ging het hier over offergaven aan de goden en was de plaats bij La Tène van groot religieus belang. De tweede periode van de Keltische cultuur werd naar de vondsten vernoemd, na de Hallstatt-periode volgde voortaan de La Tène-periode, die uit de eerste cultuur was ontwikkeld. De La Tène-periode liep van 450 v.Chr. tot de Romeinse verovering van Groot-Brittannië. De Keltische cultuur was aan het begin van de La Tènecultuur dominant in Frankrijk, Zwitserland, Zuid-Nederland, België, Oostenrijk, Zuidwest-Duitsland, Tsjechië, Slowakije, Turkije, Hongarije, het Iberisch schiereiland, Brittannië en Ierland. Zowel binnen als buiten het gebied van de La Tène cultuur bloeide de handel. Zo zijn er Keltische graven gevonden met zijden kleding uit China.

Onze kennis over deze culturele stroming komt van verschillende bronnen. Griekse en Romeinse geschiedschrijvers als Caesar maken verschillende malen melding van de Kelten, maar zijn vaak niet betrouwbaar. Archeologische opgravingen geven een veel genuanceerder beeld van de La Tènecultuur. Zij geven aan dat de Kelten een hoogontwikkelde beschaving hadden, die weliswaar niet was gebaseerd in steden, maar een eigen, unieke vorm van samenleving had.

Of de ontwikkeling van en binnen de La Tènecultuur geheel onder invloed van de Kelten plaatsvond, is onwaarschijnlijk. Een volk ontwikkelt zich altijd in reactie op zijn omgeving. Genetisch gezien vormden de Kelten niet één enkele cultuur, maar eerder een samengang tussen de Keltische cultuur van Hallstatt en de lokale bevolking. Dit verklaart ook het feit dat de politieke, materiële en taalkundige elementen per plaats verschilden.

Zie ook:
Keltische kunststijlen
Pictische kunst
De gundestrup ketel
Dierensymbolen
Abstracte symbolen

Celtic Webmerchant:

                 
  Keltische munten  € 20,79                                    Goudkleurige broche € 9,20          Keltische torq € 75,-   

 

copyright © 2009 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact