De Schotse eilanden en de hooglanden 1050-1493  

De Schotse historici richtte zich in het verleden maar al te vaak op de belangrijke slagen in de Schotse geschiedenis, waaronder Stirling Bridge en Bannockburn. Hierbij wordt echter een deel van de Schotse bevolking slechts zelden genoemd. Mogelijk is dit te wijten aan gebrekkige kennis met betrekking tot de westkust van Schotland, waar de grotendeels nog Gaelic-sprekende bevolking woont. Slechts enkele malen komt deze bevolking in de geschiedenisboeken terug.

De documentaireserie The History of Britain lijkt wel nog nooit van deze bevolking te hebben gehoord, hoewel zij tot zelfs na de nasleep van de nederlaag bij Culloden en de misdaden van de Highland Clearances  hun taal en cultuur boven allen wisten te behouden. Tot de regeringsperiode van koning David de 1ste, die het feodale stelsel in delen van Schotland introduceerde, vormde dit volk de overgrote meerderheid van de Schotse bevolking.

De Schotse westkust en de Hebriden waren tot enkele eeuwen geleden een vrijwel onafhankelijk land, mogelijk is dat één van de redenen waarom het Gaelic in deze gebieden nog steeds wordt gesproken. Somerleds krijgers verjoegen in de 12de eeuw met gemak de Vikingen, die vanuit geheel Europa naar de Ierse Zee waren getrokken. Zijn afstammelingen waren massaal aanwezig bij de slag bij Bannockburn in 1314.

In feite kan worden verondersteld dat koning Robert the Bruce de Schotse Onafhankelijkheidsoorlog niet had kunnen winnen zonder de steun van clans zoals MacDonald en zijn Ierse bondgenoten. Vanaf de 13de eeuw versloeg het volk van de Schotse westkust regelmatig de Anglo-Normandiërs in Ierland met haar krijgers die later bekend kwamen te staan als galloglaich of gallowglasses, wat in het Gaelic “buitenlandse krijger” betekent. Dit bleef zelfs zo tot in de 17de eeuw.

De Gaelic historische tradities werden mondeling overgedragen, net als in de tijd van de druïden. In de jaren na de Highland Clearances was juist deze taal verboden in openbare gelegenheden en op scholen. Rond deze tijd werd zelfs de machtige Somerled afgebeeld als een barbaarse piratenkoning.

De Hebriden vormen het verbindingspunt tussen Noorwegen, het vaste land van Schotland, Ierland en de rest van Europa. Via deze weg verliep de handel en de diplomatiek. Vaak dronk de Lord of the Isles betere Franse wijnen aan zijn hof dan de koning van Engeland of Schotland.

Historische context

De Gaelic inwoners van de Schotse westkust komen oorspronkelijk vanuit Ulster (Noord-Ierland) en zij onderhielden dan ook nauwe banden met deze regio. Tussen de 8ste en 9de  eeuw kwamen groten delen van Noord-Ierland en West-Schotland door de Vikingen onder Noorse heerschappij te staan. Het lijkt erop dat toen de Gaelic bevolking van de Schotse westkust en de Noorse immigranten met elkaar vermengd zijn geraakt. De Vikingcultuur was daarin minder dominant als de Keltische en ging hierin op, net zoals waarschijnlijk is gebeurd tussen de Picten en de Scotti. Ondanks de Keltische dominantie stond de bevolking vanaf die tijd bekend als de Gall-Gaedhil, de buitenlandse Kelten.

Vlak na de intrede van de Noorse invloeden vochten de Gaelic lords aan de Noorse zijden, zo ook tijdens de slag bij Clontarf in 1014 in Ierland. Op deze manier raakten ze gewend aan de Noorse manier van oorlogvoering.

In de 12de eeuw leefde de half Noorse, half Keltische heer Somerled of Sumarliði, zomerreiziger, getrouwd met de dochter van de koning van Man. Hij bevocht eerst de Manx Vikingen en dreef ze uit Morven en Argyll. In 1153 bevocht hij zijn zwager, Godred van Man, in een zeeslag. Officieel won er niemand, maar Godred was genoodzaakt de helft van zijn eilanden af te staan. Later veroverde Somerled de basis van Godreds koninkrijk, het eiland Man. Hierna begon nam de Noorse invloed op de Schotse eilanden af.

De nieuwe koning van Schotland, Malcolm de 4de, accepteerde het groeiende Noors-Keltische koninkrijk aan zijn grens niet. Somerled trok met een leger van eigen strijders en Vikingen uit Dublin via de Firth of Clyde naar Renfrew, met een armada van 160 schepen. Hij wilde Malcolm verslaan, maar sneuvelde zelf. Dit was echter niet het einde van Somerleds rijk, het bleef voortbestaan als vazal van de Noorse kroon.

In werkelijkheid regeerden Somerleds afstammelingen echter een onafhankelijk koninkrijk en handelden daar ook naar. Na 1266, toen de Noorse en de Schotse koning het verdrag van Perth ondertekenden, beweerden ze hetzelfde met het Schotse koningshuis. Ze erkenden de gebieden als onderdeel van de Schotse kroon, maar in theorie waren ze er de koning, omdat er geen enkele koning van Schotland ooit in de buurt kwam met een leger.

In de 14de eeuw maakten het Lordschap van de Eilanden een bloeitijd mee. Clan Donald, direct afstammend van Somerled, regeerde de eilanden en bood hulp aan Robert the Bruce tijdens de Schotse Onafhankelijkheidsoorlog. De MacDougalls, eveneens afstammend van Somerled, steunden echter de Engelsen en ontvingen daar veel geld voor om hun vloot uit te breiden. Uiteindelijk werd deze clan, geleid door Sween de Rode, verslagen door de MacDonalds en Bruce, zowel ter land als ter zee. Sween was een admiraal voor de Engelsen en had via zijn familie, gebaseerd rond Castle Sween in Argyll, sterke connecties met Ierland. Na zijn nederlaag trok zijn familie zich terug en bleef in Ierland voortbestaan als clan MacSweeney.

Aan het begin van de 15de eeuw ontstond een conflict tussen de landheren van de feodale Laaglanden en die uit de Gaelic Hooglanden om het earldom van Ross. Dit werd in 1411 uitgevochten bij de slag van Harlaw, waar geen winnaars, maar alleen verliezers uit voortkwamen.

Zeventien jaar later werden de 40 chiefs van de eilanden en Alexander, Lord of the Isles, bij koning James de 1ste geroepen vanwege Alexanders claim op het earldom Ross. Zij werden gevangen gezet en drie chiefs werden opgehangen. De overige gevangenen werden vrijgelaten wegens goed gedrag.

Onmiddellijk brak er oorlog uit tussen de Lord of the Isles en de koning. Alexander brandde de burgh van Inverness plat. In een strafexpeditie verzamelde koning James zijn leger en marcheerde richting de eilanden. Aan de grens tussen Lochaber en Badenoch ontmoetten de legers elkaar. Alexander werd verslagen en hij vluchtte, waarna hij zich uiteindelijk overgaf.

De macht van de Lord of the Isles werd pas ingenomen toen de Lord of the Isles in 1493 met de Engelse koning Edward de 4de samenzwoer, waarop Edward hem verraadde.

De laatste poging van de MacDonalds om de titel terug te krijgen was in 1543 onder Donald Dubh, die lange tijd gevangen was gehouden door de Schotse kroon uit angst dat hij het Lordschap van zijn vader Angus opnieuw zou claimen. Toen hij werd vrijgelaten begon de bevolking van de Schotse westkust een nieuwe rebellie, nadat Donald zich had verzekerd van een alliantie met Ierland. Donald stierf echter in 1545.

Rond deze tijd veranderde de politieke balans aan de weskust drastisch. De Schotse clan Campbell had steeds meer macht gekregen en kreeg vrij spel toen het Lordschap van de Eilanden bij de Schotse kroon werd gevoegd. De groeiende macht van de Campbells en de krimpende invloed van de MacDonalds legden een basis voor een bittere clanstrijd die pas in 1746 bij de slag bij Culloden voor het laatst werd uitgevochten.

Hoewel het Lordschap van de Eilanden bij de Schotse kroon was gevoegd, keerde de rust er niet weer, er braken juist meer onderlinge twisten uit, omdat het machtsevenwicht uit balans was gehaald.

De krijgers van de eilanden, de gallowglasses, vierden vanaf deze tijd hoogtij en dienden als huurlingen in andere legers, onder andere in Ierland waar ze tegen de Engelse bezetters streden. Belangrijke gallowglassfamilies waren onder andere de MacSweeneys, de MacWilliams en de MacAlistairs. De laatste familie vestigde zich op het schiereiland van Kintyre, dichtbij Noord-Ierland. Wanneer een alarmvuur werd ontstoken bij de kust van Antrim, konden zij dat zien en kwamen te hulp met hun galleien.

Het leger

Wanneer er over de legers van de eilanden wordt gepraat, heeft men het vrijwel uitsluitend over de gallowglasses, terwijl het over grootste gedeelte van de eenheden uit kerns en ander voetvolk zou hebben bestaan. Dit is duidelijk terug te vinden in de latere geschiedenis, waarbij de Hooglanders een prominente rol speelden. Deze typerende krijgers, gewapend met targe en bijl, zijn mogelijk een doorontwikkeling van deze eenheden.

Zonder veel extra details, kan worden geconstateerd dat er in de Schotse Hooglanden en Eilanden tussen 1050 en 1493 er twee verschillende soorten krijgers bestonden.  De eerste was de hooglander, die vaak licht gewapend en bepantserd was. De tweede kwam alleen vanuit de Hebriden af en was een professionele krijger, bewapend met een tweehandige bijl of zwaard en bepantserd met een helm, een maliënkolder en een lange wambuis. Deze krijgers vormden onder de Lord of the Isles mobiele brigades die vanuit zee opereerden. Bij hun operaties maakten ze grootschalig gebruik van het schip dat tot aan het strand kon varen en daar werd neergezet als kampement: de birlinn . In de tijd van Henry de 8ste bestond de vloot van de gallowglasses uit ongeveer 4.000 galleien. De seizoenen dat de gallowglasses thuis waren, werkten ze op het land of als visser.

Op het hoogtepunt regeerde de Lord of the Isles over zowel de binnen als buiten Hebriden, Islay en zelfs Ross. Deze gebieden werden beschermd door zware stenen torenhuizen. Dit machtige gebied werd geregeerd vanuit Finlaggan castle op Islay. Daar waren parlementsgebouwen en hielden de machtige heersers hun zittingen. 

De bevolking van de Schotse westkust nam net als de andere Hooglanders geen tenten mee op campagne, deels ook omdat ze het buitenslapen gewend was. Als kampement verkoos ze vaak een birlinn die op het strand was getrokken. Ook had dit volk in sommige periodes van het jaar kampementen aan de westkust, daar werd het gestolen vee bij elkaar gedreven om vervolgens over te schepen naar de eilanden.

De gemiddelde samenstelling van een leger wordt geïllustreerd door de troepen bij de slag bij Harlaw, waarbij de 6.000 tot 10.000 Gaelic Hooglanders het opnamen tegen 2.000 goed bewapende Laaglanders. De leiders van de Hooglanders en mogelijk ook hun bodyguards waren de zwaar bewapende gallowglasses, die van top tot teen in maliën vochten. De rest van het leger bestond grotendeels uit een oude Keltische ‘warband’, bewapend met targe, bijl, speer en zwaard. Wel moet vermeld worden dat de Hooglanden rond die tijd een veel zuidelijkere grens hadden, rond die tijd maakte een groot deel van Stirlingshire ook nog deel uit van de Hooglanden.

Een dergelijke samenstelling werd ook gebruikt in de Battle of Brander Pass tijdens de Schotse Onafhankelijkheidsoorlog,  waarbij James Douglas zijn leger de Pass of Brander opstuurde om van bovenaf een hinderlaag uit te voeren. Dit is niet gedaan door de zwaar bepantserde gallowglasses, maar door de lichtere infanterie zoals de kerns.

Dit leger moet zeer professioneel geweest zijn, want daarna stuurde Robert the Bruce het mee als bodyguard van zijn broer Edward tijdens diens expeditie naar Ierland.

Krijgstactiek

Een kroniek over de slag bij Harlaw beschrijft de gebruikte krijgstactieken van beide kanten.

Beide partijen scholden elkaar uit aan het begin van de veldslag, waarop een volledige charge volgde. Dit is niet gebruikelijk, meestal volgde een aanval van een paar honderd of duizend soldaten die in kleine eenheden samen vochten. De gehele slag was dan ook ongebruikelijk, normaalgesproken strijden twee soortgelijke legers niet tegen elkaar.

Bij een slag tussen Angus Og en de Engelsen in 1480 vielen de eilanders de zware Engelse cavalerie aan door met grote vaart een steile heuvel af te stormen waar de cavalerie niet tegenop kon klimmen. Daarbij gebruikten ze hun tweehandige bijlen om de ruiter en het paard te doden. Mogelijk werd dit gesteund door een regen van pijlen en werpsperen.

Veldslagen in bergpassen kwamen regelmatig voor om forten of wegen te verdedigen. Veel glens in de hooglanden dragen nog een naam die ons aan dergelijke slagen herinneren.

De kerns, het voetvolk, dienden om het eigen vee te beschermen en het vee van de vijand te roven. Dit gebeurde vele eeuwen lang, omdat een groot deel van de economie op het houden van vee was gebaseerd.

De Noorse en Viking invloeden

Tussen 800 en 1000 n.Chr. koloniseerden de Noren de Keltische westkust van Schotland. In de Hebriden hield de Noorse macht tot 1300 aan. De kleine hoeveelheid Noorse plaatsnamen aan de Schotse westkust (drie) tegenover de grotere hoeveelheid Noorse plaatsnamen in het noorden van Schotland, doet echter vermoeden dat de Vikingcultuur maar weinig invloed heeft gehad. Er zijn echter wel degelijk invloeden terug te vinden, zo zijn verschillende Noorse namen overgenomen, Ranald komt van het Noorse Ragnvald, Dougall van Dhugall.

De tactieken en manier van oorlogvoering van de gallowglass zijn duidelijk overgenomen van de Vikingen, de beste Noorse wapenrusting werd in een Gaelic jasje gestoken. Het maliën, de helmen, de lange wambuis en ook de tweehandige bijl komen oorspronkelijk uit de Noorse cultuur. Het gallowglassschip, de birlinn is op de drakkar geïnspireerd, maar duidelijk gebouwd voor gebruik op de Ierse Zee. Om hier een idee van te geven, een schip met bemanning trok vanuit Barra in de buitenste Hebriden naar de Scandinavische Shetlands en Orkneys, 300 mijl verderop om te plunderen. Plunderen vormde voor deze bevolking een goede bron van inkomsten.

De kleding en taal bleven echter net zo Keltisch als voor de Vikingkolonisatie. In deze gebieden van Schotland werden vrijwel nooit broeken of beenlingen gedragen, tenzij een aanverwante clan dergelijke kleding droeg, wat zeer zeldzaam was.

De Vikingen die zich in de 9de eeuw aan de Schotse westkust vestigden, namen de kledingstijl van de lokale bevolking over. Een goed voorbeeld hiervan is de Orkadische Viking Magnus Blootbeen, van oorsprong een Noor, die de jurkachtige léine overgenomen had. Krijgers van de westkust droegen een lange tuniek, de léine. Daarover droegen ze een soort mantel, de brat. Deze mantels waren de voorlopers van de toekomstige kilt, de plaid en de rok zijn in de brat al duidelijk zichtbaar. Zowel mannen als vrouwen droegen deze kleding, bij de vrouwen was de léine echter langer en anders gevormd. In alle klassen van de bevolking werd overduidelijk de tartanstof gedragen, nog niet gericht per clan maar wel typerend voor de regio waar de clan vandaan kwam. De rijkdom van de krijger kon worden gezien aan zijn broche, tegelijkertijd toonde dit zijn rang en eenheid. Een verhaal vertelt ons dat de krijgers van Somerled jasjes van koeienhuiden droegen, dit was zeker mogelijk. Vele eeuwen later werden deze nog steeds gebruikt, ook onder de rijkere bevolking.

Opvallend is dat de krijgers aan de Schotse westkust altijd staan afgebeeld met slechts een maliënkap op, terwijl dezelfde soort krijgers in Ierland altijd een volledig maliënkolder droegen. De reden hiervoor lijkt duidelijk. De gallowglass gaf net als andere Keltische strijders de voorkeur aan licht pantser, omdat pantser mobiliteit tegenwerkte. Bij relatief lichte gevechten droeg de gallowglass dus geen volledige maliënkolder, dit deed hij alleen wanneer het ging om zwaardere gevechten, zoals in Ierland tegen de Engelse cavalerie en zware infanterie.

Een 15de eeuws ooggetuigenverslag beschrijft ze als grote brede mannen, uniform gekleed, geheel in maliën en gewapend met tweehandige zwaarden. In verhouding met de Engelse en Schotse infanterie van deze tijd zouden ze antiek hebben geleken. Ze waren echter uiterst effectief door hun lichtere pantser.

Uit ditzelfde verslag komt naar voren dat deze krijgers groepen boogschutters aan de flanken plaatsten. Boogschutters waren voor hen ook een toegevoegde waarde voor zeegevechten. In alle Schotse legers werd veel waarde gehecht aan contingenten boogschutters die van de eilanden bij de Firth of Clyde afkwamen, zoals Eig, Arran, Bute en Cumbrae. Een 15de  eeuwse kroniek over de belegering van Roxburgh castle vermeldt dat er een contingent van deze boogschutters aanwezig was en in oude Hooglandersstijl vocht met boog, bijl en lange wambuis. Dit toont aan dat de krijgers in deze tijd nog altijd de verschillende typen wapens met elkaar mixten.

Dit gebruik is in 1320 begonnen, toen Robert the Bruce wettelijk regelde dat elke Schotse krijger minimaal twee verschillende wapens moest kunnen hanteren.

Zie ook:

De gallowglass
Ierse kleding
Kelten, Saksen en Vikingen
De Schotse onafhankelijkheidsoorlog

Celtic Webmerchant:

        
     Galloglass helm 140,-                    Galloglass wambuis 100,-                      Iona cross 14,75

 

copyright © 2009 CelticBritain.net, Alle rechten voorbehouden.           Sitemap  Contact